Geld is de rekeneenheid. Omdat de proceskostenvergoeding meestal volgens een vaste tabel wordt berekend, blijft een deel van de rekening vrijwel altijd liggen waar hij valt, en verschuift ‘gelijk’ naar ‘volhouden’.
In een dossier begint het klein en krijgt het gewicht door optelsom.
Het nakostenbriefje als symptoom
Je krijgt een brief. Niet over de kern. Over EUR 131 aan ‘nakosten’. Een klein bedrag met een groot effect. Het is officieel, het is genummerd, en het klinkt alsof het vanzelf gaat: eerst dit, dan meer. Je voelt hoe een conflict verschuift. Van ‘wie heeft gelijk’ naar ‘wie krijgt de rekening’. Wie het bedrag ziet, ziet vooral dat er een teller bestaat. En dat iemand hem kan laten lopen.
Het perspectief van de eiser: gelijk kan duur zijn
Neem de partij met een legitieme claim. Wie schade heeft, nakoming wil, of een grens wil trekken, wil eigenlijk maar twee dingen: zekerheid en een einde. Die partij kan inhoudelijk sterk staan en toch rationeel kiezen voor minder dan zij meent te verdienen. Zij hoeft niet te twijfelen aan haar gelijk. Zij ziet haar eigen kosten niet volledig terug en tijd brengt ook kosten mee. Hoe langer het duurt, hoe meer het conflict zich aan het leven hecht. Overleg met de advocaat, het verzamelen van stukken, het steeds opnieuw uitleggen wat er speelt, het wachten op termijnen en reacties. De zaak gaat niet alleen over recht. Zij wordt een tweede agenda.
Vooral bij kleinere vorderingen wordt dat voelbaar. Als de opbrengst beperkt is en de kosten onvoorspelbaar zijn, ontstaat een keuze die in geen wetboek staat: het recht laten rusten of er geld achteraan gooien. De wederpartij hoeft niets illegaals te doen om te winnen. Stilzitten kan genoeg zijn. Doorprocederen is voor jou een slechte investering, ook zonder gelijk aan de overkant. Dan wordt het civiele proces een filter: niet alleen op wie gelijk heeft, maar op wie het zich kan permitteren om gelijk te krijgen.
Het perspectief van de wederpartij: taal, timing en informatie
Daartegenover staat de professionele wederpartij, de partij die vaker procedeert dan de ander. Grote organisaties, verzekeraars, incassopartijen en andere vaste procespartijen kennen de staffels, de praktijk van matiging en de gewoontes van de zittingszaal. Zij weten wat een brief ongeveer waard is. Zij weten ook welk soort taal bij leken effect heeft. ‘Proceskosten’, ‘kostenveroordeling’ en ‘u draait op voor alles’ klinken als een sneeuwbal die vanzelf groter wordt. Juridisch is het zelden zo simpel. Psychologisch is het simpel genoeg.
Kostendreiging krijgt pas echt kracht door informatievoorsprong. Wie dagelijks procedeert, leest een kostenparagraaf als een schema. Wie dat niet doet, ziet vooral een afgrond. De dreiging werkt vooral doordat zij slecht begrepen wordt; de bedragen hoeven niet eens extreem te zijn. En waar de lezer niet kan rekenen, kan de schrijver sturen. De taal wordt dan niet gebruikt om te informeren, maar om te overweldigen.
Dat effect wordt vergroot door de dubbelzinnigheid van buitengerechtelijke incassokosten. In veel consumentenzaken bestaat een traject waarin, na een formele aanmaning met termijn, incassokosten kunnen worden gevorderd. Voor niet-ingewijden is de nuance snel weg. De boodschap blijft hangen: ‘u bent nu al kosten verschuldigd’. Redelijkheidstoetsen, staffels en de vraag wat er feitelijk is gedaan verdwijnen achter de suggestie van een oplopende teller. Als iemand de regels kent, kan die persoon die suggestie doseren: precies genoeg om het plausibel te laten voelen, te weinig om het toetsbaar te maken.
Er is nog een tweede mechanisme. Kosten krijgen een ander label. Vandaag worden kosten gepresenteerd als ‘incasso’ en morgen als ‘voorbereiding’, en overmorgen als ‘proces’. In handelsgeschillen geldt bovendien een eenvoudige gedachte: dubbele kosten tel je niet dubbel (art. 241 Rv). Voor veel mensen is het verschil tussen ‘voorbereiding’, ‘incasso’ en ‘proces’ geen schema, maar een stapel labels. En waar labels onduidelijk zijn, winnen suggesties het van regels.
Spiegelvariant: het kostenstelsel als schild
Tot hier lijkt het alsof druk vooral van boven naar beneden werkt: de grote partij intimideert de kleine. Dat gebeurt. Maar er bestaat ook een spiegelvariant die veel mensen pas laat zien. De schuldeiser die kosten opvoert om betaling af te dwingen is bekend. Minder zichtbaar is de schuldenaar die de wederpartij juist uitnodigt om te dagvaarden, omdat die stap tijd en geld kost en de extra opbrengst onzeker is. Dan wordt het kostenstelsel een schild. De andere partij moet kiezen: doorzetten of afboeken, ook als de zwakkere partij inhoudelijk niet sterker is. Zelfs met gelijk aan je kant kan de uitkomst financieel tegenvallen.
