Het Ontstaan van Werkelijkheid
1.2. Onderscheid
Zodra je ‘Er is iets’ als startpunt neemt, ontstaan minimale, ermee samenhangende begrippen. Het betekent in ieder geval dat ‘het geval’ en ‘niet het geval’ niet samenvallen: bestaan en niet-bestaan zijn te onderscheiden. Dat zegt nog steeds niets over wat het ‘iets’ is; slechts dat verschil mogelijk is.
“Er is onderscheid.”
Dat kun je ook in algemene termen formuleren: zonder ‘niet-dit’ heeft ‘dit’ geen betekenis. Daarmee is ‘dit’ te onderscheiden van ‘niet-dit’, ook als er verder niets anders is. Dat gevolg is een eerste bouwsteen voor de stappen hierna.
Daarmee komt ook ‘niets’ in beeld: niet-bestaan. ‘Niets’ kan op meerdere manieren worden opgevat. Hier is het ‘niets’ in absolute zin: geen entiteit, slechts afwezigheid. In die betekenis is ‘niets’ niet óók ‘iets’; er wordt geen tweede ‘iets’ binnengesmokkeld. Niets is geen ‘ding achter het ding’. Zodra ‘niets’ als achtergrond zou moeten bestaan, wordt het een drager en dus iets. Daarom is ‘niets’ in dit betoog geen achtergrond, geen lege ruimte, geen vacuüm; alleen afwezigheid, niet iets dat op zichzelf bestaat.
Je kunt ‘iets’ niet volstrekt leeg laten en tegelijk doen alsof de stelling inhoud heeft. Een volledig leeg ‘iets’ heeft geen eigenschappen en dus geen enkel verschil met ‘niet-iets’. Dan valt ‘bestaan’ samen met ‘niet-bestaan’. Zonder verschil valt ‘iets’ samen met ‘niets’. Dan valt niet langer te zeggen dat er ‘iets’ is: het steekt nergens meer tegen af en heeft dus geen inhoud. De stelling ‘er is iets’ wordt dan even leeg als ‘er is niets’. Dat is de paradox: als ‘iets’ niets in zich draagt om het van ‘niets’ te onderscheiden, verdwijnt het onderscheid en daarmee de betekenis van de zin. Dan zou iets niets zijn.
Die paradox dwingt een minimale conclusie af: ‘iets’ kan niet volstrekt leeg zijn. Niet omdat ‘niets’ daardoor ineens een entiteit wordt, maar omdat ‘iets’ alleen als begrip kan functioneren als er minimaal een verschil mogelijk is; een afbakening, al is die nog zo abstract. Als je elke mogelijkheid van ‘niet-dit’ ontkent, dan ontken je niet ‘niets’, maar de inhoud van ‘iets’. En de basisstelling was nu juist: ‘Er is iets.’
Dit is een logisch resultaat, geen fysisch bewijs. Zodra verschil mogelijk is, dringt de vraag zich op: hoe dat verschil zich aftekent. Daarmee begint de volgende stap.
Geef een reactie