HOW2 – 1.3. Onderscheid (3/10)

Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

1.3. Deel I – Universum / premenselijk

3. Taalkundig onderscheid

Taal duwt ons vaak in de richting van een denkend en handelend subject. Werkwoorden als ‘onderscheiden’ en ‘categoriseren’ roepen bijna vanzelf een handelend individu op, zoals een keurmeester die goedgekeurd van afgekeurd scheidt. Zelfs wanneer het onderwerp abstract is (‘de wet onderscheidt drie categorieën’), sluipen handeling en bedoeling het beeld in: alsof er een instantie is die de grens trekt.

Niet alleen werkwoorden; ook naamwoorden als ‘verschil’, ‘grens’, ‘categorie’ en ‘tegenstelling’ nemen die bagage mee. Ze suggereren meestal twee al afgebakende polen: rijk tegenover arm, mens tegenover dier, vriend tegenover vijand. In het Nederlands krijgt ‘verschil’ vaak de vorm: verschil tussen A en B. Taal presenteert onderscheid als iets dat tussen reeds bestaande dingen ligt, alsof de dingen er eerst waren en het onderscheid pas later is aangebracht. Daarmee komen impliciete vooronderstellingen mee naar binnen: het idee dat er eerst objecten zijn en pas daarna structuren van verschil.

Je ziet dat ook in een eenvoudig tafereel: een kind dat de woorden ‘stoel’ en ‘tafel’ leert. In het begin valt alles waar je op kunt zitten samen in een vage categorie. Volwassenen wijzen en benoemen: “Dit is een stoel, dat is een tafel.” Ze benadrukken verschillen: een tafel is hoger, je zit er niet op maar zet er dingen op, stoelen horen eromheen. De woorden trekken scheidslijnen door de ervaringswereld. Vanaf dat moment ligt het voor de hand te denken dat ‘stoel’ en ‘tafel’ vaste categorieën zijn, en dat het onderscheid ertussen ‘gegeven’ is. In werkelijkheid is het onderscheid mede door taal versterkt: bepaalde verschillen zijn benoemd, andere genegeerd.

Taal werkt hier tweeledig. Aan de ene kant maakt taal onderscheid zichtbaar: zonder namen, begrippen en grammatica zou veel van wat wij nu als duidelijke verschillen ervaren, vaag blijven. Aan de andere kant suggereert taal dat onderscheid altijd het resultaat is van een indelende blik. Grammatica zet verschil gemakkelijk neer als een operatie: iemand doet iets met ‘dit’ en ‘dat’. Zelfs zinnen zonder expliciet handelend individu (‘er is een belangrijk onderscheid tussen X en Y’) laten zich gemakkelijk herformuleren tot: ‘wie scherp kijkt, ziet een belangrijk onderscheid…’. Voor de vraag van dit hoofdstuk is die taalkundige neiging een hinderpaal. Als taal onderscheid voortdurend als handeling en als resultaat van indeling voorstelt, wordt het moeilijk om te denken aan een onderscheidstructuur die ook zou gelden zonder dat iemand die indeling maakt. Om van waarnemer-onafhankelijk onderscheid te kunnen spreken, moeten we taal tijdelijk terugbrengen tot iets formelers: een domein van mogelijke gevallen en een ‘niet-hetzelfde’-structuur daarbinnen. In de volgende paragraaf werk ik dat formeler uit met bewust eenvoudige beelden, zodat ‘onderscheid’ loskomt van de automatische koppeling aan een denkende en handelende spreker.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *