HOW2 – 1.1. Nietsheid (9/10)

Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

1.1. Deel I – Universum / premenselijk

9. Niets metafysisch

In de strengst mogelijke betekenis betekent ‘niets’ totale afwezigheid. Het is niet ‘niet-iets’, maar ‘niet-alles’: het ontbreken van enig iets. Niet alleen geen objecten, maar ook geen ruimte, geen tijd, geen achtergrond, geen wetmatigheden en geen mogelijkheden. En dus ook geen logica of wiskunde, tenzij je weer een kader veronderstelt. Zelfs geen ‘leegte’, want leegte veronderstelt al ruimte. In die zin is ‘niets’ geen beperkte variant van ‘iets’, maar het volstrekte ontbreken van elke drager waarop je eigenschappen kunt projecteren.

Vat je ‘niets’ op als leegte, vacuüm of entiteit, dan sluipt er toch weer ‘iets’ binnen. Dan begint de paradox van beschrijving.

Zodra je het absolute niets probeert te beschrijven, moet je er kenmerken aan toekennen. Je noemt het ‘leeg’, ‘afwezig van alles’, ‘geen dit en geen dat’. Maar elk van die woorden suggereert een toestand: iets dat ‘zo en zo’ is. Zodra je ‘niets’ eigenschappen geeft, maak je er een ‘iets’ van. In die zin is het absolute ‘niets’ minder een toestandsbeschrijving dan een grenswoord: het markeert de rand van onze taal en ons denken, niet iets dat je zonder tegenspraak kunt uittekenen.

Dat merk je ook aan een ogenschijnlijk eenvoudige zin: “Er is niets.” Je gebruikt de ‘er is…’-structuur om bestaan te ontkennen. Je kunt dat aanscherpen (“Er is geen enkel ding”), maar het probleem blijft: je spreekt over afwezigheid alsof die zelf iets is. Dat zit al in een klassieke intuïtie: ‘niet-zijn’ laat zich niet denken alsof het een soort ‘zijn’ is. Zodra je het probeert, glipt het weg of verandert het van gedaante. Zelfs dan blijft de ontkenning leunen op een impliciet domein waarbinnen je die ontkenning uitspreekt.

Vergelijk het met de opdracht: “Denk niet aan een roze olifant.” Op het moment dat je het zegt, roep je het beeld al op. Dezelfde reflex zie je terug bij oorsprongsvragen.

Toch blijven we ‘niets’ gebruiken als beginpunt. Daarmee behandelen we het ongemerkt als iets waaruit iets kan volgen, vooral wanneer we over oorsprong spreken. Men zegt bijvoorbeeld: “Er was niets vóór de Big Bang.” Alleen al het woord ‘vóór’ sluist een tijdskader binnen, terwijl juist dat kader ter discussie staat. Het klinkt helder, maar het werkt vaak als stopteken: hier stopt ons model. Dat onderscheid is cruciaal: “we hebben geen beschrijving meer” zegt iets over onze modellen. “Er was absoluut niets” suggereert een uitspraak over de werkelijkheid zelf.

De meest basale stap na ‘niets’ is daarom niet ‘een wereld’, maar het ontstaan van één minimaal verschil. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, is er iets. Dat is het meest fundamentele onderscheid tussen niets en iets: één enkel onderscheidbaar kenmerk dat als drager van bestaan kan gelden. Dat is genoeg: ‘iets’ is minimaal bepaalbaar en niet langer louter ontkenning.

Daar zit de paradox: als ‘iets’ geen enkel onderscheidbaar kenmerk heeft dat het van ‘niets’ scheidt, verdwijnt het onderscheid. Dan verliest de uitspraak haar betekenis: je definieert ‘iets’ terug tot ‘niets’.

In die zin is het absolute niets geen beschrijfbare toestand van de werkelijkheid en geen bruikbaar verklarend startpunt: elke beschrijving van ontstaan veronderstelt al ‘iets’, hoe minimaal dat ook mag zijn.

[Wordt vervolgd…]

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *