Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)
1.1. Deel I – Universum / premenselijk
1. Wat niets inhoudt
We zeggen ‘niets’ vaak zonder erbij stil te staan, terwijl het tegelijk lastig is af te bakenen. Het werkt tot iemand het hardop probeert te definiëren. In het dagelijks gebruik is het een verkorte ontkenning binnen een kader. Niet dit, niet hier, niet nu. Wie zegt dat hij niets heeft gedaan of dat er niets in zit, bedoelt meestal niets dat telt binnen die context.
Zodra ‘niets’ zelf onderwerp wordt, raakt het dubbelzinnig en vraagt het om precisering. Het is een metafysische verleiding: een absoluut beginpunt waarvan je niet meer zeker weet of je het kunt denken, laat staan beschrijven. Dan duiken uitspraken op als “Vóór de Big Bang was er niets”, “Na de dood is er niets” of “Iets kan uit niets ontstaan”. In dit hoofdstuk houden we die twee lezingen uit elkaar: ‘geen X binnen een kader’ tegenover ‘totale afwezigheid’.
Daar begint de verwarring: een ontkenning binnen een kader gaat klinken als een toestand, en taal behandelt ‘niets’ alsof het ‘iets’ is.
In dit hoofdstuk volgen we die verschuiving stap voor stap. We beginnen bij alledaags gebruik en werken via taal en logica toe naar wetenschap en filosofie, en vandaar naar oorsprongstaal (religie, inheemse tradities en mythologie). Tenslotte keren we terug naar het metafysische grensgeval: het absolute niets. De rode draad is: ‘niets’ is vaak een grenswoord; het markeert waar een kader ophoudt, niet waar de werkelijkheid ophoudt. Wie ‘niets’ als ding behandelt, verdwaalt al voordat de eerste vraag is gesteld.
Daarom is ‘niets’ een praktisch startpunt voor de vraag naar het ontstaan van werkelijkheid. Twee vragen sturen het vervolg: (i) Hoe spreek je over ‘niets’ zonder het ongemerkt tot ‘iets’ te maken? (ii) Wat is het minimale onderscheid dat ‘iets’ van ‘niets’ scheidt, zodat spreken over werkelijkheid zinvol wordt? Die precisering begint bij het alledaagse taalgebruik, waar ‘niets’ meestal ‘geen X’ betekent.
[Wordt vervolgd…]
Geef een reactie