Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)
1.2. Deel I – Universum / premenselijk
6. Iets filosofisch
Waar wetenschap een ‘iets’ operationaliseert binnen een model, vraagt filosofie naar de status van de voorwaarden van dat modelleren: het veronderstelde ‘waarbinnen’. Dat is de vraag die aan het eind van de vorige paragraaf openbleef. Daarom keert de vraag terug als: “Waarom is er iets en niet veeleer niets?” De inzet verschuift dan van ‘waarom is er überhaupt iets?’ naar ‘welke minimale structuur moet elk antwoord op die vraag al veronderstellen?’
Dat minimaliseren is een veelvoorkomende filosofische beweging: eerst de minimale voorwaarden, pas daarna de invulling. De varianten verschillen, maar de beweging is herkenbaar: terug naar iets dat zo weinig mogelijk invult, zonder dat het begrip ‘iets’ oplost. Dat is ook de achtergrond van de bezwaren die nu volgen. Hoofdstuk 1 maakte ‘niets’ onwerkbaar als vertrekpunt; dit hoofdstuk maakt zichtbaar welke minimale structuur ‘er is iets’ al veronderstelt.
Een eerste bezwaar ligt voor de hand: dit hoofdstuk lijkt vooral taal en logica te ordenen. Het vat ‘iets’ op als minimale drager van verschil en constateert dat absolute leegte geen bruikbare categorie is. Maar zegt dat wel iets over werkelijkheid, of alleen over onze manier van spreken? Het antwoord is nuchter: binnen deze benadering impliceert elke uitspraak over ‘ontstaan’ al minimaal onderscheid. Wie zegt dat ‘de wereld uit niets is ontstaan’, veronderstelt al een onderscheid tussen ‘niets’ en ‘er is iets’, en een grens waar ‘niets’ ophoudt en ‘er is iets’ begint. Dit maakt expliciet wat anders vaak impliciet blijft. Als die minimale stap intern tegenstrijdig is, kunnen ook de rijkere verhalen wankelen die erop steunen.
Een tweede bezwaar richt zich op het woord ‘drager’. In dit hoofdstuk is ‘drager’ geen naam voor een aparte laag, maar een functiewoord. Wie stelt dat een minimaal ‘iets’ een drager van verschil is, kan de indruk wekken dat er toch een soort substantie wordt geïntroduceerd: een ‘ding’ dat ‘eronder ligt’ en eigenschappen zou ‘dragen’. ‘Drager’ is hier een rolaanduiding: het markeert waarop dat verschil betrekking heeft. Het helpt om in functionele termen te spreken: ‘drager’ benoemt hier een relatiepunt, geen onderlaag. In een formeel model kan dat een element van een domein zijn, maar net zo goed een toestand, een relatie of een mogelijkheid. In een latere metafysica kan het materieel, mentaal, als principe, wetmatigheid of informatie worden begrepen of iets anders zijn. Deze tekst legt niet vast wát drager is, maar wel dat een verschil zonder iets waarop het betrekking heeft leeg blijft.
Een derde bezwaar: door voorbeelden uit logica, informatica en wetenschappelijke modellering te gebruiken, lijkt het alsof de fundamentele laag simpelweg fysisch is, desnoods in een informatie-jasje. Dan zou je alsnog een keuze hebben binnengehaald, bijvoorbeeld ‘alles is informatie’. Dat risico ontstaat wanneer de voorbeelden als ontologie worden gelezen. De voorbeelden worden hier gebruikt om te laten zien wat binnen modellen ‘minimaal verschil’ en ‘toestand’ betekenen. Ze zijn didactisch: ze laten zien dat men in de praktijk niet zonder toestanden en onderscheid kan als men iets wil beschrijven of modelleren. In de inleiding van Deel I is de fundamentele laag uitdrukkelijk als werkterm geïntroduceerd, zonder keuze tussen materie, bewustzijn, informatie of structuur. Daarmee is geen ontologie gekozen.
Een laatste bezwaar: natuurlijk moet er ‘iets’ zijn, anders is er niets. Is dat de moeite van een heel hoofdstuk waard? Het probleem is dat de schijnbare trivialiteit vaak wordt overgeslagen, waardoor hardnekkige formuleringen als ‘iets uit niets’ aannemelijk lijken. Zolang ‘niets’ niet is onderzocht en ‘iets’ niet is teruggebracht tot minimaal verschil, blijft het mogelijk om te doen alsof er een lege toestand was waaruit een wereld tevoorschijn kwam. De analyse van hoofdstuk 1 en dit hoofdstuk laat zien dat zo’n voorstelling binnen dit schema onhoudbaar is: absolute leegte is in dit schema geen denkbaar beginpunt, en het kleinst mogelijke ‘iets’ is al een gestructureerd verschil. Daarmee ligt de filosofische inzet bloot. Juist omdat dit schema zo mager is, wordt zichtbaar hoe andere kaders het meteen wél invullen. In de volgende paragraaf gaat het om hoe religieuze taal ‘iets’ invult door meteen méér te zeggen dan dit minimale schema toelaat.
[Wordt vervolgd…]
Geef een reactie