HOW2 – 1.2. Iets (7/10)

Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

1.2. Deel I – Universum / premenselijk

7. Iets religieus

Religieuze taal vult het minimale schema vrijwel meteen in: ‘iets’ krijgt de vorm van ‘zijn’ of ‘aanwezigheid’ en fungeert als naam voor een eerste beginsel (‘prima causa’) dat onderscheid mogelijk maakt. In zulke taal verschuift ‘drager’ van rolaanduiding naar oorsprongstaal: niet alleen ‘waarvoor’ het onderscheid geldt, maar ook ‘waaruit’ het voortkomt. Dat ‘eerste beginsel’ is hier geen extra ‘ding’, maar taal voor ‘grond’ of ‘bron’ waarbinnen onderscheid kan gelden.

In de joodse en christelijke traditie wordt dat vaak verbonden met Exodus 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’, Hebreeuws: ‘Ehyeh asher ehyeh’): niet als object tussen objecten, maar als ‘zijn’ dat als bron geldt. Die formulering wordt vaak gelezen als zelfbestaan door de tijd: ‘zijn’ dat niet van iets anders afhankelijk is. Ter illustratie heet die dragende rol elders ‘sat’ (‘zijn’) of ‘Dao’. Het woord ‘iets’ zelf staat vaak niet centraal; het gaat om een aanwezigheid die de dragerrol benoemt en het ‘waarbinnen’ als oorsprong markeert.

In scheppingstaal ligt het accent niet op een sprong van niets naar iets, maar op een verhouding: Schepper–schepping, roepen–antwoord, gave–ontvangst. Zelfs waar men ‘schepping uit niets’ zegt, kan dat hier worden gelezen als ‘zonder vooraf bestaand materiaal’ en niet als ‘vanuit absoluut niets’. Daarmee verschijnt het ‘eerste’ als aangesproken onderscheid.

Concreet wordt die minimale dragerrol meteen een beladen relatie. In zulke teksten verschijnt het eerste ‘iets’ vaak als woord of bevel (‘Er zij licht’), naam of adem: een uitgesproken onderscheid waardoor er orde, leven of licht kan gelden. Het onderscheid met ‘niets’ is hier niet alleen structureel, maar ook waardebeladen: het is ‘goed’ dat er iets is. Dat morele aspect laat ik in dit deel rusten.

Samengevat wordt het begin zelden getekend als los ding, maar als aanwezigheid in een verhouding. Ook tradities zonder Scheppertaal kunnen het begin tekenen als complementaire polen (zoals yin/yang): niet één los ding, maar een onderscheid dat dragend wordt. Wat blijft, is de suggestie dat ‘van niets naar iets’ niet wordt gedacht als sprong van leegte naar object, maar wordt verwoord als dragende aanwezigheid (bijvoorbeeld ‘God’, ‘Dao’ of ‘Brahman’), waardoor verschil mogelijk wordt. Die intuïtie keert in mythische taal terug, waar het begin als eerste onderscheid wordt verbeeld en uitgewerkt.

[Wordt vervolgd…]

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *