Auteur: eM

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (10/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    10. Conclusie

    Dit hoofdstuk behandelde ‘onderscheid’ als minimale positieve structuur: binnen een domein van mogelijkheden vallen niet alle situaties samen. Zonder interne niet-samenval is zelfs het minimale ‘iets’ leeg.

    De benaderingen maken één verschuiving zichtbaar: van onderscheid als menselijke handeling naar onderscheid als minimale structuur. Logisch geformuleerd: er is een domein waarin minstens één ‘niet-hetzelfde’-relatie geldt. Wetenschappelijke voorbeelden laten zien hoe zulke structuren in de vorm van toestanden, waarden en drempels operationeel worden, zonder dat een waarnemer het verschil hoeft aan te brengen.

    Filosofisch verschijnt onderscheid als voorwaarde: zonder onderscheid is geen veelheid en geen wereld te denken. Religieuze en mythische taal verbeelden hetzelfde als oorsprongsbeeld. ‘Metafysisch onderscheid’ is het werkbegrip voor wat je niet kunt wegdenken zonder het idee van een wereld te verliezen.

    Voor Deel I betekent dit: de fundamentele laag kan niet alleen als drager van minimaal verschil worden gedacht, maar moet intern gedifferentieerd zijn. ‘Onderscheid’ in de zin van dit hoofdstuk is die structuur, opgevat als waarnemeronafhankelijk. Wat niet kan wegvallen, is dat er überhaupt sprake is van niet-samenval. De volgende stap is hoe minimale verschillen stabiliseren tot relatief blijvende patronen waarbinnen later contouren, vormen en uiteindelijk ‘dingen’ herkenbaar worden.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Metafysisch onderscheid

    Na de logische, wetenschappelijke, religieuze en mythische varianten verschuift de vraag naar status: welke verschillen zijn dragend voor de werkelijkheid zelf? ‘Metafysisch onderscheid’ is hier de naam voor het deel van de onderscheidstructuur dat je niet kunt wegdenken zonder het idee van een wereld te verliezen.

    Je kunt dat toetsen met een wegdenkproef. Neem een onderscheid uit de eerdere paragrafen en vraag wat er overblijft als je het op fundamenteel niveau wegdenkt. Verdwijnt het verschil zodra je het beschrijvingskader wijzigt, dan is het beschrijvingsafhankelijk en dus niet metafysisch. Als zo’n weglating het spreken over een wereld ondergraaft, omdat zonder niet-samenval ook ‘iets’ en een domein van mogelijkheden niet meer te formuleren zijn, dan is dat onderscheid een kandidaat voor metafysisch onderscheid.

    Vanuit die invalshoek zijn er grofweg twee soorten onderscheid. Er zijn afgeleide onderscheidingen, die pas binnen een gekozen kader ontstaan: categorieën die meeschuiven met meetwijze, schaal of doel. En er zijn dragende onderscheidingen: een minimale structuur van wel/niet en samenval/niet-samenval die elke wereldbeschrijving lijkt te veronderstellen, ongeacht taal of theorie. Niet omdat dit wenselijk is, maar omdat zonder zo’n structuur zelfs ‘er is iets’ tegenover ‘er is niets’ niet meer te articuleren valt. Metafysisch onderscheid doelt op dit tweede type.

    Zet je verschillende manieren van spreken naast elkaar, dan wisselt het vocabulaire, maar blijft het schema: niet alle mogelijke situaties vallen samen. Metafysisch onderscheid is dan niet ‘fase’, ‘bit’, ‘licht’ of ‘hemel’, maar de blote vorm waarin sommige mogelijkheden wél en andere niet samengaan. In Deel I kan ‘metafysisch onderscheid’ dienen als werkcriterium. Telkens wanneer een nieuw verschil wordt geïntroduceerd, kun je vragen: is dit afgeleid uit een gekozen kader, of raakt dit aan een dragende niet-samenval die nodig is om überhaupt van werkelijkheid te kunnen spreken? Het antwoord hoeft nog niet definitief te zijn; de vraag bewaakt de inzet van dit deel. De conclusie kan dan samenbrengen welke minimale onderscheidstructuur in dit hoofdstuk onontkoombaar blijkt.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (8/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    8. Mythologisch onderscheid

    Mythen verbeelden in scènes en handelingen wat religieuze taal vaak in namen en formules samenvat: het ontstaan van onderscheid. Onderscheid is hier de motor. Veel scheppingsmythen beginnen met duisternis, watermassa of chaos: een toestand zonder herkenbare delen. Het is een toestand zonder herkenbare delen. Het verhaal komt op gang zodra een eerste scheiding ‘niet-samenvallen’ introduceert.

    Een terugkerend motief is de scheiding van hemel en aarde. In één versie liggen hemel en aarde aanvankelijk dicht op elkaar, als twee platen die op elkaar gedrukt zijn. Alles ertussen is samengeperst. Wanneer ze uiteen gaan, verschijnt het ‘tussen’: de grens die het eerder samenvallende uiteenhoudt. Daardoor worden ‘dit’ en ‘dat’ überhaupt mogelijk: hemel en aarde vallen niet langer samen. Het verhaal verklaart niet waardoor dit gebeurt, maar verbeeldt: een wereld begint waar samenval eindigt.

    Andere mythen verbeelden hetzelfde motief horizontaal. Bijvoorbeeld: in de Mesopotamische Enūma Eliš wordt Tiamat verslagen en gespleten door Marduk; in de Noorse traditie wordt de kosmos uit Ymir verteld, waarna basale onderscheiden als ‘lucht’, ‘water’ en ‘grond’ als delen verschijnen. Steeds keert dezelfde stap terug: het samenvallende wordt uiteen gehouden en gaat als verschil tellen. Mythen zetten het schema om in drama: een ononderscheiden geheel wordt in het verhaal uiteen getrokken tot delen.

    Voor de vraag van dit hoofdstuk is de feitelijkheid van deze verhalen niet beslissend. Ze laten zien hoe mythen het begin vertellen als het ontstaan van onderscheid. Het begin wordt niet voorgesteld als een kale toevoeging van ‘iets’ aan ‘niets’, maar als een reeks onderscheidingen die een vaag geheel in herkenbare delen uiteen laten vallen. In mythen verschijnt hetzelfde schema als gebeurtenis: een domein wordt pas ‘wereld’ wanneer niet-samenvallen als duurzaam verschil optreedt. De metafysische vraag is dan niet of het verhaal ‘klopt’, maar welke status het onderscheid heeft dat het verhaal inzet. Is het alleen vertelstructuur, of wijst het op een minimale structuur die ook zonder verteller gedacht kan worden?

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (7/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    7. Religieus onderscheid

    In religieuze taal verschijnt ‘onderscheid’ als iets dat ons voorafgaat. Waar alledaagse taal onderscheid koppelt aan keuze en beoordeling, plaatst religieuze taal het vóór die keuze. Er wordt niet alleen gezegd dát er verschillen zijn, maar ook dat het verschil zijn oorsprong heeft in een bron of beginsel, soms verbeeld als een gesproken woord. In die zin sluit religieuze taal aan op de inzet van dit hoofdstuk: onderscheid verschijnt niet alleen als menselijke activiteit, maar als eigenschap van hoe werkelijkheid zelf gedifferentieerd is.

    Scheppingsverhalen maken dat concreet. In veel verhalen is de beginfase geen lege afwezigheid, maar een ongedifferentieerde toestand: duisternis, watermassa, chaos. Het begin wordt dan verteld als een reeks scheidingen die een wereld mogelijk maken. Licht wordt van duisternis gescheiden, ‘boven’ van ‘beneden’, droog land van water, en soorten worden van elkaar onderscheiden. De eerste handeling is niet het neerzetten van losse objecten, maar het uit elkaar halen van wat daarvoor samenhing. Zo verschijnt het begin van een wereld als splitsing van een ononderscheiden toestand.

    Kenmerkend is dat het verhaal die scheidingen als oorspronkelijke handeling presenteert: die scheidingen stellen vast wat als ‘licht’ en ‘duister’, ‘dag’ en ‘nacht’, ‘zee’ en ‘land’ kan gelden, nog vóór er iemand is die benoemt of meet. Menselijke indelingen (tijd, kalender, ritme, landgebruik) haken daar pas later op in. In termen van dit hoofdstuk betekent dat: religieuze taal situeert de onderscheidstructuur in de werkelijkheid zelf, niet uitsluitend in onze indelingen en beschrijvingen.

    Daarnaast is verschil in religieuze context meestal betekenisdragend. Verschillen worden niet alleen beschreven, maar ook beladen: ze markeren wat bij elkaar hoort en wat niet. Voor Deel I is die waardelading nog geen onderwerp; die komt pas echt in beeld zodra ervaring en samenleving centraal staan. Hier is vooral van belang dat religieuze taal onderscheid niet als bijkomstigheid behandelt, maar als iets dat aan de basis ligt van hoe werkelijkheid wordt opgevat.

    In religieuze taal verschijnen zulke onderscheidingen vaak als paren: ‘heilig’ en ‘profaan’, ‘rein’ en ‘onrein’, schepper en schepping, of ‘afgezonderde’ tijd tegenover gewone tijd. Zulke paren zijn geen losse etiketten, maar woorden die aangeven welke verschillen dragend zijn in het wereldbeeld van het verhaal.

    Binnen dit hoofdstuk werkt religieuze taal vooral als spiegel: zij koppelt onderscheid aan een bron of beginsel dat verschil mogelijk maakt. Waar logica en wetenschap een schema van domein en niet-samenval formuleren, verbeeldt religieuze taal dat als iets dat niet uit onszelf komt. Daarmee wordt de stap naar mythen navolgbaar: het schema krijgt daar de vorm van een verhaalbeeld waarin het samenvallende uiteen wordt gehaald.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Filosofisch onderscheid

    In de filosofie keert onderscheid terug als de vraag hoe afzonderlijke entiteiten mogelijk zijn. Je ziet dat terug onder namen als ‘identiteit en verschil’, ‘één en veel’ en ‘individuatie’. Een klassieke intuïtie luidt: waar geen onderscheidbaar kenmerk is, is er ook geen werkelijk verschil. Twee voorwerpen die in alle opzichten gelijk zijn, zijn volgens deze gedachte niet twee, maar één en hetzelfde. Formeel geldt: als alle predicaten en relaties voor a en b binnen het gekozen schema precies hetzelfde zijn, kun je a en b net zo goed als één en hetzelfde object beschouwen. Hoofdstuk 2 gebruikte die gedachte al om ‘iets’ als minimale drager van verschil te formuleren. Hier verschuift de aandacht: niet óf er verschil is, maar waar verschil binnen één werkelijkheid kan liggen.

    Een bekend filosofisch motief is de spanning tussen het ene en het vele. Aan de ene kant is er de neiging om een onderliggende eenheid te veronderstellen: één werkelijkheid, één ordening, één bron. Aan de andere kant is er de onontkoombare ervaring van veelheid: verschillende dingen, richtingen, gebeurtenissen. Filosofisch kun je dat zo formuleren: er is één samenhangende werkelijkheid, maar binnen die werkelijkheid zijn er onderscheidstructuren waardoor delen niet samenvallen. Het ‘ene’ wordt niet opgeheven, maar intern gedifferentieerd. De vraag wordt dan: waar kan ‘verschil’ liggen zonder dat de samenhang verdwijnt?

    Die spanning wordt telkens uitgewerkt door te verschuiven waar ‘verschil’ ligt: in dingen zelf, of in de voorwaarden die maken dat verschil kan tellen. Bij Leibniz krijgt de eerste optie een scherpe vorm: vallen twee dingen in alle relevante eigenschappen en relaties samen, dan is ‘twee’ een lege verdubbeling; verschil moet dan in het profiel zitten. Kant verplaatst de vraag naar de voorwaarden waaronder verschil überhaupt kan tellen: niet elk denkbaar onderscheid ‘telt’ vanzelf; het moet binnen een kader vallen waarin ordening, vergelijking en bepaling mogelijk zijn. Het vocabulaire wisselt, maar het probleem blijft: hoe kan één werkelijkheid intern gedifferentieerd zijn zonder dat verschil tot bijzaak wordt.

    Daarbij komt de vraag hoe afzonderlijke entiteiten zich überhaupt aandienen. Wat maakt dit ‘iets’ anders dan dat ‘iets’? In alledaagse termen antwoord je snel met concrete kenmerken: deze steen ligt hier, die ligt daar; deze persoon heeft dit karakter, die persoon dat. Filosofisch kun je dat herformuleren als een vraag naar profielen binnen een domein: welk patroon van eigenschappen en relaties maakt dat er meer is dan één geval? Zonder onderscheidstructuur zakt veelheid terug tot vormloosheid. Pas een patroon van wat wel en niet samenvalt maakt afzonderlijke entiteiten denkbaar.

    Een andere invalshoek is de transcendentale vraag: wat moet er het geval zijn opdat wij überhaupt iets als ‘verschillend’ kunnen ervaren of denken? In Deel I leg ik de nadruk niet op de voorwaarden van onze ervaring, maar op een laag daarvóór. Toch blijft een parallel zichtbaar. Ook hier is onderscheid geen versiering, maar voorwaarde. Zonder minimaal onderscheid ontbreekt het houvast om ervaring of kennis als zodanig te articuleren. De vraag is daarom of je zo’n onderscheidstructuur ook onafhankelijk van een concrete waarnemer kunt denken, als eigenschap van een fundamenteel domein.

    Dat levert spanningen op. Als je zegt dat onderscheid pas ontstaat wanneer wij het maken, lijkt de fundamentele laag radicaal ongedifferentieerd. Maar dan wordt het moeilijk te verklaren waarom onze beschrijvingen zo stabiel lijken aan te sluiten op patronen in de wereld, en niet louter op grillen van de geest. Als je omgekeerd zegt dat alle onderscheid volledig ‘in de werkelijkheid’ ligt, dreigt een naïef realisme: de verleiding om elke door ons getrokken lijn als onmiddellijk gegeven te beschouwen. De positie die hier wordt voorbereid, is eenvoudiger: er is een minimale onderscheidstructuur nodig om überhaupt van werkelijkheid te kunnen spreken; hoe precies die zich verhoudt tot onze manieren van kennen en beschrijven, komt in latere delen aan bod. Voor dit hoofdstuk is de filosofische bijdrage vooral dat ‘onderscheid’ geen bijkomstige eigenschap is, maar kandidaat voor een eerste positieve structuur van de fundamentele laag. Hoofdstuk 3 sluit op hoofdstuk 1 en 2 aan door duidelijk te maken dat een domein zonder interne niet-samenval conceptueel leeg blijft. Filosofisch geformuleerd: zonder enig onderscheid is ‘werkelijkheid’ niet te denken, hoe minimaal en abstract dat onderscheid ook is. De volgende paragraaf laat zien hoe religieuze taal deze minimale onderscheidstructuur kan aanduiden als ‘bron’ of ‘beginsel’.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (5/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    5. Wetenschappelijk onderscheid

    In wetenschappelijke modellen verschijnt ‘onderscheid’ meestal als verschil tussen toestanden, gevat in waarden binnen een gekozen beschrijving. Een eenvoudig fysisch voorbeeld is temperatuur. Water kan verschillende temperaturen aannemen; die waarden vormen een schaal van mogelijke toestanden. Dat lijkt triviaal, maar zonder zulke onderscheidbare toestanden zijn warmteoverdracht, faseovergangen of stroming moeilijk te beschrijven. Een theorie over warmte veronderstelt stilzwijgend dat het domein van mogelijke temperaturen niet op één waarde samenvalt: er zijn verschillen die ertoe doen. De voorbeelden hieronder verschuiven telkens één stap: van ‘schaal’ naar ‘toestandsruimte’, naar ‘0/1’, en naar ‘drempels en categorieën’.

    Een planeet die rond een ster draait, wordt in de natuurkunde vaak beschreven in een toestandsruimte (‘faseruimte’): een schema waarin elke combinatie van positie en snelheid een mogelijke toestand voorstelt. Verschillende banen corresponderen met verschillende trajecten in de faseruimte. Voor de planeet zelf verandert er niets; zij volgt haar baan. In dit schema ontstaat een fijnmazig patroon van onderscheidbare toestanden. Binnen het model is elk punt in de faseruimte formeel verschillend van elk ander punt. Zonder zulke onderscheiden toestanden kan het model geen verschil tussen gevallen representeren.

    In de informatica is het schema nog strakker. Een binair systeem kent slechts twee toestanden: ‘0’ en ‘1’. In veel toepassingen leunt moderne technologie op dat minimale onderscheid. Een computer die ‘0’ en ‘1’ niet kan onderscheiden, kan geen instructies uitvoeren of gegevens opslaan. Veel niet-triviale algoritmen veronderstellen binnen hun probleemkader minstens twee onderscheiden toestanden, hoe abstract die toestanden ook zijn. De concrete interpretatie van die toestanden (waar ze voor staan) kan wisselen, maar het onderscheid blijft als structurele voorwaarde.

    Ook in statistiek en data-analyse wordt onderscheid operationeel gemaakt. Een arts die op basis van bloedwaarden een diagnose stelt, werkt met drempels: boven deze grens geldt de waarde als ‘verhoogd’, eronder als ‘normaal’. Een statistisch model dat kansverdelingen vergelijkt, kijkt naar verschillen in patronen: deze groep vertoont vaker uitval dan die groep. De vraag of die onderscheidingen rechtvaardig, volledig of verstandig zijn, staat hier niet centraal. Voor de statistische beschrijving is van belang dat het gekozen model het domein in categorieën opdeelt en dat die splitsing bepaalt welk patroon als verschil telt. Juist omdat categorieën worden gekozen, wordt de grens operationeel; of die grens ‘in de wereld’ zit, wordt inzet van de volgende stap.

    Wetenschappelijke modellen leggen daarmee onderscheidstructuren vast zonder steeds naar een concrete waarnemer te verwijzen. Een gasmengsel gedraagt zich anders bij hogere druk, een stof bij een faseovergang en een schakeling bij ‘hoog’ versus ‘laag’ signaal. Meten en beslissen zijn menselijke handelingen, maar verschillende toestanden van een systeem horen bij verschillende gevolgen, los van een observator. ‘Onderscheid’ verschijnt hier als verschil in toestand of configuratie dat zich toont in het gedrag van het systeem. Dit betekent niet dat de fundamentele laag simpelweg fysica of informatie is. De voorbeelden hierboven laten vooral zien hoe hardnekkig de onderscheidstructuur is: een model kan pas iets beschrijven als het domein toestanden bevat die niet allemaal samenvallen. Voor dit deel van het boek is dat de bescheiden les: wie werkelijkheid wetenschappelijk wil beschrijven, komt niet om onderscheidstructuren heen. Of die structuren zelf fundamenteel zijn of slechts hulpmiddelen in onze beschrijving, blijft hier open. Daarmee schuift de filosofische vraag naar voren: is dit ‘onderscheid’ iets dat de wereld zelf draagt, of vooral iets dat uit onze gekozen kaders en modellen voortkomt?

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Logisch onderscheid

    Een logisch beginpunt is een domein van mogelijke gevallen, met een regel die bepaalt wanneer twee gevallen niet samenvallen. Je kunt je zo’n domein voorstellen als een bak knikkers. Als alle knikkers binnen dit schema exact hetzelfde profiel hebben, is het zinloos om te spreken over ‘verschillende knikkers’: formeel zijn ze ononderscheidbaar. Zodra één knikker afwijkt, bijvoorbeeld één rode tussen vele blauwe, is er een minimaal onderscheid. Zonder dat iemand de knikkers sorteert, geldt al: de rode valt niet samen met de blauwe.

    In de logica leg je zo’n ‘onderscheid’ vaak vast met predicaten (eigenschappen) en relaties. Een predicaat P (bijvoorbeeld ‘is rood’) splitst het domein: voor sommige elementen geldt P wel, voor andere niet. Een relatieteken R (bijvoorbeeld ‘is groter dan’) koppelt twee elementen: voor sommige paren (a, b) geldt R(a, b), voor andere paren niet. In beide gevallen ontstaat een onderscheidstructuur: een patroon van wat wel en niet samenvalt binnen het gekozen schema. Dat patroon ligt vast in de formele beschrijving, ook als niemand het uittekent of benoemt.

    Een eenvoudig voorbeeld is een klas leerlingen. Formeel noteer je elke leerling als een element van een domein D. Stel dat je een predicaat P introduceert: ‘heeft vandaag een rode trui aan’. Dan ontstaat automatisch een verdeling: de leerlingen bij wie P waar is, en de leerlingen bij wie P niet waar is. Een relatie R (‘zit vóór’) doet iets vergelijkbaars: R(l1, l2) geldt voor sommige paren leerlingen en niet voor andere paren. Zelfs als niemand expliciet onderscheid maakt, ligt er in de ordening al een structuur van ‘wel’ en ‘niet’.

    Vanuit zo’n formeel perspectief kun je ‘onderscheid’ minimaal definiëren als het bestaan van ten minste twee elementen of toestanden in een domein waarvoor niet exact dezelfde predicaten gelden, of niet exact dezelfde relaties gelden. Als a en b binnen het gekozen schema voor alle toegelaten predicaten en relaties hetzelfde patroon hebben, dan zijn ze ononderscheidbaar; er is dan geen onderscheid. Zodra één predicaat wel voor a geldt en niet voor b, is er een onderscheid, ongeacht of iemand dat vaststelt. Dat is precies het soort waarnemer-onafhankelijk onderscheid dat dit hoofdstuk probeert te isoleren.

    Deze manier van kijken legt geen zware metafysica op. Ze zegt niet dat de werkelijkheid ‘in wezen’ een verzameling elementen met predicaten is. Ze laat alleen zien wat het minimaal betekent om binnen een gegeven kader van mogelijkheden van ‘onderscheid’ te spreken; dat kader bepaalt wat überhaupt als predicaat of relatie telt. Zolang elk element in het schema exact hetzelfde profiel heeft, is er structureel geen verschil. Pas wanneer elementen of toestanden niet hetzelfde profiel hoeven te hebben (P geldt voor sommigen wel en voor anderen niet; R geldt voor sommige paren wel en voor andere paren niet) ontstaat een onderscheidstructuur. Die formele benadering maakt twee punten zichtbaar. Ten eerste: je hebt geen waarnemer nodig om van onderscheid te spreken, alleen een domein met structuur. De uitspraak ‘er is een onderscheid’ betekent dan: er zijn in dit domein elementen of toestanden die binnen het gekozen schema van elkaar verschillen. Ten tweede: elk model dat iets wil beschrijven, of dat nu logisch, wiskundig of wetenschappelijk is, veronderstelt minstens één onderscheidstructuur. Zonder enige onderscheidbare toestand of verhouding heeft een theorie niets om te beschrijven. In die zin schuift logica de alledaagse vraag een stap door: van ‘wie maakt dat onderscheid en waarom?’ naar ‘waar in de structuur van mogelijkheden ligt het verschil?’ De volgende paragrafen onderzoeken hoe wetenschap en filosofie die vraag concreet invullen.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Taalkundig onderscheid

    Taal duwt ons vaak in de richting van een denkend en handelend subject. Werkwoorden als ‘onderscheiden’ en ‘categoriseren’ roepen bijna vanzelf een handelend individu op, zoals een keurmeester die goedgekeurd van afgekeurd scheidt. Zelfs wanneer het onderwerp abstract is (‘de wet onderscheidt drie categorieën’), sluipen handeling en bedoeling het beeld in: alsof er een instantie is die de grens trekt.

    Niet alleen werkwoorden; ook naamwoorden als ‘verschil’, ‘grens’, ‘categorie’ en ‘tegenstelling’ nemen die bagage mee. Ze suggereren meestal twee al afgebakende polen: rijk tegenover arm, mens tegenover dier, vriend tegenover vijand. In het Nederlands krijgt ‘verschil’ vaak de vorm: verschil tussen A en B. Taal presenteert onderscheid als iets dat tussen reeds bestaande dingen ligt, alsof de dingen er eerst waren en het onderscheid pas later is aangebracht. Daarmee komen impliciete vooronderstellingen mee naar binnen: het idee dat er eerst objecten zijn en pas daarna structuren van verschil.

    Je ziet dat ook in een eenvoudig tafereel: een kind dat de woorden ‘stoel’ en ‘tafel’ leert. In het begin valt alles waar je op kunt zitten samen in een vage categorie. Volwassenen wijzen en benoemen: “Dit is een stoel, dat is een tafel.” Ze benadrukken verschillen: een tafel is hoger, je zit er niet op maar zet er dingen op, stoelen horen eromheen. De woorden trekken scheidslijnen door de ervaringswereld. Vanaf dat moment ligt het voor de hand te denken dat ‘stoel’ en ‘tafel’ vaste categorieën zijn, en dat het onderscheid ertussen ‘gegeven’ is. In werkelijkheid is het onderscheid mede door taal versterkt: bepaalde verschillen zijn benoemd, andere genegeerd.

    Taal werkt hier tweeledig. Aan de ene kant maakt taal onderscheid zichtbaar: zonder namen, begrippen en grammatica zou veel van wat wij nu als duidelijke verschillen ervaren, vaag blijven. Aan de andere kant suggereert taal dat onderscheid altijd het resultaat is van een indelende blik. Grammatica zet verschil gemakkelijk neer als een operatie: iemand doet iets met ‘dit’ en ‘dat’. Zelfs zinnen zonder expliciet handelend individu (‘er is een belangrijk onderscheid tussen X en Y’) laten zich gemakkelijk herformuleren tot: ‘wie scherp kijkt, ziet een belangrijk onderscheid…’. Voor de vraag van dit hoofdstuk is die taalkundige neiging een hinderpaal. Als taal onderscheid voortdurend als handeling en als resultaat van indeling voorstelt, wordt het moeilijk om te denken aan een onderscheidstructuur die ook zou gelden zonder dat iemand die indeling maakt. Om van waarnemer-onafhankelijk onderscheid te kunnen spreken, moeten we taal tijdelijk terugbrengen tot iets formelers: een domein van mogelijke gevallen en een ‘niet-hetzelfde’-structuur daarbinnen. In de volgende paragraaf werk ik dat formeler uit met bewust eenvoudige beelden, zodat ‘onderscheid’ loskomt van de automatische koppeling aan een denkende en handelende spreker.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Alledaags onderscheid

    In de eerste twee hoofdstukken wordt ‘onderscheid’ al verondersteld. Zelfs ‘iets’ trekt een lijn: ‘dit’ in plaats van ‘dat’. In het dagelijks leven verschijnt ‘onderscheid’ zelden als een kale voorwaarde. Wie zegt ‘geen onderscheid te maken tussen mensen’, bedoelt vaak iets moreels: iedereen gelijk behandelen, ongeacht afkomst, leeftijd of uiterlijk. Wie klaagt dat er ‘geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen goed en slecht werk’, wijst op een norm die aan scherpte verliest. In die gevallen is ‘onderscheid’ gekoppeld aan degene die onderscheid maakt én aan een maatstaf die het verschil betekenis geeft.

    De varianten zijn talrijk, maar het patroon is vaak hetzelfde. Als je in de supermarkt voor een schap vol pastasauzen staat, lijken de potten op elkaar, maar je selecteert op één of twee criteria: prijs, merk, ingrediënten. Hier is ‘onderscheid’ een handeling: een criterium maakt één verschil relevant binnen een vraag of doel.

    Zonder expliciet oordeel kan het relevante verschil verschuiven, afhankelijk van de vraag die je stelt. Twee identieke glazen water op tafel zijn ‘hetzelfde’ zolang je vraag algemeen blijft: ‘wat staat er op tafel?’ Tot iemand zegt: “Pas op, in één zit chloor.” Dan verandert de vraag, en daarmee het onderscheid dat relevant wordt. Iets soortgelijks geldt bij tweelingen: zolang je hen niet kent, zie je ‘twee personen’; pas als je betrokken raakt, leer je kleine verschillen in hun manier van bewegen, hun stem en gelaatsuitdrukkingen herkennen. [Alledaags onderscheid groeit met context, betrokkenheid en de precisie van de vraag die je stelt.]

    In dat alledaagse spreken is ‘onderscheid’ vaak normatief en persoonsgebonden opgevat. Iemand selecteert, trekt een grens, legt een verschil vast of negeert het. Die koppeling zetten we in dit deel voorlopig tussen haakjes. De fundamentele laag wordt hier gedacht vóór personen, doelen en normen. Dit alledaagse spreken laat zien hoe snel ‘onderscheid’ als keuze- en beoordelingswerk wordt gelezen. Hier gaat het om ‘waarnemer-onafhankelijk’ onderscheid: verschil dat geldt zonder dat er iemand is die het waarneemt. Vanaf hier gaat het om ‘onderscheid’ als structuur, los van handelen en beoordeling. Er kan een verschil gelden tussen mogelijke toestanden of dragers, ook als niemand dat verschil benoemt, gebruikt of er belang bij heeft. Anders gezegd: hier gaat het niet om onderscheid dat ‘gemaakt wordt’, maar om niet-samenvallen binnen een domein. Dat vraagt afstand van de dagelijkse voorbeelden en opent de stap naar taal en logica: wat moet er minimaal gelden opdat verschil überhaupt denkbaar is.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Inleiding

    Dit hoofdstuk gaat over ‘onderscheid’ als minimale positieve structuur: het punt waarop binnen een domein van mogelijkheden niet alles samenvalt. In hoofdstuk 1 en 2 zat dat al impliciet. Zodra er ‘iets’ is, is ten minste een grens denkbaar tussen ‘dit’ en ‘niet-dit’. Hier gaat het niet meer om de vraag óf er verschil is, maar om wat ‘verschil’ minimaal moet betekenen.

     ‘Onderscheid’ klinkt al snel als iets dat mensen dóen: selecteren, beoordelen, rangschikken. Dat gebruik is relevant, maar het kan verhullen wat hier wordt gezocht. In Deel I gaat het niet om de rechtvaardiging van een grens, maar om de voorwaarde dat verschil kan gelden, ook zonder dat iemand het maakt of benoemt. Daarom loopt de route van alledaags gebruik via taal naar logica en modellen, om ‘onderscheid’ los te maken van de automatische koppeling aan een handelende waarnemer.

    De route is stapsgewijs. Ze loopt van alledaags en taalkundig onderscheid via logica (‘domein + niet-samenvallen’) naar wetenschap en filosofie, waar telkens zichtbaar wordt waar ‘verschil’ in het schema wordt geplaatst.

    Religieuze en mythologische taal voegen vervolgens iets toe dat in logica en wetenschap snel buiten beeld raakt. Ze spreken alsof onderscheid niet alleen een schema is, maar ook een beginhandeling. Dat dwingt geen conclusie af over ‘hoe het is’. Het scherpt de inzet aan: in zulke taal verschijnt verschil als iets dat mensen voorafgaat. Het hoofdstuk eindigt met ‘metafysisch onderscheid’ als werkvraag: welk deel van de onderscheidstructuur is zó minimaal dat je het niet kunt wegdenken zonder het idee van ‘werkelijkheid’ te verliezen?