Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)
1.1. Deel I – Universum / premenselijk
8. Niets mythologisch
Een werkbare vuistregel voor het onderscheid tussen mythologie en religie is: of een traditie nog ‘levend’ wordt beoefend. Wat niet meer als levende praktijk aanwezig is, wordt sneller als ‘mythe’ gelezen. Mythen nemen bovendien vaak in één beweging kosmos én menslaag mee; goden, krachten en oerstof verschijnen meteen in verhoudingen die aan menselijke orde, conflict en hiërarchie doen denken.
Inhoudelijk liggen mythologie en religie dicht bij elkaar. Het verschil zit hier vooral in de functie: mythen zijn verhalen waarin metafysica, moraal, psychologie en antropologie door elkaar lopen. Ze zijn rijk, maar analytisch onscherp. Daarom dienen ze hier als spiegelmateriaal, niet als bewijs. Ze laten zien dat ‘niets’ in oorsprongstaal zelden leeg blijft.
Voor dit hoofdstuk is vooral relevant dat ‘niets’ in oorsprongsverhalen zelden totale afwezigheid betekent, maar meestal oerruimte of oertoestand. Zulke verhalen koppelen kosmologie vaak aan een menselijke vraag: hoe te leven, wat te vrezen, wat te hopen.
Voor sommige moderne lezers zijn deze goden archetypen geworden: culturele figuren, literaire personages of psychologische symbolen waarmee wordt gedacht, maar die zelden een levende religieuze betekenis hebben. Dat zegt vooral iets over hedendaagse interpretatiekaders, niet per se over de oorspronkelijke functie van die figuren.
Concreet verschijnt ‘niets’ in mythologie zelden als totale afwezigheid. Het begin wordt meestal voorgesteld als oerruimte of oertoestand: een kloof, leegte of gapende opening. In de Noorse mythologie heet dit bijvoorbeeld Ginnungagap (‘gapende leegte’). In de Griekse traditie wordt het begin Chaos genoemd, dat vaak wordt gelezen als ‘kloof’ of ‘opening’. Veel tradities buiten Europa beginnen met een oeroceaan, duisternis of vormloze oerstof. Het ‘begin’ wordt dan niet als afwezigheid verteld, maar als een eerste drager waarbinnen scheiding en ordening mogelijk worden.
Ginnungagap fungeert in dat verhaal als oerruimte voor een eerste scheiding: warm en licht tegenover koud en donker. Daarmee laat het voorbeeld zien dat ‘niets’ drager van onderscheid is, niet als absolute afwezigheid.
Het punt is niet of zulke beelden fysisch ‘kloppen’, maar wat ze laten zien over taal en verbeelding. Zelfs mythologische ‘niets’-woorden dragen vrijwel meteen structuur: kloof, polen, scheiding. Het ‘niets’ draagt onmiddellijk verschil en is daarmee niet het absolute niets. Mythen veronderstellen al een domein van ‘zijn’ (krachten, chaos of oerstof) waarbinnen ordening kan plaatsvinden. In dat domein gelden al relaties als voor/na, binnen/buiten en boven/onder.
Dat is de opmaat naar de volgende paragraaf: als zelfs mythen ‘niets’ meteen als drager van verschil tekenen, wat kan ‘absoluut niets’ dan nog betekenen?
[Wordt vervolgd…]
Geef een reactie