Kleine Winst, Groot Verlies

Achteloosheid in het klein is verarming in het groot.

The tragedy of the commons’ is een klassiek dilemma uit de economie. Het beschrijft wat er gebeurt als iedereen mag nemen, maar niemand zich verantwoordelijk voelt. Geen kwaad, maar een mechaniek: klein individueel voordeel, grote collectieve verarming.

Bij een gedeeld goed is het aantrekkelijk net iets meer te nemen dan redelijk is. Die extra opbrengst is direct en privé. De nadelen zijn klein per handeling, verspreiden zich over anderen en de eindafrekening wordt pas veel later zichtbaar als slijtage, schaarste of verlies aan kwaliteit. Het resultaat is voorspelbaar: er is niet één grote slechterik, maar geleidelijk verval, omdat die rekening nergens persoonlijk landt. Vaak volgt er een geruststellend zinnetje: “Dat moet toch kunnen.”

Met ‘commons’ wordt het gemeengoed bedoeld: een gemeenschappelijke voorziening die van niemand is en door iedereen kan worden gebruikt, zoals een weide of een visgebied. Het beeld is oud, maar de term werd beroemd door Garrett Hardins essay in Science (1968), dat teruggrijpt op een negentiende-eeuws voorbeeld van de gemeenschappelijke weide. Dat principe zie je bij visquota, milieuvervuiling en antibioticaresistentie: het voordeel is privé, de nadelen keren pas later, versnipperd en anoniem, terug.

Zelden voelt iemand zich de veroorzaker, terwijl de gezamenlijke kwaliteit wel achteruitgaat. Hetzelfde mechanisme zie je ook in het alledaagse, op straat of in de supermarkt. Niet in grote woorden, maar in kleine claims op gedeelde ruimte: een auto die net scheef genoeg staat om twee plekken half te bezetten, een winkelkar die ‘even’ dwars blijft staan, een stoep die tijdelijk als privézone wordt gebruikt. Het patroon is steeds hetzelfde: gedeeld gebruik wordt geclaimd als recht, ‘van ons’ verschuift naar ‘van mij’, tot iemand er iets van zegt. En dan volgt vaak het vaste repertoire: “Dat mag ik toch gewoon.” Of “Er staat nergens dat het niet mag.” Dat zijn de standaardformules van egocentrisme en gemakzucht.

Ik kan me moeilijk voorstellen dat iemand zijn auto parkeert zonder aan anderen te denken. Niet uit idealisme, maar omdat één check veel gedoe voorkomt. Dus laat ik geen nutteloze gaten vallen en zorg ik ervoor dat geparkeerde auto’s eruit kunnen. Als iemand uitstapt, laat hij ook de consequenties achter.

Toch zijn er mensen die bij hetzelfde straatbeeld een andere werkelijkheid ervaren. Voor hen is de parkeerplek een eindpunt: auto staat, klaar. Dat een ander later klem komt te zitten, of dat de laatste bruikbare ruimte verdwijnt, weegt niet mee. Geen kwade wil, eerder een blinde vlek precies op het punt waar het anderen raakt.

Thuis hoor ik soms: “Ik deed het toch niet expres.” Dan zeg ik: “Daar gaat het niet om. Je moet het expres niet doen.” Niet de bedoeling telt, maar het besef van gevolgen. Die blinde vlek duikt overal op in de gedeelde ruimte. In een winkelpad waar een kar ‘even’ dwars blijft staan. Op een stoep waar drie mensen breed blijven hangen en de rest eromheen moet puzzelen. Bij een deur die achter iemand dichtvalt omdat het eigen traject al verdergaat. Het zijn microkeuzes: op zichzelf klein, maar samen het verschil tussen soepele omgang en een samenleving die hapert.

Stilte is ook gemeengoed: film kijken zonder oortjes in de trein, of een telefoongesprek op speaker in een stille coupé. Dat noem je beschaving. Zodra iemand een ander in de ogen kijkt, wordt consideratie sneller vanzelfsprekend. Als dat onmiddellijk contact ontbreekt, schuift verantwoordelijkheid sneller uit beeld en ligt “niet mijn probleem” voor de hand. Dan wordt het nalaten normaal, en belandt het gevolg geruisloos bij iemand zonder gezicht.

In de openbare ruimte bestaat een soort grammatica die je niet uit een wetboek haalt, maar uit omgevingsbewustzijn. De regels zijn simpel. Ik ben niet alleen. Mijn keuze werkt door. Mijn gemak heeft een prijs. Wie die grammatica beheerst, hoeft er niet voortdurend bij stil te staan. Het is een automatisme, bijna een reflex. Je loopt door. Je schuift op. Je maakt plaats. Niet uit verheven motieven, maar omdat je weet dat juist kleine keuzes van belang zijn.

Als die grammatica wegvalt, volgt zelden groot drama, maar wel voortdurende frictie. Een winkelpad wordt een hindernisbaan, een stoep een slalom en een gesprek een monoloog. Niet omdat iemand zich nadrukkelijk tegen anderen keert, maar omdat belangen van anderen simpelweg niet worden meegewogen. Dat maakt het zo irritant: op zichzelf te klein om er boos om te worden, maar bij elkaar te groot om te negeren. En zo verandert samenleven in een optelsom van kleine ergernissen. Het lastige is dat dit moreel lastig te duiden is. Zeg je er iets van, dan klinkt het al snel alsof je iemands karakter beoordeelt, terwijl het vaak gaat om mentale bandbreedte. Aandacht is beperkt inzetbaar. Hoofden zitten vol, veel gedrag is routine. Wie moe is, gehaast of met het hoofd bij iets anders, ziet minder. En minder zien is niet hetzelfde als slecht willen.

Soms kan het niet anders: parkeervakken zijn krap, belijning is vaag, hoeken onoverzichtelijk. Iemand is onervaren, heeft een beperking of heeft gewoon haast. In zulke gevallen is ‘netjes’ niet altijd haalbaar. Het wordt pas wrang als het geen uitzondering is maar een patroon, als iemand consequent handelt alsof anderen slechts decor zijn. Dat patroon herken je aan één houding: ruimte wordt behandeld als bezit, niet als afspraak. Alsof de omgeving een verlengstuk is van het eigen plan, in plaats van een kruispunt waar plannen elkaar raken. Per incident stelt het weinig voor, maar opgeteld is het veel. Het maakt de dagelijkse omgang moeizaam, omdat de gevolgen van andermans blinde vlekken steeds weer bij anderen belanden. Dan wordt er geslalomd, gezucht en omwegen gezocht naar ruimte die er eigenlijk al was.

Daarom is de maatstaf zo eenvoudig dat hij bijna kinderachtig klinkt. Niet de vraag of iemand ‘aardig’ is, maar of een ander hier nog langs, weg, in, uit kan. Die check hoort vóór het uitstappen, en eigenlijk vóór elke handeling waarmee ruimte wordt bezet: neerzetten, innemen, blokkeren, dichttrekken. Samenleven is geen groot sentiment, maar een reeks micro-correcties die verhinderen dat privé-gemak zich optelt tot gezamenlijke verarming.

Wie ruimte neemt, neemt verantwoordelijkheid.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *