HOW2 – 1.3. Onderscheid (7/10)

Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

1.3. Deel I – Universum / premenselijk

7. Religieus onderscheid

In religieuze taal verschijnt ‘onderscheid’ als iets dat ons voorafgaat. Waar alledaagse taal onderscheid koppelt aan keuze en beoordeling, plaatst religieuze taal het vóór die keuze. Er wordt niet alleen gezegd dát er verschillen zijn, maar ook dat het verschil zijn oorsprong heeft in een bron of beginsel, soms verbeeld als een gesproken woord. In die zin sluit religieuze taal aan op de inzet van dit hoofdstuk: onderscheid verschijnt niet alleen als menselijke activiteit, maar als eigenschap van hoe werkelijkheid zelf gedifferentieerd is.

Scheppingsverhalen maken dat concreet. In veel verhalen is de beginfase geen lege afwezigheid, maar een ongedifferentieerde toestand: duisternis, watermassa, chaos. Het begin wordt dan verteld als een reeks scheidingen die een wereld mogelijk maken. Licht wordt van duisternis gescheiden, ‘boven’ van ‘beneden’, droog land van water, en soorten worden van elkaar onderscheiden. De eerste handeling is niet het neerzetten van losse objecten, maar het uit elkaar halen van wat daarvoor samenhing. Zo verschijnt het begin van een wereld als splitsing van een ononderscheiden toestand.

Kenmerkend is dat het verhaal die scheidingen als oorspronkelijke handeling presenteert: die scheidingen stellen vast wat als ‘licht’ en ‘duister’, ‘dag’ en ‘nacht’, ‘zee’ en ‘land’ kan gelden, nog vóór er iemand is die benoemt of meet. Menselijke indelingen (tijd, kalender, ritme, landgebruik) haken daar pas later op in. In termen van dit hoofdstuk betekent dat: religieuze taal situeert de onderscheidstructuur in de werkelijkheid zelf, niet uitsluitend in onze indelingen en beschrijvingen.

Daarnaast is verschil in religieuze context meestal betekenisdragend. Verschillen worden niet alleen beschreven, maar ook beladen: ze markeren wat bij elkaar hoort en wat niet. Voor Deel I is die waardelading nog geen onderwerp; die komt pas echt in beeld zodra ervaring en samenleving centraal staan. Hier is vooral van belang dat religieuze taal onderscheid niet als bijkomstigheid behandelt, maar als iets dat aan de basis ligt van hoe werkelijkheid wordt opgevat.

In religieuze taal verschijnen zulke onderscheidingen vaak als paren: ‘heilig’ en ‘profaan’, ‘rein’ en ‘onrein’, schepper en schepping, of ‘afgezonderde’ tijd tegenover gewone tijd. Zulke paren zijn geen losse etiketten, maar woorden die aangeven welke verschillen dragend zijn in het wereldbeeld van het verhaal.

Binnen dit hoofdstuk werkt religieuze taal vooral als spiegel: zij koppelt onderscheid aan een bron of beginsel dat verschil mogelijk maakt. Waar logica en wetenschap een schema van domein en niet-samenval formuleren, verbeeldt religieuze taal dat als iets dat niet uit onszelf komt. Daarmee wordt de stap naar mythen navolgbaar: het schema krijgt daar de vorm van een verhaalbeeld waarin het samenvallende uiteen wordt gehaald.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *