Categorie: Filosofie

  • HOW2 – 1.2. Iets (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Iets logisch

    In formele logica verschijnt ‘iets’ vaak als existentiële uitspraak: er bestaat ten minste één X met eigenschap P. Die notatie is geen metafysische onthulling, maar een minimale vorm: er is een domein van mogelijke gevallen en ten minste één geval waarvoor een eigenschap geldt. Dat domein, hoe mager ook, is het formele minimum (‘tabula’) waarbinnen een onderscheid kan gelden. Zonder domein en eigenschap blijft ‘er is iets’ binnen dit schema leeg.

    Voor dit deel betekent dat: een minimaal ‘iets’ is datgene waarvoor, binnen zo’n domein, ten minste één onderscheidbaar kenmerk geldt. Dat kenmerk mag vaag blijven, zolang het een minimaal onderscheid markeert tussen wat men ‘absoluut niets’ noemt en een geval waarin dat kenmerk geldt.

    Belangrijk is dat deze minimale beschrijving zegt niets over de aard van dat ‘iets’. Het hoeft geen object of deeltje te zijn; het kan een toestand zijn, een structuur, een verhouding of zelfs een pure mogelijkheid. ‘Fundamenteel’ betekent hier: niet het kleinste mogelijke ‘brokje’ materie, maar het minst gespecificeerde dat nog als drager van verschil kan dienen.

    Dat klinkt abstract, maar een analogie uit de informatica kan helpen, zonder te stellen dat werkelijkheid uit bits bestaat. Een bit lijkt het schoolvoorbeeld van ‘niets of iets’: 0 of 1. Die twee waarden vormen een minimaal domein van toestanden waarbinnen een onderscheid kan gelden. Een ‘0’ is daarin niet ‘niets’, maar één toegestane mogelijkheid.

    Zo’n domein veronderstelt een voorafgegeven mogelijkhedenruimte waarin 0 en 1 als waarden kunnen gelden. Met slechts één toegestane waarde valt er niets te onderscheiden; pas zodra er minstens twee toestanden mogelijk zijn, ontstaat een structuur van verschillen. Het ogenschijnlijke ‘van niets naar iets’ is daarom geen overgang vanuit absoluut niets, maar de stap waarin deze mogelijkhedenruimte wordt verondersteld en minimaal onderscheid geldt. Pas dan krijgt ‘er is iets’ betekenis.

    Wetenschappelijke beschrijvingen operationaliseren dit minimale schema in modellen, zonder daarmee een ontologie te kiezen. Ook daar is de ‘tabula’ het formele minimum. Dit opent een kwestie die later terugkomt: is het minimale ‘waarbinnen’ primair, of wordt het mede bepaald door wat erbinnen verschijnt?

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Iets in de taal

    Taal dwingt ons ‘iets’ vrijwel altijd ergens onder te brengen. In zinnen als ‘er ligt iets op tafel’ verschijnt ‘iets’ binnen een bekende structuur: context, plek en een factor die daarin een rol speelt. ‘Er staat iets tussen ons in’ suggereert een obstakel, letterlijk of figuurlijk. Het onbepaalde zit niet in het ontbreken van een domein, maar in het openlaten van wat het is binnen dat domein.

    Die reflex is begrijpelijk, maar wordt een valkuil zodra je over de meest fundamentele laag wilt spreken: taal trekt ‘iets’ snel een gedeelde context in. In hoofdstuk 1 merkte ik op dat ‘iet’, de bron van ‘iets’, letterlijk naar een ding verwees; maar het minimale ‘iets’ hoeft geen ding of object te zijn. Een minimaal ‘iets’ is geen stoel, steen of ster, en ook niet noodzakelijk een gedachte, afspraak of verwachting. Wie het woord automatisch als object leest, importeert een pakket impliciete veronderstellingen: grenzen, vormen, functies.

    Om die valkuil te vermijden, vat ik ‘iets’ voorlopig op als drager van verschil: geen substantie, maar een rol waarvoor het verschil geldt.

    De drager kan uiteenlopende gedaanten hebben zonder dat de uiteindelijke aard vastligt. Een eerste mogelijkheid is een toestand: er is ‘iets’ zodra een toestand verschilt van een andere toestand. Een tweede mogelijkheid is een verhouding: het verschil ligt in een relatie, niet in één drager. Een derde mogelijkheid is het verschil tussen kunnen en niet-kunnen: een niet-triviaal onderscheid tussen ‘dit kan’ en ‘dit kan niet’.

    In al deze gevallen is ‘iets’ geen meubelstuk van de kosmos, maar een functie in de structuur: drager van verschil. Taal laat zien dat we die dragerrol in ons spreken niet kunnen vermijden: eigenschappen, gebeurtenissen en mogelijkheden komen ‘van’ of ‘in’ iets. De vraag is niet wát die drager is, maar welke minimale voorwaarden bij die rol horen zodat ‘iets’ niet leeg wordt. Dat expliciteert de logica in de volgende paragraaf: welke minimale vorm de uitspraak ‘er is iets’ moet hebben.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Iets alledaags

    In alledaagse zinnen staat ‘iets’ zelden kaal. Meestal draagt het een kader mee. Wie zegt dat er ‘iets’ in de lucht hangt, wijst vaak op spanning, verwachting of een onuitgesproken conflict. ‘Er is iets met hem’ suggereert dat zijn gedrag of conditie afwijkt van wat normaal is. ‘Er is iets’ betekent meestal: er is iets dat telt binnen een bepaald kader, al blijft open wat het is.

    Ook wanneer ‘iets’ een vaststelling is (‘er ligt iets op de mat’, ‘er staat iets voor de deur’), blijft het gebruik concreet. Het woord benoemt niet wát er ligt of staat, maar verwijst wél naar iets met contouren dat je in principe kunt aanwijzen of oppakken. Alledaags ‘iets’ is daarmee een verzamelterm voor een bundel kenmerken: vorm, plaats, betekenis en mogelijke gevolgen. Daarvan abstraheert Deel I zoveel mogelijk. Dat gewone gebruik is hier niet verkeerd, maar te zwaar voor het doel van Deel I. Het vult ‘iets’ meteen in. Voor Deel I is juist het omgekeerde interessant: een ‘iets’ dat breed genoeg is om binnen elk denkbaar kader te passen, maar zo minimaal dat geen enkel specifiek kader het al invult. Welke minimale rest blijft over als je bijna alles wegdenkt, zodat het woord ‘iets’ nog contrast met ‘niets’ behoudt? De rest van het hoofdstuk probeert die rest vrij te maken door te beginnen bij wat taal met ‘iets’ doet.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Het minste iets

    Hoofdstuk 1 liet zien waarom ‘niets’ geen bruikbaar vertrekpunt is. Zodra je het absolute niets denkt of beschrijft, ken je er al iets aan toe; dan is het geen ‘niets’ meer en dus geen beginpunt waaruit ‘iets’ kan volgen. Dat legt een minimale grens bloot: als één onderscheidbaar kenmerk geldt, is er meer dan niets. Hier draait het om dat grensgeval: het minimaalste ‘iets’ dat nog net van ‘niets’ te onderscheiden is.

    Dat er ‘iets’ is, lijkt vanzelfsprekend: anders viel er niets te zeggen. Maar wat dat ‘iets’ betekent, varieert per context. In alledaagse taal is het vaak een aanduiding van relevantie; in formele systemen verschijnt het als ‘er bestaat minstens één …’; in filosofische tradities als inzet in de vraag waarom er überhaupt ‘iets’ is en niet niets. Die spreiding dwingt tot een stap terug: eerst ordenen, dan minimaliseren.

    We komen uit bij een formeel minimum: het kleinste ‘waarbinnen’ waarin verschil nog kan gelden. Die betekenissen volgen we als route, met één doel: ‘iets’ terugbrengen tot een minimale rest. We starten bij alledaags gebruik, gaan via taal naar formele beschrijving, en toetsen de uitkomst aan filosofische, religieuze, mythologische en metafysische kaders. De leidende vraag is: wat blijft er van ‘iets’ over als je alle invullingen wegdenkt en alleen het verschil met ‘niets’ overhoudt?

    Net als in de inleiding van Deel I leg ik hiermee niets vast over de uiteindelijke aard van die fundamentele laag. Ik kies geen positie tussen materie, bewustzijn, informatie en structuur, een principe of een wetmatigheid. ‘Fundamenteel’ betekent hier: zo weinig mogelijk ingevuld, maar genoeg om een verschil met ‘niets’ mogelijk te maken. Dit hoofdstuk levert geen metafysisch systeem op, maar een minimale werkdefinitie van ‘iets’ als richtpunt bij alledaags gebruik.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (10/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    10. Conclusie

    ‘Niets’ is interessant omdat het laat zien waar beschrijven zonder kader ophoudt. Het woord verleidt tot het beeld van een sprong ‘van niets naar iets’, maar zonder kader wordt dat beeld betekenisloos. Een kader is hier de set impliciete aannames die een model hanteerbaar maken; bij ‘niets’ komen ze bloot te liggen.

    Daarom is ‘iets uit niets’ geen samenhangende veronderstelling. ‘Niets’ markeert de grens van een kader: binnen dat kader is ontkenning hanteerbaar; daarbuiten blijft het abstract.

    Wat blijft er dan over van ‘niets’? Drie dingen. Samen komen ze hierop neer: ‘niets’ werkt alleen als ontkenning binnen een kader; zonder kader valt het uiteen in tegenstrijdige beelden.

    Ten eerste: in het gewone spreken betekent ‘niets’ geen totale afwezigheid, maar: ‘geen X’ binnen een impliciet afgebakend kader: een relatieve ontkenning.

    Ten tweede: zodra je ‘niets’ absoluut maakt, loop je vast. Je kunt het niet denken zonder het eigenschappen toe te kennen, en daarmee op te heffen als ‘niets’. Je kunt ‘niets’ dan alleen negatief benaderen (opsommen wat er niet is); dat zet taal op het verkeerde been.

