Bijna twee weken verder: hoofdstuk 1 is af, en ik snap nu beter wat een boek van je eist. Het nieuwe plan werkte, maar het bleef vlak. Daarom heb ik de structuur opnieuw aangepast en Deel IV in Deel I opgenomen. Dat geeft de droge begrippen meer achtergrond. Deel I wordt daardoor minder kaal, maar ook meteen veel breder dan ik hem in eerste instantie in gedachten had.
Die ingreep heeft een direct gevolg: hoofdstuk 1 is topzwaar geworden. In boekvorm zit hoofdstuk 1 al snel rond de dertig pagina’s. Daarmee wordt de schaal ineens zichtbaar. Als dit gewicht de norm wordt, is het geen ‘boekje’ meer en duurt dit project veel langer dan bedoeld.
Het eerste hoofdstuk is nu gewijd aan ‘Niets’. Als onderwerp is dat op zichzelf al rijk genoeg voor een apart boek. Het kostte moeite om mijn aantekeningen tot een behapbaar aantal pagina’s terug te brengen. Over ‘Iets’ (hoofdstuk 2) verwacht ik aanzienlijk minder te schrijven.
As it turns out:
‘nothing’ is more interesting than ‘something’.
Ik begrijp nu beter waarom een boek niet werkt als een reeks losse stukjes. Een boek voegt een extra laag toe: schaal en structuur. In een column of essay schuif je aantekeningen zo het betoog in. In een boek wordt dat al snel structuurwerk.
Daar wringt het: een hoofdstuk als los online ‘stukje’ blijkt onwerkbaar. Los online mist het context, en in het boek wordt het vooral herhaling. Een afzonderlijk onderdeel hangt te veel samen met de rest en moet worden aangepast zodra het als los stuk online verschijnt.
De boekvorm kost onevenredig veel extra werk. Bij een columnvorm of mini-essay is mijn productie rond de duizend woorden per dag. In dezelfde tijd voeg ik aan een boek ongeveer de helft daarvan toe: nauwelijks meer dan één A4. Dat tempo is laag.
Structuurwerk is in een boek bewerkelijker dan in een kort stuk. In een column of mini-essay kun je alles opnemen zolang het het betoog ondersteunt. Dan schrap je wel eens een alinea of verschuif je er één. In een boek concludeer je soms dat het bij een ander hoofdstuk hoort. Dan degradeert een onderdeel tot ‘aantekening’ en moet het later weer worden herschreven. Ook raak ik gewend aan het ‘kill your darlings’-principe: tijd investeren in iets dat later alsnog sneuvelt.
ChatGPT begrijpt inhoudelijk nog te weinig om echt mee te denken. Taalkundig is het wel een praktische assistent om schrijffouten te ontdekken en zinnen in te korten.
Volgende hoofdstukken moeten kaler, anders loopt dit project uit de hand. Dit is een schrijfopdracht, geen poging tot een compleet overzichtswerk. Sommige schrijfvormen liggen me beter dan andere. Fictie lijkt me een zwaardere vorm dan non-fictie. Daar durf ik me pas aan te wagen als ik een bredere basis heb. Zo blijft het een leerschool: eerst deze basis onder de knie krijgen, daarna pas fictie.
Geef een reactie