Hoger beroep: tweede ronde, dubbel risico
Daar komt hoger beroep bij. In theorie is hoger beroep een controlemechanisme. In de praktijk werkt het vaak als kostenverdubbelaar. ‘Dan gaan we in hoger beroep’ is daarom een zin met gewicht. Zelfs als de kans op succes beperkt is, verplaatst die zin de horizon. Het betekent opnieuw advocaatkosten, opnieuw tijd, opnieuw risico dat je wint en toch betaalt. Hoger beroep is soms een legitieme correctie op een verkeerd vonnis. Soms is het een strategisch signaal: ik wil nog wel een ronde betalen, jij ook?
‘Kapot procederen’: begrensd, maar niet onwerkzaam
Nu komt de vraag op tafel die vaak ongemakkelijk blijft: in hoeverre is een wederpartij in Nederland ‘kapot’ te procederen? Het antwoord is genuanceerd. Het proceskostenstelsel remt volledige vergoeding van advocaatkosten, en dat beperkt de prikkel om eindeloos te escaleren. Tegelijk maakt het stelsel het mogelijk om tijd te kopen, onzekerheid te vergroten en de andere partij te dwingen om eigen middelen te verbranden aan het traject. Wie veel rondes kan financieren, kan de prijs van volhouden verhogen zonder ooit een expliciete dreiging te uiten.
Wie wil ‘uitprocederen’ doet dat zelden met één groot gebaar. Het is bijna altijd een reeks kleine keuzes die samen één effect hebben. Meer brieven. Meer verweren. Een extra ronde over formaliteiten. Een verzoek om bewijs. Een discussie over producties. Een zitting die wordt aangehouden. Elke stap kan op zichzelf verdedigbaar zijn. Het uitputtende zit in de opeenstapeling. Uithoudingsvermogen werkt als machtsfactor. Wie zich de optelsom kan veroorloven, kan de prijs van ‘volhouden’ verhogen zonder ooit te hoeven zeggen dat het het doel is.
Tegenargument en antwoord: wanneer kosten gewoon informatie zijn
Het serieuze tegenargument is dat dit niet per se verkeerd is. Schikken kan partijautonomie zijn: maatwerk, snelheid, behoud van relaties. Een rechter die richting schikking duwt, kan realistisch zijn over de beperkte capaciteit van de rechtspraak en over het feit dat een vonnis zelden ‘het echte conflict’ oplost. En kostenwaarschuwingen kunnen legitiem zijn: wie iemand aanspreekt mag benoemen wat het traject kan kosten. Wie een onterechte vordering krijgt mag de wederpartij confronteren met het risico van doorprocederen.
Maar precies daar loopt de lijn. ‘Kostenwaarschuwing’ is informatie. ‘Kostendreiging’ is strategie. Het verschil zit niet in het woord ‘kosten’, maar in de verhouding tussen wat gezegd wordt en wat redelijkerwijs te verwachten is, gegeven staffels, matiging, de aard van de zaak en de kans dat kosten volledig worden toegewezen. Als iemand met termen strooit die de ander niet kan plaatsen, ontstaat ‘vrijwilligheid’ die vooral bestaat uit vermijden. Dan is schikken niet langer kiezen, maar wegduiken. En dan is de uitkomst niet alleen een compromis, maar ook een prijs die je betaalt om het risico af te kopen.
Praktische consequentie: trek de mist uit elkaar
In zo’n traject helpt het om het gesprek steeds terug te brengen naar concrete posten, normen en scenario’s. Welke kosten zijn reëel, welke zijn retoriek. Wat vergoedt het liquidatietarief waarschijnlijk, en wat blijft eigen rekening. Welke stap is nodig voor inhoudelijke duidelijkheid, en welke stap is vooral druk. En wat doet een tweede ronde met de rekensom. De mist verdwijnt niet vanzelf. Je moet hem uit elkaar trekken, woord voor woord.
Aan de kant van degene die kosten noemt geldt dezelfde discipline. Als iemand kosten noemt, laat die persoon ook zeggen welke kosten, onder welke voorwaarden en met welke kans. Een dreiging die niet kan worden uitgeschreven in posten is vaak meer retoriek dan realiteit. Een waarschuwing die wel kan worden uitgeschreven is informatie. Dat verschil is de grenslijn.
Institutioneel is het eerlijker om te erkennen wat het stelsel feitelijk doet: het stimuleert schikking, niet alleen via regels, maar ook via angst voor een rekening die je niet goed kunt duiden. Zodra je dat benoemt, kun je vragen waar de grens ligt tussen waarschuwen en intimideren. En je kunt je afvragen of het wenselijk is dat een systeem dat inhoudelijk gelijk wil beslissen zo vaak de uitkomst laat meeschrijven door uithoudingsvermogen.
Wie de kosten niet kan doorrekenen, wordt erdoor gestuurd.
Geef een reactie