    Ten derde: voor een ontstaansverklaring van werkelijkheid is ‘zuiver niets’ geen bruikbaar beginpunt. Niet omdat je daarmee een wetenschappelijke theorie tegenspreekt, maar omdat je een begrip gebruikt dat vooral werkt als grensmarkering, niet als fundament.

    Daarmee verschuift de vraag. Niet: “Hoe komt iets uit niets?”, maar: welk minimaal verschil volstaat om van ‘iets’ te spreken zonder een ‘wereld’ in te voeren? Met één onderscheidbaar kenmerk, hoe minimaal ook, kun je van ‘iets’ spreken. Dat is het punt waar dit hoofdstuk op uitkomt.

    Bedenk daarbij dat het kleinste ‘iets’ niet noodzakelijkerwijs een materieel object hoeft te zijn. Een natuurkundige zoektocht naar de meest fundamentele fysieke bouwsteen geeft niet automatisch antwoord op de vraag naar de oorsprong van werkelijkheid. Het is denkbaar dat het meest minimale een structuur, wetmatigheid of principe is die we (nog) niet kunnen benoemen, en dat andere verschijnselen daarvan afgeleid zijn.

    Wie ‘niets’ als vertrekpunt neemt, vertrekt vanuit een misleidend beeld; wie precies wil blijven spreken over het ontstaan van werkelijkheid, begint bij een minimaal ‘iets’: het kleinst mogelijke verschil dat niet al stilzwijgend elementen van onze wereld veronderstelt.

    ‘Niets’ fungeert minder als beschrijving van een toestand dan als grensmarkering van een kader: het scherpste nulpunt waartegen minimale aanwezigheid zichtbaar wordt. Eén vraag blijft over: welke minimale vorm van ‘iets’ volstaat om van ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken? Daarover gaat het volgende hoofdstuk.

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Niets metafysisch

    In de strengst mogelijke betekenis betekent ‘niets’ totale afwezigheid. Het is niet ‘niet-iets’, maar ‘niet-alles’: het ontbreken van enig iets. Niet alleen geen objecten, maar ook geen ruimte, geen tijd, geen achtergrond, geen wetmatigheden en geen mogelijkheden. En dus ook geen logica of wiskunde, tenzij je weer een kader veronderstelt. Zelfs geen ‘leegte’, want leegte veronderstelt al ruimte. In die zin is ‘niets’ geen beperkte variant van ‘iets’, maar het volstrekte ontbreken van elke drager waarop je eigenschappen kunt projecteren.

    Vat je ‘niets’ op als leegte, vacuüm of entiteit, dan sluipt er toch weer ‘iets’ binnen. Dan begint de paradox van beschrijving.

    Zodra je het absolute niets probeert te beschrijven, moet je er kenmerken aan toekennen. Je noemt het ‘leeg’, ‘afwezig van alles’, ‘geen dit en geen dat’. Maar elk van die woorden suggereert een toestand: iets dat ‘zo en zo’ is. Zodra je ‘niets’ eigenschappen geeft, maak je er een ‘iets’ van. In die zin is het absolute ‘niets’ minder een toestandsbeschrijving dan een grenswoord: het markeert de rand van onze taal en ons denken, niet iets dat je zonder tegenspraak kunt uittekenen.

    Dat merk je ook aan een ogenschijnlijk eenvoudige zin: “Er is niets.” Je gebruikt de ‘er is…’-structuur om bestaan te ontkennen. Je kunt dat aanscherpen (“Er is geen enkel ding”), maar het probleem blijft: je spreekt over afwezigheid alsof die zelf iets is. Dat zit al in een klassieke intuïtie: ‘niet-zijn’ laat zich niet denken alsof het een soort ‘zijn’ is. Zodra je het probeert, glipt het weg of verandert het van gedaante. Zelfs dan blijft de ontkenning leunen op een impliciet domein waarbinnen je die ontkenning uitspreekt.

    Vergelijk het met de opdracht: “Denk niet aan een roze olifant.” Op het moment dat je het zegt, roep je het beeld al op. Dezelfde reflex zie je terug bij oorsprongsvragen.

    Toch blijven we ‘niets’ gebruiken als beginpunt. Daarmee behandelen we het ongemerkt als iets waaruit iets kan volgen, vooral wanneer we over oorsprong spreken. Men zegt bijvoorbeeld: “Er was niets vóór de Big Bang.” Alleen al het woord ‘vóór’ sluist een tijdskader binnen, terwijl juist dat kader ter discussie staat. Het klinkt helder, maar het werkt vaak als stopteken: hier stopt ons model. Dat onderscheid is cruciaal: “we hebben geen beschrijving meer” zegt iets over onze modellen. “Er was absoluut niets” suggereert een uitspraak over de werkelijkheid zelf.

    De meest basale stap na ‘niets’ is daarom niet ‘een wereld’, maar het ontstaan van één minimaal verschil. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, is er iets. Dat is het meest fundamentele onderscheid tussen niets en iets: één enkel onderscheidbaar kenmerk dat als drager van bestaan kan gelden. Dat is genoeg: ‘iets’ is minimaal bepaalbaar en niet langer louter ontkenning.

    Daar zit de paradox: als ‘iets’ geen enkel onderscheidbaar kenmerk heeft dat het van ‘niets’ scheidt, verdwijnt het onderscheid. Dan verliest de uitspraak haar betekenis: je definieert ‘iets’ terug tot ‘niets’.

    In die zin is het absolute niets geen beschrijfbare toestand van de werkelijkheid en geen bruikbaar verklarend startpunt: elke beschrijving van ontstaan veronderstelt al ‘iets’, hoe minimaal dat ook mag zijn.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (8/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    8. Niets mythologisch

    Een werkbare vuistregel voor het onderscheid tussen mythologie en religie is: of een traditie nog ‘levend’ wordt beoefend. Wat niet meer als levende praktijk aanwezig is, wordt sneller als ‘mythe’ gelezen. Mythen nemen bovendien vaak in één beweging kosmos én menslaag mee; goden, krachten en oerstof verschijnen meteen in verhoudingen die aan menselijke orde, conflict en hiërarchie doen denken.

    Inhoudelijk liggen mythologie en religie dicht bij elkaar. Het verschil zit hier vooral in de functie: mythen zijn verhalen waarin metafysica, moraal, psychologie en antropologie door elkaar lopen. Ze zijn rijk, maar analytisch onscherp. Daarom dienen ze hier als spiegelmateriaal, niet als bewijs. Ze laten zien dat ‘niets’ in oorsprongstaal zelden leeg blijft.

    Voor dit hoofdstuk is vooral relevant dat ‘niets’ in oorsprongsverhalen zelden totale afwezigheid betekent, maar meestal oerruimte of oertoestand. Zulke verhalen koppelen kosmologie vaak aan een menselijke vraag: hoe te leven, wat te vrezen, wat te hopen.

    Voor sommige moderne lezers zijn deze goden archetypen geworden: culturele figuren, literaire personages of psychologische symbolen waarmee wordt gedacht, maar die zelden een levende religieuze betekenis hebben. Dat zegt vooral iets over hedendaagse interpretatiekaders, niet per se over de oorspronkelijke functie van die figuren.

    Concreet verschijnt ‘niets’ in mythologie zelden als totale afwezigheid. Het begin wordt meestal voorgesteld als oerruimte of oertoestand: een kloof, leegte of gapende opening. In de Noorse mythologie heet dit bijvoorbeeld Ginnungagap (‘gapende leegte’). In de Griekse traditie wordt het begin Chaos genoemd, dat vaak wordt gelezen als ‘kloof’ of ‘opening’. Veel tradities buiten Europa beginnen met een oeroceaan, duisternis of vormloze oerstof. Het ‘begin’ wordt dan niet als afwezigheid verteld, maar als een eerste drager waarbinnen scheiding en ordening mogelijk worden.

    Ginnungagap fungeert in dat verhaal als oerruimte voor een eerste scheiding: warm en licht tegenover koud en donker. Daarmee laat het voorbeeld zien dat ‘niets’ drager van onderscheid is, niet als absolute afwezigheid.

    Het punt is niet of zulke beelden fysisch ‘kloppen’, maar wat ze laten zien over taal en verbeelding. Zelfs mythologische ‘niets’-woorden dragen vrijwel meteen structuur: kloof, polen, scheiding. Het ‘niets’ draagt onmiddellijk verschil en is daarmee niet het absolute niets. Mythen veronderstellen al een domein van ‘zijn’ (krachten, chaos of oerstof) waarbinnen ordening kan plaatsvinden. In dat domein gelden al relaties als voor/na, binnen/buiten en boven/onder.

    Dat is de opmaat naar de volgende paragraaf: als zelfs mythen ‘niets’ meteen als drager van verschil tekenen, wat kan ‘absoluut niets’ dan nog betekenen?

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (7/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    7. Niets religieus

    Religies behandelen ‘niets’ zelden als neutrale leegte. Ze vertellen meestal over het ontstaan van ‘de wereld’ (hemel en aarde, goden, mensen, orde) en veel minder expliciet over ‘werkelijkheid’ als zodanig. ‘Niets’ fungeert er als grenswoord: het markeert wat ontbreekt, wat nog niet is, of wat onzegbaar blijft, en krijgt betekenis binnen een verhaal over oorsprong, orde en zin.

    Dat zie je in scheppingsverhalen. Soms ligt het accent op schepping ‘uit niets’ (creatio ex nihilo): niet als beschrijving van een fysiek vacuüm, maar als uitspraak over afhankelijkheid en oorsprong. Soms ligt het accent op ordening ‘uit chaos’ (creatio ex chaos): niet de productie van ‘iets’ uit absolute afwezigheid, maar het temmen, scheiden en vormgeven van een oertoestand.

    In beide lijnen is ‘niets’ dus minder een ‘toestand van de wereld’ dan een manier om grenzen te trekken: tussen schepper en schepping, tussen orde en wanorde, tussen betekenis en zinloosheid. Vanuit dat kader kun je per traditie bekijken wat ‘niets’ daar doet, en welke aannames meekomen zodra het als beginpunt fungeert. Die religieuze rol van ‘niets’ beperkt zich bovendien niet tot het begin. Ook uitspraken als ‘na de dood is er niets’ zijn zelden bedoeld als neutrale ontologie; ze functioneren meestal als grenswoord voor zin, oordeel, verlies, voortbestaan of verlossing.

    Het probleem dat ‘niets’ niet letterlijk niets is, duikt steeds weer op in scheppingsverhalen. Ontstaansmythen gaan zelden over ‘ontstaan’ als kale sprong, maar vooral over ordening: hoe iets ongedifferentieerds tot een geordende wereld wordt gemaakt. Hoe je het begin ook duidt, een verhaal kan nauwelijks bij ‘niets’ beginnen: het vult het begin bijna altijd meteen met iets. Er is al water, duisternis, een oervloed, een vormloos-materiële toestand, een adem, een woord of een spanning. Dat is geen ‘fout’, maar een aanwijzing: zelfs een oorsprongsverhaal kan nauwelijks een begin vertellen zonder oertoestand of ‘drager’. Zodra je het begin probeert te vertellen, ontstaat er al een decor: een achtergrond. En een achtergrond is niet niets.

    Een bruikbaar startpunt is daarom een typologie van ‘begin’: ex nihilo, ex chaos, cyclisch of als uitvloeiing uit ‘het’ Ene of ‘de’ Volheid, waarbij lagere werkelijkheidsniveaus als afgeleid worden gedacht (en soms als minder ‘echt’). Naast zulke oorsprongsmodellen bestaat er ook een religieuze manier om over het ultieme te spreken via ontkenning: niet dit, niet dat. In zulke negatieve taal is ‘niets’ geen beginstof, maar een methode om te zeggen dat het goddelijke (of het absolute) niet als ‘iets onder de dingen’ kan worden vastgelegd.

    In de Abrahamitische tradities kun je dat mechanisme goed zien. Genesis opent niet met een natuurkundig ‘niets’, maar met een wereld die ‘woest en leeg’ is, met duisternis, oervloed en een goddelijke adem: er is dan al een uitgangssituatie waarop ordening kan plaatsvinden. In latere theologische lezing krijgt dit soms een ex-nihilo-lezing (schepping zonder voorafgaande materie), maar de tekst zelf werkt narratief: scheiding, benoeming en ordening.

    Alleen zelden wordt het onderscheid ‘zijn’/‘niet-zijn’ zelf tot probleem gemaakt; juist daarom zijn sommige Vedische formuleringen (waar het begin wordt gevat als ‘noch zijn, noch niet-zijn’) interessant: ze schuiven van wereldverhaal naar grensvraag.

    Een andere invalshoek is het vermijden van een absoluut eerste punt; daarin onderscheidt het boeddhisme zich, omdat het doorgaans geen eerste punt aanwijst. De inzet is dan: geen ‘eerste oorzaak’ zoeken waar alles uit voortkomt. In boeddhistische kosmologie worden ‘wereldsystemen’ gedacht in zeer lange cycli van ontbinding en (her)vorming: ontstaan en vergaan zonder absoluut begin. Dat cyclische principe doet denken aan het hindoeïsme, maar met andere metafysische accenten.

    In het hindoeïsme verschijnt schepping ook als cyclisch: perioden van manifestatie en ontbinding, waarin het universum voortkomt en weer oplost. In populaire formuleringen wordt dit aan Brahman of aan goddelijke principes toegeschreven (en in devotionele contexten ook aan Krishna als bron van schepping en vernietiging). Belangrijk is hier: ‘begin’ is niet noodzakelijk een absoluut nieuwe start. ‘Niets’ wordt dan geen start uit totale afwezigheid, maar een naam voor ontbinding en overgang binnen een cyclus.

    Hier verschijnt het verschil tussen religieuze verbeelding en later theologisch dogma. De nadruk op ‘er was niets vóór God’ kan in bepaalde tradities ook gelezen worden als een latere dogmatische verharding: een formule die almacht en exclusieve oorsprong van ‘God’ moet afbakenen, eerder dan een narratieve noodzaak in het oorspronkelijke verhaal. Dat is minder ‘religie als verhaal’ en meer ‘theologie als afbakening’.

    Als uitwerking van ‘negatieve taal’ speelt ‘niets’ in sommige tradities een rol als leegtebegrip: niet als kosmologisch begin, maar als ontkennende methode, bijvoorbeeld bij Nagarjuna (Madhyamaka-traditie). In zijn denken staat sunyata (leegte) centraal: niet als claim dat er ‘helemaal niets’ is, maar als analyse dat dingen geen zelfstandige, inherente kern hebben. ‘Leegte’ betekent daar: afhankelijkheid en relationaliteit, niet ‘absolute afwezigheid’. Belangrijk is: ‘leegte’ is hier geen nihilisme (‘er is niets’), maar het loslaten van het idee van een vaste, zelfstandige kern. In een ander denkkader verschijnt ‘niet-zijn’ ook in daoïstische tradities: niet als ‘absoluut niets’, maar als het ongevormde of onbepaalde waaruit vormen en tegenstellingen kunnen opkomen.

    Terzijde: de bespiegelingen van Sartre over ‘niets’ als structuur van bewustzijn en vrijheid raken aan een vergelijkbare functie die ‘leegte’ in sommige oosterse tradities kan hebben. Die overeenkomst is beperkt en vooral functioneel: het gaat niet om dezelfde doctrine, maar om een vergelijkbare beweging waarin ‘leegte’ niet enkel kosmologisch verschijnt, maar ook als manier om afstand of ontkenning te denken. Dat terzijde; terug naar het hoofdthema: ‘niets’ als grenswoord in oorsprongsverhalen.

    Een korte zijstap naar inheemse tradities helpt om de westerse reflex (‘eerst was er niets’) te relativeren. In verhalen rond ‘Droomtijd/Dreaming’ kan oorsprong minder als ‘verleden’ en meer als een dieper werkelijkheidsniveau worden opgevat: ordening en heractualisering van een altijd-al geldige wereldstructuur (plaats, verhaal, norm), niet een sprong van nul naar één. In zo’n kader is ‘niets’ minder een beginstof dan een grenswoord voor verlies of ontwrichting.

    Vanuit dit panorama is de stap naar mythologie klein: dezelfde oorsprongstaal circuleert vaak ook als mythisch beeldmateriaal. Religie en mythologie zijn historisch nauw verweven: wat later als ‘mythe’ wordt gelezen, functioneerde vaak als oorsprongstaal die een begin markeert. In de volgende paragraaf verschuift het accent daarom naar narratief: hoe beelden van leegte, chaos en oertoestand werken, en waarom ‘niets’ in verhalen bijna altijd meteen weer wordt ingevuld.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Niets filosofisch

    De verschuiving van natuurkunde naar filosofie is niet vreemd: de natuurkunde is historisch uit de natuurfilosofie gegroeid en later als zelfstandige empirisch-wiskundige discipline gaan functioneren. Er blijven grensvragen waarop natuurkunde en filosofie elkaar raken: interpretatie, betekenis en grondslagen. Waar de natuurkunde methodisch (vooralsnog) geen uitspraak kan doen, begint niet automatisch ‘niets’; daar begint de filosofische analyse van begrippen, aannames en mogelijkheden. Filosofie levert hier vaak niet het antwoord, maar de afbakening van de vraag. Zodra het onderscheid scherp genoeg is, kan de natuurkunde het vertalen in formalisme en experiment.

    Filosofie fungeert hier als conceptuele analyse: die legt bloot welke aannames in een vraag verstopt zitten, scherpt definities aan en test de grenzen van wat er überhaupt samenhangend gezegd kan worden. Soms gaan zulke ‘voorvragen’ vooraf aan latere wetenschappelijke precisering. Een klassiek voorbeeld is atomisme: begonnen als filosofische gedachte over ‘ondeelbare deeltjes’, pas veel later uitgewerkt tot toetsbare natuurwetenschappelijke theorieën. Ook recenter zie je dit patroon: begripsvragen lopen vaak voor op technische uitwerking.

    In de westerse traditie speelt bovendien al vroeg een hardnekkige intuïtie mee: ‘uit niets komt niets’. ‘Niets’ fungeert daar niet als ‘begintoestand’, maar als grens aan wat überhaupt als ontstaan kan gelden. Dat motief keert later terug in moderne discussies over oorsprong, omdat het een spanning blootlegt tussen denken en verhalen over ‘begin’. In dit boek is dat het contrastpunt voor één centrale vraag: wat is het minimale ‘iets’ dat nog van ‘niets’ te onderscheiden is?

    Daarmee is de inzet helder: ‘niets’ fungeert als contrastpunt, niet als begintoestand. Een bekend startpunt is Leibniz’ vraag: “Waarom is er iets en niet niets?” Leibniz bedoelde dit niet primair als een tijdvraag (‘wat was er eerst?’), maar als een metafysische verklaringsvraag: waarom is er überhaupt een wereld (‘iets’) in plaats van absolute afwezigheid (‘niets’)? Zijn inzet is het beginsel van voldoende grond: het bestaan van ‘iets’ moet te verantwoorden zijn met een reden die verder gaat dan ‘zo is het nu eenmaal’.

    De vraag naar ‘niets’ krijgt in de filosofie bovendien een eigen traditie. Wat volgt is selectief en oriënterend: drie ingangen die verschillende functies van ‘niets’ zichtbaar maken. Na Leibniz duikt de vraag expliciet op bij Heidegger, onder meer in Was ist Metaphysik? Bij Heidegger is ‘het niets’ geen ‘ding’ en ook geen natuurkundige leegte. Het verschijnt als grens-ervaring: in angst of vervreemding valt het vanzelfsprekende ‘er is’ weg, waardoor het ‘zijnde’ juist als zijnde zichtbaar kan worden. ‘Niets’ fungeert daar als contrastbegrip, niet als toestand die je kunt meten.

    Bij Sartre speelt ‘niets’ een centrale rol in L’Être et le Néant. Bij Sartre hoort ‘niets’ primair bij bewustzijn en vrijheid. Bewustzijn kan afstand nemen, ontkennen en mogelijkheden openhouden; het is niet gevuld zoals een ding, maar kan ‘nihileren’ (een tekort, gemis of ‘niet-zijn’ aan het licht brengen). Daardoor wordt ‘niets’ een structureel element in kiezen, projecteren en verantwoordelijkheid.

    In die lijn wordt ‘niets’ niet alleen opgevat als ‘lege ruimte’ of ‘afwezigheid van deeltjes’, maar ook als ‘niet-zijn’: niet als fysische toestand, maar als conceptuele of existentiële grens.

    Een veelvoorkomende filosofische redenering luidt: het feit dat hier en nu iets bestaat, is moeilijk te verenigen met de gedachte van een absoluut niets. Als ‘absoluut niets’ ooit echt mogelijk was, is het onduidelijk hoe er ‘iets’ zou kunnen zijn. Dit is geen sluitend bewijs, maar het laat zien waar ‘absoluut niets’ wringt: je moet verklaren hoe ‘iets’ überhaupt mogelijk wordt als ‘niets’ werkelijk een optie is.

    Zelfs als je een toestand van ‘meest absolute fysische leegheid’ veronderstelt, stuit je op hetzelfde probleem: je kunt veel wegdenken, maar niet het kader waarin ‘wegdenken’ en ‘ontstaan’ betekenis krijgen.

    Dit raakt aan een breder filosofisch thema: in grote delen van de middeleeuwse traditie, teruggaand op Aristoteles, werd de mens opgevat als materie plus vorm (‘essentie’), waarbij de essentie voorafgaat aan de concrete realisatie. Sartre keert die lijn om en typeert de mens als een onbepaald en ‘leeg’ bewustzijn dat zijn inhoud moet kiezen: existentie zonder vooraf gegeven essentie. Dit ‘niets’ (die onbepaaldheid) wordt dan een voorwaarde voor bewustzijn: zonder afstand of negatie kan ‘zijn’ niet worden gekend.

    Filosofie brengt ‘niets’ tot aan de grens van wat er nog samenhangend gezegd kan worden. Religie geeft aan die grens een andere invulling: geen analyse, maar een beginpunt voor een verhaal met een strekking: oorsprongstaal. Dat levert twee klassieke bewegingen op: schepping ‘uit niets’ en ordening ‘uit chaos’. In beide gevallen blijkt ‘niets’ minder een lege toestand dan een beladen startwoord. Daarmee raakt ‘niets’ ook aan ervaring: leegte, afstand, gemis, negatie. Op dat punt verschuift de vraag van ‘wat klopt?’ naar ‘wat draagt?’. Religieuze tradities beantwoorden die verschuiving niet primair met analyse, maar met beelden, rituelen en oorsprongsverhalen. Daar krijgt ‘niets’ een nieuwe rol: als oorsprongstaal.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (5/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    5. Niets wetenschappelijk

    Wetenschappelijk betekent ‘niets’ zelden totale afwezigheid: zelfs het strengste ‘niets’ blijft een gedefinieerde toestand. In de lege doos uit het eerdere voorbeeld zit niet alleen lucht, maar ook licht, warmte, druk en zwaartekracht. Zelfs als je alle lucht uit de doos verwijdert, houd je geen ‘niets’ over, maar een vacuüm. Een vacuüm is nog altijd een toestand die je kunt beschrijven: het heeft eigenschappen (zoals veldtoestanden) en veronderstelt ruimte. Zelfs ‘ruimte’ is al een stevige aanname: er blijft een meetbaar kader over waarin vergelijken en beschrijven mogelijk zijn.

    Met de klassieke opstelling van de Maagdenburger bollen is het mogelijk om ‘leegte’ te maken, maar leegte is geen afwezigheid van alles. Het is een afwezigheid van iets specifieks, bijvoorbeeld lucht. Zelfs die afwezigheid is een afwezigheid binnen een context: je hebt een volume, een grens en een meetbaar verschil tussen binnen en buiten. De kracht die je daar ervaart is niet ‘het vacuüm dat trekt’, maar het drukverschil tussen binnen en buiten. Leegte werkt hier als meetbaar verschil, niet als absolute afwezigheid.

    De verwarring wordt groter doordat wetenschappers verschillende definities van ‘niets’ hanteren, terwijl het woord klinkt alsof het één eenduidige toestand benoemt. Voor dit hoofdstuk zijn drie vormen bruikbaar:

    1. ‘Niets’ als afwezigheid van basale bestanddelen. Zonder materiedeeltjes zijn er geen sterren of mensen. (Hier betekent ‘niets’ vooral: geen materie/deeltjes.)
    2. ‘Niets’ als lege ruimte. Een universum zonder deeltjes of straling, maar nog wel met ruimte-tijd, natuurwetten en velden, plus een niet-nul vacuümenergie, zodat het model nog steeds structuur veronderstelt. (Hier blijft ruimte-tijd als achtergrond expliciet staan.)
    3. ‘Niets’ als de laagst mogelijke energietoestand van ruimte-tijd. Een (ware of valse) vacuümtoestand waarin alle materie, energie, kromming en rimpelingen zijn verwijderd, maar ruimte-tijd en wetmatigheden als achtergrond wel bestaan. (Hier gaat het om de toestand van die achtergrond: een vacuümtoestand.)

    Deze drie definities verschillen vooral in wat ze nog wel laten staan als achtergrond: ruimte-tijd, velden, wetten, of ‘alleen’ een vacuümtoestand. Dat is precies het punt: elk wetenschappelijk ‘niets’ veronderstelt nog een kader. Elke betekenis kan binnen zijn eigen context nuttig zijn, maar uiteindelijk blijven het allemaal conceptuele modellen of gedachtenexperimenten die lastig direct empirisch te toetsen zijn. Ze geven geen houvast voor de gedachte dat ‘alles’ letterlijk uit ‘niets’ zou zijn ontstaan. Dat zie je bij het meest ‘lege’ begrip uit de moderne natuurkunde: het kwantumvacuüm.

    Het vacuüm in de kwantumveldentheorie is een van de ‘leegste’ begrippen in de moderne natuurkunde. Daar wordt het vacuüm niet opgevat als ‘helemaal niets’, maar als een ‘laagste energietoestand’ met fluctuaties. Het gaat om een toestand van velden, niet om de afwezigheid van elk kader. Zelfs in de laagst mogelijke energietoestand is ‘leegte’ in die theorie niet volledig stil of ‘nul’.

    Hier past een tweede misverstand: vernietiging. We zeggen gemakkelijk dat iets ‘verdwijnt’ of ‘vernietigd’ wordt, alsof het letterlijk naar niets gaat. Meestal bedoelen we: die vorm verdwijnt. De bestanddelen blijven; de ordening gaat verloren. Water ‘verdwijnt’ als het bevriest of verdampt, maar het verandert niet in niets. Een glazen knikker ‘verdwijnt’ als knikker wanneer je er met een hamer op slaat, maar wat overblijft is niet niets. Zelfs wanneer je een stof opdeelt in atomen, of atomen in kleinere bestanddelen, spreek je over transformatie, niet over een verandering naar absolute afwezigheid. Vernietiging is daarmee vrijwel altijd niveau-gebonden: je vernietigt een vorm of organisatie, niet bestaan als zodanig.

    Dat sluit aan bij een sobere wetenschappelijke intuïtie: in een geïsoleerd systeem is een spontane afname van entropie zeer onwaarschijnlijk. Grofweg: processen hebben een richting, ordening heeft een prijs elders, energie verspreidt zich. Dat is niet hetzelfde als het idee dat er ‘nooit iets echt verdwijnt’ en het is ook geen bewijs dat het universum nooit kan eindigen. Het zegt wel iets over wat ‘einde’ meestal betekent: einde van structuren, niet het overgaan in absoluut niets. Zelfs in het extreme voorbeeld dat tot de verbeelding spreekt, de annihilatie van materie en antimaterie (botsing waarbij massa kan overgaan in straling), is ‘verdwijning’ geen overgang naar niets. Vorm kan radicaal veranderen en massa kan worden omgezet in straling, maar het eindpunt is geen ‘niets’, slechts een andere toestand.

    Wie dan toch ‘uit niets’ wil laten ontstaan, introduceert vaak (impliciet) een ingrediënt dat precies het probleem maskeert: potentieel. Men zegt: er waren tegengestelden die spontaan zouden ontstaan en elkaar compenseren. Maar ‘spontaan’ is geen verklaring, het is een label. Het suggereert voorwaarden waaronder iets kan gebeuren. En zodra dat kan, spreek je al over iets: een kader waarbinnen iets mogelijk is. Ook ‘potentieel’ is geen compleet leeg woord. Het is inhoud.

    Waarom blijven we dan toch aan ‘niets’ trekken? Omdat ‘niets’ een verleidelijke grens is. Het biedt een einde aan vragen. Wie zegt ‘daarvoor was er niets’, hoeft niet uit te leggen wat ‘daarvoor’ betekent, wat ‘was’ betekent, en in welk kader tijd en causaliteit worden opgevat. ‘Niets’ functioneert hier niet alleen als concept, maar ook als afkappunt. Het plaatst een harde grens waar je liever geen zachte onzekerheid laat staan.

    In die strikte betekenis behoort ‘niets’ niet tot de waarneembare werkelijkheid. Juist daarom biedt het de wetenschap weinig houvast: wetenschap richt zich op het empirisch kenbare en op definieerbare afwezigheden binnen een afgebakend domein.

    Een toegankelijke (populariserende) bespreking van dit punt is te vinden in populaire wetenschapsteksten over ‘quantum vacuum’ en ‘quantum foam’. 5.12 Naast de wetenschappelijke invullingen hierboven bestaat ook ‘niets’ als absolute filosofische leegte: het volledig ontbreken van ruimte, tijd en natuurwetten. Binnen natuurkundige beschrijvingen is ‘absolute’ leegte geen hanteerbaar begrip. Zodra je ‘niets’ zo radicaal opvat, verschuift de vraag van natuurkunde naar filosofie. Dat is het startpunt van de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]