Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)
1.3. Deel I – Universum / premenselijk
6. Filosofisch onderscheid
In de filosofie keert onderscheid terug als de vraag hoe afzonderlijke entiteiten mogelijk zijn. Je ziet dat terug onder namen als ‘identiteit en verschil’, ‘één en veel’ en ‘individuatie’. Een klassieke intuïtie luidt: waar geen onderscheidbaar kenmerk is, is er ook geen werkelijk verschil. Twee voorwerpen die in alle opzichten gelijk zijn, zijn volgens deze gedachte niet twee, maar één en hetzelfde. Formeel geldt: als alle predicaten en relaties voor a en b binnen het gekozen schema precies hetzelfde zijn, kun je a en b net zo goed als één en hetzelfde object beschouwen. Hoofdstuk 2 gebruikte die gedachte al om ‘iets’ als minimale drager van verschil te formuleren. Hier verschuift de aandacht: niet óf er verschil is, maar waar verschil binnen één werkelijkheid kan liggen.
Een bekend filosofisch motief is de spanning tussen het ene en het vele. Aan de ene kant is er de neiging om een onderliggende eenheid te veronderstellen: één werkelijkheid, één ordening, één bron. Aan de andere kant is er de onontkoombare ervaring van veelheid: verschillende dingen, richtingen, gebeurtenissen. Filosofisch kun je dat zo formuleren: er is één samenhangende werkelijkheid, maar binnen die werkelijkheid zijn er onderscheidstructuren waardoor delen niet samenvallen. Het ‘ene’ wordt niet opgeheven, maar intern gedifferentieerd. De vraag wordt dan: waar kan ‘verschil’ liggen zonder dat de samenhang verdwijnt?
Die spanning wordt telkens uitgewerkt door te verschuiven waar ‘verschil’ ligt: in dingen zelf, of in de voorwaarden die maken dat verschil kan tellen. Bij Leibniz krijgt de eerste optie een scherpe vorm: vallen twee dingen in alle relevante eigenschappen en relaties samen, dan is ‘twee’ een lege verdubbeling; verschil moet dan in het profiel zitten. Kant verplaatst de vraag naar de voorwaarden waaronder verschil überhaupt kan tellen: niet elk denkbaar onderscheid ‘telt’ vanzelf; het moet binnen een kader vallen waarin ordening, vergelijking en bepaling mogelijk zijn. Het vocabulaire wisselt, maar het probleem blijft: hoe kan één werkelijkheid intern gedifferentieerd zijn zonder dat verschil tot bijzaak wordt.
Daarbij komt de vraag hoe afzonderlijke entiteiten zich überhaupt aandienen. Wat maakt dit ‘iets’ anders dan dat ‘iets’? In alledaagse termen antwoord je snel met concrete kenmerken: deze steen ligt hier, die ligt daar; deze persoon heeft dit karakter, die persoon dat. Filosofisch kun je dat herformuleren als een vraag naar profielen binnen een domein: welk patroon van eigenschappen en relaties maakt dat er meer is dan één geval? Zonder onderscheidstructuur zakt veelheid terug tot vormloosheid. Pas een patroon van wat wel en niet samenvalt maakt afzonderlijke entiteiten denkbaar.
Een andere invalshoek is de transcendentale vraag: wat moet er het geval zijn opdat wij überhaupt iets als ‘verschillend’ kunnen ervaren of denken? In Deel I leg ik de nadruk niet op de voorwaarden van onze ervaring, maar op een laag daarvóór. Toch blijft een parallel zichtbaar. Ook hier is onderscheid geen versiering, maar voorwaarde. Zonder minimaal onderscheid ontbreekt het houvast om ervaring of kennis als zodanig te articuleren. De vraag is daarom of je zo’n onderscheidstructuur ook onafhankelijk van een concrete waarnemer kunt denken, als eigenschap van een fundamenteel domein.
Dat levert spanningen op. Als je zegt dat onderscheid pas ontstaat wanneer wij het maken, lijkt de fundamentele laag radicaal ongedifferentieerd. Maar dan wordt het moeilijk te verklaren waarom onze beschrijvingen zo stabiel lijken aan te sluiten op patronen in de wereld, en niet louter op grillen van de geest. Als je omgekeerd zegt dat alle onderscheid volledig ‘in de werkelijkheid’ ligt, dreigt een naïef realisme: de verleiding om elke door ons getrokken lijn als onmiddellijk gegeven te beschouwen. De positie die hier wordt voorbereid, is eenvoudiger: er is een minimale onderscheidstructuur nodig om überhaupt van werkelijkheid te kunnen spreken; hoe precies die zich verhoudt tot onze manieren van kennen en beschrijven, komt in latere delen aan bod. Voor dit hoofdstuk is de filosofische bijdrage vooral dat ‘onderscheid’ geen bijkomstige eigenschap is, maar kandidaat voor een eerste positieve structuur van de fundamentele laag. Hoofdstuk 3 sluit op hoofdstuk 1 en 2 aan door duidelijk te maken dat een domein zonder interne niet-samenval conceptueel leeg blijft. Filosofisch geformuleerd: zonder enig onderscheid is ‘werkelijkheid’ niet te denken, hoe minimaal en abstract dat onderscheid ook is. De volgende paragraaf laat zien hoe religieuze taal deze minimale onderscheidstructuur kan aanduiden als ‘bron’ of ‘beginsel’.
Geef een reactie