HOW2 – 1.1. Nietsheid (10/10)

Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

1.1. Deel I – Universum / premenselijk

10. Conclusie

‘Niets’ is interessant omdat het laat zien waar beschrijven zonder kader ophoudt. Het woord verleidt tot het beeld van een sprong ‘van niets naar iets’, maar zonder kader wordt dat beeld betekenisloos. Een kader is hier de set impliciete aannames die een model hanteerbaar maken; bij ‘niets’ komen ze bloot te liggen.

Daarom is ‘iets uit niets’ geen samenhangende veronderstelling. ‘Niets’ markeert de grens van een kader: binnen dat kader is ontkenning hanteerbaar; daarbuiten blijft het abstract.

Wat blijft er dan over van ‘niets’? Drie dingen. Samen komen ze hierop neer: ‘niets’ werkt alleen als ontkenning binnen een kader; zonder kader valt het uiteen in tegenstrijdige beelden.

Ten eerste: in het gewone spreken betekent ‘niets’ geen totale afwezigheid, maar: ‘geen X’ binnen een impliciet afgebakend kader: een relatieve ontkenning.

Ten tweede: zodra je ‘niets’ absoluut maakt, loop je vast. Je kunt het niet denken zonder het eigenschappen toe te kennen, en daarmee op te heffen als ‘niets’. Je kunt ‘niets’ dan alleen negatief benaderen (opsommen wat er niet is); dat zet taal op het verkeerde been.

Ten derde: voor een ontstaansverklaring van werkelijkheid is ‘zuiver niets’ geen bruikbaar beginpunt. Niet omdat je daarmee een wetenschappelijke theorie tegenspreekt, maar omdat je een begrip gebruikt dat vooral werkt als grensmarkering, niet als fundament.

Daarmee verschuift de vraag. Niet: “Hoe komt iets uit niets?”, maar: welk minimaal verschil volstaat om van ‘iets’ te spreken zonder een ‘wereld’ in te voeren? Met één onderscheidbaar kenmerk, hoe minimaal ook, kun je van ‘iets’ spreken. Dat is het punt waar dit hoofdstuk op uitkomt.

Bedenk daarbij dat het kleinste ‘iets’ niet noodzakelijkerwijs een materieel object hoeft te zijn. Een natuurkundige zoektocht naar de meest fundamentele fysieke bouwsteen geeft niet automatisch antwoord op de vraag naar de oorsprong van werkelijkheid. Het is denkbaar dat het meest minimale een structuur, wetmatigheid of principe is die we (nog) niet kunnen benoemen, en dat andere verschijnselen daarvan afgeleid zijn.

Wie ‘niets’ als vertrekpunt neemt, vertrekt vanuit een misleidend beeld; wie precies wil blijven spreken over het ontstaan van werkelijkheid, begint bij een minimaal ‘iets’: het kleinst mogelijke verschil dat niet al stilzwijgend elementen van onze wereld veronderstelt.

‘Niets’ fungeert minder als beschrijving van een toestand dan als grensmarkering van een kader: het scherpste nulpunt waartegen minimale aanwezigheid zichtbaar wordt. Eén vraag blijft over: welke minimale vorm van ‘iets’ volstaat om van ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken? Daarover gaat het volgende hoofdstuk.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *