Auteur: eM

  • Vertrouwen: Schijn bindt

    Het dagelijks verkeer draait vaak op korte signalen. ‘Is goed.’ ‘Regel ik.’ ‘Doe maar.’ Ook als niemand een handtekening zet, wordt de opdracht uitgevoerd, wordt een prijs bevestigd, of wordt een afspraak verplaatst.

    Tot het misgaat. Dan komt het zinnetje dat iedereen kent: “Die persoon was niet bevoegd.” Alsof de interne taakverdeling een bescherming biedt die je pas kunt inzetten als het fout loopt.

    Wie de eerdere stukjes over ‘rechtvaardigheid’, ‘bewijs’ en ‘schikken’ las, ziet het familieverband. Ook hier gaat het om het beteugelen van woorden die lekker klinken. Niet ‘redelijk’, niet ‘eerlijk’, niet ‘ik dacht’. De vraag is: wat mocht je aannemen, en wie draagt het risico als die aanname verkeerd blijkt?

    Praktijkcasus

    Een cliënt van ons is een adviseur. Onlangs leverde hij een gefaseerde kostenbesparingsscan aan een bedrijf. Een manager gaf daartoe opdracht, leverde informatie aan, liet een eerste fee factureren en betaalde die ook. Later zette een directeur er een streep door en weigerde hij de tweede factuur te betalen met het argument dat de manager daartoe niet bevoegd was. Juist het voortraject maakte dat verweer moeilijk houdbaar: het bedrijf had zelf de schijn gewekt dat de manager namens het bedrijf kon handelen. Voordat het tot een procedure kwam, is geschikt in het voordeel van de adviseur.

    Vertrouwen als beslisregel

    Vertrouwen is in het recht geen warm gevoel, maar een beslisregel. Als we zouden eisen dat je bij elke afspraak eerst het Handelsregister raadpleegt, een organogram opvraagt, een volmacht controleert en een bestuursbesluit laat overleggen, dan komt het maatschappelijk verkeer tot stilstand. Het recht laat dus ruimte om op signalen te varen. Maar het recht bepaalt ook wanneer dat gerechtvaardigd is.

    Gerechtvaardigd vertrouwen

    ‘Gerechtvaardigd vertrouwen’ betekent niet dat jij je zeker voelde.

    Gerechtvaardigd vertrouwen betekent dat een redelijke derde, in dezelfde situatie, uit dezelfde omstandigheden had mogen afleiden dat dit zo zat.

    Anders zou vertrouwen een vrijbrief voor gemakzucht worden.

    Schijn is jouw probleem

    Hier komt ‘schijn’ naar voren. Schijn is de buitenkant die jij laat zien: functies, e-mailadressen, visitekaartjes, de ruimte die je iemand geeft aan tafel, het feit dat je iemand wekenlang laat onderhandelen, informatie laat ophalen en zelfs een eerste factuur laat betalen zonder ooit te zeggen: “Let op, hij mag niets toezeggen.”

    Schijn is zelden kwaadwillig. Het is vaak rommel. Iedereen is druk, taken zijn verdeeld, iemand springt even bij. Maar precies die rommel kan voor de wederpartij heel overtuigend zijn. En als jij die schijn hebt gewekt of hebt laten voortbestaan, dan kan het recht de gevolgen aan jou toerekenen. Dan kom je er niet meer onderuit, ook als je intern vindt dat het ‘eigenlijk’ anders lag.

    Dat voelt soms onrechtvaardig, vooral voor organisaties. Maar het is in feite een kwestie van discipline: als jij het verschil kent tussen ‘wel bevoegd’ en ‘niet bevoegd’, dan ben jij ook degene die het verschil zichtbaar kan maken. De wederpartij ziet immers alleen wat jij laat zien.

    De misvatting van de interne regel

    Interne regels zijn echt. Mandaten, limieten, dubbele handtekeningen, ‘eerst langs legal’. Het punt is alleen: ze werken vooral intern. Wie pas corrigeert zodra de factuur komt, probeert een interne regel achteraf als schild te gebruiken.

    Dit is het hardnekkige misverstand: men verwart ‘wat wij hadden afgesproken’ met ‘wat de ander had moeten begrijpen’. In het dagelijks verkeer is ‘moeten begrijpen’ geen verwijtvraag, maar een vraag naar kenbare aanwijzingen. Heb je het gezegd? Heb je het vastgelegd? Heb je het gedrag gecorrigeerd toen je de kans had?

    Wanneer vertrouwen niet meer mag

    De bescherming van vertrouwen heeft ook een rem. Niet elk vertrouwen is gerechtvaardigd. Hoe groter het belang, hoe zwaarder de onderzoeksplicht. Als een deal afwijkt van wat gebruikelijk is, als de ander aarzelt, als de voorwaarden extreem zijn, of als je merkt dat de gesprekspartner steeds wegduikt achter ‘ik moet het nog even intern afstemmen’, dan heb je de plicht om te vragen wie bevoegd is en om een duidelijke bevestiging te vragen.

    Het ongemak is dat dit precies het punt is waarop mensen sociaal willen zijn. Je wilt niet moeilijk doen. Je wilt de vaart erin houden. Maar juridisch gezien is ‘niet moeilijk doen’ geen argument. Dat wordt gezien als ‘een keuze om risico te nemen’.

    Praktische tegenzetten

    Je kunt dit probleem bijna altijd kleiner maken, aan beide kanten van de tafel.

    1) Maak aan het begin van een traject één ding expliciet: wie kan binden. Niet als juridische bijsluiter, maar als praktische afspraak. ‘Onder voorbehoud van schriftelijke bevestiging door X’ is geen wantrouwen, maar basisdiscipline in communicatie.

    2) Als je onderhandelt namens een organisatie: laat je eigen rol niet in het midden. Een e-mailhandtekening met functie, afdeling en eventueel een zin over bevoegdheid voorkomt dat de wederpartij later zegt: ‘Dat mocht ik toch aannemen?’

    3) Corrigeer ‘schijn’ onmiddellijk. Als iemand in jouw naam iets toezegt wat niet klopt, reageer dan meteen. Stilte is een signaal dat later in een conflict wordt geïnterpreteerd als instemming.

    4) Als je aan de ontvangende kant zit: vraag niet om ‘een volmacht’, vraag om een bevestiging op het juiste niveau. Een kort mailtje van de beslisser is vaak genoeg om maanden discussie te voorkomen.

    5) Voor grotere bedragen of langere verplichtingen: kies voor een vaste afsluitstap. Eén document, één akkoord, één naam. Niet omdat papier magisch is, maar omdat het de schijn en het geheugen duidelijk vastlegt.

    Toetsvraag

    Welke indruk wek je, en zou je die indruk ook willen verdedigen als het misgaat?

    Slot

    Schijn is geen bijzaak. Schijn is vaak al de handtekening.

  • Schikken is rekenen

    Je kunt een zaak winnen en toch moeten schikken. Dat klinkt als een paradox, maar het is vooral een rekenprobleem dat zich voordoet zodra ‘gelijk hebben’ niet hetzelfde is als ‘klaar zijn’.

    Kort geleden stond ik een cliënt bij in een geschil dat, kort gezegd, om EUR 140.000 draaide. In eerste aanleg was mijn cliënt eiser; zijn verzoeken werden toegewezen en de tegenverzoeken van de wederpartij werden afgewezen. De wederpartij kondigde hoger beroep aan. Mijn cliënt wilde vooral niet dat het traject nog een jaar zou voortslepen, met de daarmee verbonden extra kosten en extra tijd. Daarom deed hij een schikkingsvoorstel.

    Het wringt dat je nog moet betalen terwijl de rechter je al gelijk heeft gegeven. Daarom moet je bij een schikking terug naar de kernvraag: wat koop je precies af?

    De wederpartij vond dat ‘een middenweg’ voor de hand lag. Hun conclusie lag al klaar: mijn cliënt moest EUR 70.000 betalen om het hoger beroep in te trekken. Mijn zakelijke insteek was: maximaal EUR 25.000. Niet omdat ik star wil zijn, maar omdat ik in dit soort gevallen eerst reken en pas daarna weeg.

    Wat koop je af?

    Een schikking is geen morele uitspraak maar een prijskaartje op onzekerheid: je koopt in de kern drie posten af, namelijk financiële kosten, het risico op verlies en tijd.

    Ten eerste: financiële kosten. Een hoger beroep kost geld, ook als je wint. Die kosten bestaan in beginsel hoofdzakelijk uit advocaatkosten en proceskosten. Als je redelijk kunt inschatten wat het vervolgtraject kost, dan is dat een harde component. In mijn voorbeeld leek het vervolg grotendeels een herhaling van zetten en zou deze post onder de tienduizend euro blijven.

    Ten tweede: het risico dat je de zaak verliest. De pijn zit meestal niet in ‘kosten’, maar in ‘wat als’. Je kunt in eerste aanleg glansrijk winnen en toch in hoger beroep iets kwijtraken: door een andere waardering, nieuw tegenbewijs, een beter uitgewerkte grief of simpelweg pech. Schikken is dan een soort verzekeringspremie (een hedge): je betaalt een bedrag om de kans op een slechte uitkomst te neutraliseren. In mijn inschatting lag die kans in het voorbeeld onder de tien procent. Uiteraard is dat geen zekerheid, maar een werkhypothese op basis van het dossier, de argumentatie en een inschatting van de competentie van de (ingeschakelde) professionele partijen.

    Ten derde: tijd. Tijd is geen romantische factor, maar een zakelijke factor. Een onafgerond geschil verlamt beslissingen. Soms is dat puur ‘opportunity loss’: je kunt niet plannen, niet verder ontwikkelen, niet verkopen. Soms is het ook gemoedsrust: een slepend geschil blijft beslag leggen op de bandbreedte in je hoofd. Dat is geen juridische noodzaak, maar het mag meetellen. Noem het dan wel wat het is: je koopt rust.

    De valstrik van de ‘middenweg’

    Het woord ‘middenweg’ klinkt redelijk, maar is vaak een tactiek. Het suggereert dat de waarheid ergens in het midden ligt, simpelweg omdat er twee posities zijn. Alsof een verschil automatisch symmetrie bewijst. Dat is retoriek, geen analyse.

    Als je dat accepteert, laat je de inhoud ongemerkt verdwijnen. Dan ga je niet meer praten over de vraag wie juridisch sterk staat, maar over wie het meest bereid is om van zijn eigen gelijk af te stappen. De wederpartij zet een anker hoog neer, noemt het ‘midden’ en hoopt dat jij of je cliënt het frame overneemt.

    De tegenzet is vervelend en nuchter. Je brengt de berekening terug naar de drie posten: kosten, risico, tijd. En je vraagt door: “Welke onzekerheid wil je precies afkopen, en waarom voor dit bedrag?” Niet om de ander te overtuigen, maar om jezelf te dwingen niet in een sfeer van ‘redelijkheid’ weg te drijven van de realiteit.

    Rekenen met aannames

    Het bepalen van een schikkingsbedrag blijft lastig. Je werkt met inschattingen, niet met zekerheden. Dat is niet erg. Het wordt pas gevaarlijk als je je aannames niet benoemt en toch doet alsof het bedrag ‘gewoon redelijk’ is.

    Rekenen onder onzekerheid betekent niet dat je de waarheid in decimalen kunt uitdrukken. Het betekent dat je je aannames zichtbaar maakt. In deze casus lag mijn rekenkundige bovengrens grofweg op: verwachte extra kosten (maximaal EUR 10.000) plus de kans op verlies (maximaal 10%) maal het nadeel bij verlies (EUR 140.000). Dat komt uit op circa EUR 24.000. Ik rondde dat af naar EUR 25.000 als praktische bovengrens, omdat ronde bedragen in een onderhandeling nu eenmaal een eigen werking hebben.

    Belangrijk detail: de wederpartij moet dezelfde berekening maken. Ook zij heeft kosten en onzekerheid. Ook zij koopt tijd af. Als zij doet alsof alleen jij ‘iets afkoopt’ en zij niet, dan is dat geen argument, maar een onderhandelingstactiek.

    Wie de eerdere stukken over ‘rechtmatigheid’ en over ‘bewijs’ las, herkent het onderliggende patroon: je wilt wegblijven bij woorden die lekker klinken en terug naar wat toetsbaar is. Ook hier. Niet ‘middenweg’, maar aannames. Niet ‘redelijk’, maar dragende posten.

    Toetsvraag

    Als je merkt dat je gaat schikken op gevoel, stel jezelf één vraag: “Welke drie posten koop ik nu af, en wat betaal ik per post: (i) kosten, (ii) kans op verlies en (iii) tijd?”

    Slot

    Schikken is geen laf compromis. Het is de discipline om een prijs te hangen aan onzekerheid en vervolgens te besluiten of je die prijs het waard vindt.

    P.S. In de genoemde casus is na ampele overwegingen geschikt voor EUR 35.000, omdat de cliënt duidelijk aangaf dat zijn gemoedsrust hem meer waard was dan het rekenkundig maximum dat ik met hem deelde. Dat is een begrijpelijke afweging.

  • Bewijs of lawaai

    Wat doe je als twee verhalen botsen en allebei plausibel klinken? Dan is de vraag niet wie het meest verontwaardigd is, of wie het meest sympathiek overkomt. Dan is de vraag: “Wat is toetsbaar?”

    Wie het stuk over ‘Rechtvaardigheid’ heeft gelezen, herkent het patroon. ‘Rechtvaardig’ is vaak een sterk gevoel, maar te rekbaar om beslissend te mogen zijn. Met feiten werkt het net zo. “Ik weet zeker dat het zo is!” kan oprecht zijn, en toch onbruikbaar als beslisgrond. De oplossing van een geschil kan niet leunen op iemands innerlijke zekerheid. Die moet leunen op controleerbaarheid.

    Van bewering naar betwisting

    Een bewering is een uitspraak over de werkelijkheid. “Hij heeft betaald.” “Zij heeft toestemming gegeven.” “Die afspraak is gemaakt.” Zolang de ander knikt, is er geen probleem. Het probleem begint op het moment dat de ander betwist. Dan verschuift het gesprek van ‘ik vind’ naar ‘ik kan laten zien’.

    Dat klinkt streng, maar het is in feite een vorm van beschaving. Het voorkomt dat toon, volume en reputatie beslissen. Zodra er betwisting is, moet je de bewering ontleden. Welke onderdelen staan vast, en welke worden betwist? Veel discussies blijven hangen omdat men één grote zin verdedigt, terwijl de strijd in één detail zit.

    Bewijs als toets, niet als decor

    Bewijs is alles wat een bewering uit het hoofd van de spreker haalt en op tafel legt: documenten, e-mails, tekstberichten, foto’s en verklaringen. Het punt is niet dat bewijs indruk maakt. Het punt is dat bewijs controle mogelijk maakt.

    En niet elk bewijs is gelijk. Een eigen verklaring is vaak het begin van een verhaal, niet het einde. Een bevestiging door een vriend kan helpen, maar is zelden doorslaggevend. Hoe groter het eigen belang, hoe meer je steun nodig hebt van bronnen die minder gekleurd, minder partijdig zijn. Kwaliteit zit in onafhankelijkheid, detail, verifieerbaarheid en consistentie. Een stapel papier kan nog steeds leeg zijn als hij niets vastpint.

    Bewijslast is zowel plicht als risico

    Het woord waar iedereen over struikelt is ‘bewijslast’. Bewijslast is twee dingen tegelijk: (a) een plicht – wie móét een feit onderbouwen?, en (b) een risico – wie verliest dat punt als het feit onzeker blijft?

    De vuistregel is simpel: wie iets claimt en daarvoor een feit nodig heeft, moet dat feit op tafel leggen. De eerste stap ligt meestal bij degene die iets claimt. Komt de ander met een uitzondering, dan moet hij juist aantonen waarom die uitzondering van toepassing is.

    Dat is hard, maar onvermijdelijk. Zelfs na vragen, stukken en verklaringen kan er twijfel overblijven. Dan moet je weten bij wie die twijfel blijft liggen. Ligt de bewijslast bij jou, dan is twijfel fataal: als het je niet lukt om het punt voldoende hard te maken, dan valt dat punt in jouw nadeel uit. Ligt de bewijslast bij de ander, dan hoef jij meestal niet ‘het tegendeel te bewijzen’, maar vooral te laten zien waar zijn verhaal leunt op aannames, en waar zijn bewijs gaten laat.

    Dat maakt bewijslast praktisch: het bepaalt je volgorde van werken. Het bepaalt wat je eerst moet uitzoeken, welke gaten fataal zijn, en welke gaten je nog kunt verdragen.

    De verleiding: omkering

    In het dagelijks leven is er een luie truc. Iemand doet een zware bewering en schuift de onderbouwing naar de ander. “Dat is toch bekend.” “Dat zie je toch.” “Iedereen weet hoe dit gaat.” Daarmee wordt ontkennen de hoofdtaak. Het gesprek verandert in een uitputtingsslag: degene met de meeste energie wint, niet degene met de beste grond.

    De tegenzet is saai, en juist daarom effectief: maak de bewering concreet, vraag naar de dragende feiten, vraag naar het bewijs. Niet: “bewijs maar dat het niet zo is.” Wel: “wat stel je precies, en waarop rust dat.”

    Professionele aanpak

    Hoe frustrerend het ook is: er is maar één weg door bewijs en bewijslast, en die weg is vaak omslachtig.

    1) Maak de claim zo klein en scherp mogelijk. Eén zin die je kunt aanwijzen. Niet “Hij heeft mij altijd tegengewerkt.”, maar “Op datum X is afspraak Y niet nagekomen.” of “Op moment Z is dit bericht verzonden.”

    2) Splits de bewering in deelvragen. Wat staat vast? Wat wordt betwist? En: Welke onderdelen doen er eigenlijk toe? Veel ‘bewijsproblemen’ zijn in feite selectieproblemen.

    3) Koppel per deelvraag het beste beschikbare bewijs en schrijf erbij wat ontbreekt. Als je een leegte ziet, heb je een keuze. Je zoekt beter bewijs, of je maakt je stelling kleiner, voorwaardelijk of voorlopig. Dat voelt soms als terugkrabbelen, maar het is het tegenovergestelde. Het is methodiek: je zegt alleen wat je kunt hardmaken.

    Bewijslast is een discipline: voordat je gaat verzamelen, bepaal je wie het punt móét dragen. Wie een feit nodig heeft voor zijn conclusie, moet kunnen uitleggen waarop dat feit rust en wat er gebeurt als dat niet lukt.

    Bewijslast is een discipline: voordat je gaat verzamelen, bepaal je wie het punt móét dragen. Wie een feit nodig heeft voor zijn conclusie, moet kunnen uitleggen waarop dat feit rust en wat er gebeurt als dat niet lukt.

    Toetsvraag

    Als je voelt dat je in retoriek schiet, stel jezelf één vraag: “Wat blijft er van mijn verhaal over als de lezer mijn overtuiging wegdenkt?” Het antwoord is je bewijspositie.

    Slot

    Zonder onderbouwing blijft een stelling lawaai, hoe stellig hij ook klinkt.

  • Rechtvaardigheid is geen betrouwbaar alternatief voor rechtmatigheid

    Wat doe je als jouw gevoel voor ‘rechtvaardigheid’ botst met de uitkomst die het recht oplevert? De stelling die daaronder ligt is ongemakkelijk: als maatstaf is ‘rechtvaardigheid’ namelijk te rekbaar om beslissend te mogen zijn. Het begrip ‘rechtmatigheid’ is bedoeld om beslissingen herhaalbaar te maken en persoonlijke opvattingen te begrenzen.

    Begripsafbakening

    Rechtvaardigheid is de morele beoordeling van een uitkomst: of die eerlijk, billijk en menselijk is. Dat oordeel is vaak intuïtief en sterk, maar ook wisselend per persoon, per achtergrond, per tijd en soms zelfs per gemoedstoestand.

    Rechtmatigheid betreft de vraag of een beslissing past binnen een vooraf kenbaar en algemeen kader, en of dat kader correct is toegepast op het specifieke geval. Het gaat dan niet om wat het meest bevredigend voelt, maar om wat je kunt uitleggen als regel en reden. Niet “Ik vind dit.”, maar “Dit volgt hieruit.”

    Waarom afbakening noodzakelijk is

    Rechtvaardigheidsgevoelens vallen in de eerste plaats niet samen. In een gedeelde omgeving kan het lijken alsof er één vanzelfsprekende ‘juiste’ uitkomst is. Dat is vaak een bubbel-effect: je deelt dezelfde normen, dezelfde ergernissen, dezelfde intuïties. Zodra die gedeelde achtergrond ontbreekt, staat het begrip ‘rechtvaardig’ niet meer voor één maatstaf, maar voor een van de concurrerende maatstaven.

    In de tweede plaats heeft een samenleving regels nodig die vooraf formuleerbaar en achteraf toepasbaar zijn op heel veel verschillende gevallen. Dat vraagt om abstractie. En een algemeen toepasbare abstractie schuurt, omdat mensen hun eigen geval als uniek ervaren. Die abstractie is de prijs voor voorspelbaarheid en gelijke behandeling: zonder die stap krijg je geen duidelijke norm, maar een reeks losse beoordelingen die op elkaar lijken en toch telkens anders uitpakken.

    Ten derde omdat recht een vorm van zelfbeheersing organiseert. Goede bedoelingen of oprechte overtuigingen zijn niet genoeg. Het recht is er juist voor situaties waarin mensen overtuigd zijn van zichzelf, maar niet van elkaar. Dan heb je iets nodig dat niet afhangt van wie het luidst verontwaardigd is, het mooist vertelt, of het grootste verlies claimt.

    De afstandelijke blik van de rechter

    Als je verliest terwijl je denkt dat je gelijk hebt, voelt het al snel alsof de rechter je niet ‘ziet’. Dat is een begrijpelijke ervaring. Maar het probleem is meestal niet dat de rechter geen mens is. Het probleem is dat de rechter een andere opdracht heeft dan jouw morele intuïtie bevestigen.

    Kort gesteld moet de rechter beslissen alsof de zaak morgen opnieuw kan terugkomen. Niet dezelfde personen, wel dezelfde structuur. En hij moet kunnen uitleggen waarom hij vandaag deze keuze maakt, zó dat hij die keuze morgen ook kan verdedigen als de rollen zijn omgedraaid. Daarom zie je als buitenstaander vaak vooral de rechtvaardiging: de vertaling van oordeel naar redenen die controleerbaar zijn voor anderen.

    Het probleem van de verleidelijke oplossing

    Wanneer rechtmatigheid botst met wat ‘goed voelt’, komt de reflex: maak het recht menselijker. Geef meer ruimte aan context, aan omstandigheden, aan het unieke verhaal. Dat klinkt nobel, en soms is die ruimte ook nodig. Maar er schuilt een groot risico in.

    Als ‘rechtvaardigheid’ zonder stabiel criterium beslissend wordt, verschuift de beslissing naar projectie en smaak en persoonlijke voorkeur. Dan verschuift de vraag van ‘welke regel geldt hier, en waarom?’ naar ‘welk verhaal overtuigt, wie sympathie wekt, wie redelijk lijkt’. Dat is geen correctie op hardheid, maar een ondermijning van betrouwbaarheid.

    Je kunt dat testen met één eenvoudige gedachte: als de regel pas ná de uitkomst wordt gekozen, dan is de regel geen maatstaf maar een rechtvaardiging achteraf. Dan noem je het ‘rechtvaardig’, maar in werkelijkheid is het: “dit is de uitkomst die ik wilde, dus zoek ik er een reden bij”.

    Lakmoesproef

    Voor een beginnende student is er één vraag die je als noodrem kunt onthouden, juist op het moment dat je voelt dat iets ‘niet klopt’:

    “Wil je een uitkomst die goed voelt, of wil je een regel die ook standhoudt als jij morgen de ander bent?”

    Die vraag dwingt je om te schakelen. Niet om morele intuïtie als onzin weg te zetten, maar omdat het niet de enige beslissingsgrond mag zijn. De vraag maakt zichtbaar wat je eigenlijk vraagt: een bevredigende uitkomst voor dit geval, of een herhaalbare norm die ook werkt als jij de andere partij bent.

    Conclusie

    Rechtvaardigheid en rechtmatigheid zijn geen vijanden. Rechtmatigheid is de voorwaarde om rechtvaardigheid überhaupt bespreekbaar te houden in een pluralistische samenleving. Zonder rechtmatigheid wordt ‘rechtvaardig’ een label dat iedereen op zijn eigen voorkeur plakt.

    Binnen het kader van rechtmatigheid blijft er daarna een moeilijke vraag over: hoeveel beoordelingsruimte laat je toe, zonder willekeur te organiseren. Dat is een echte spanning, en niet op te lossen met slogans als ‘menselijker recht’. De volwassen versie van die slogan is: menselijkheid waar het kan, maar regels die standhouden als jij morgen de ander bent.

  • Intermezzo: op zoek naar een lijn

    Dagelijks publiceren dwingt je niet alleen tot schrijven, maar tot kiezen van een route voor de lezer.

    Een blog dat alleen maar een ‘step into my head’ is, leest als een ontplofte boekenkast. Alles ligt er: bruikbaar materiaal en onduidelijke stapels door elkaar. Zonder plattegrond is het verschil tussen bruikbaarheid en rommel verrassend klein.

    Vorige week merkte ik dat dit project meer blootlegt dan ik vooraf verwachtte. Het is uiteraard geen dagboek, maar het komt er soms dichtbij. Niet omdat ik het als dagboek schrijf, maar omdat publiceren zichtbaar maakt wat ik doe. Ik zie ook wat ik vooruit schuif, terwijl ik het presenteer als zorgvuldigheid.

    Tot nu toe beet ik me vooral vast in de tekst zelf. Zinnen passend maken, voorbeelden net scherp genoeg, alinea’s die doen wat ze moeten doen. De vorm van het blog als geheel schoof ik vooruit. Dat is precies verkeerdom. Als je elke dag een stukje publiceert, wordt de vorm geen ding voor later. Zonder kapstok wordt zelfs de beste inhoud onvindbaar.

    Mijn terugkerende thema’s zijn herkenbaar: drogredenen, biases, fallacies en de korte routes die mensen nemen als denken inspannend wordt. Heuristieken, vuistregels en kleine ‘wetmatigheden’ interesseren me. Het zijn bruikbare kapstokken om onderwerpen systematisch uit te lichten. Voor een neutraal en generiek overzicht is er Wikipedia. Ik wil een onderwerp laten leven en toetsbaar maken. Het moet een referentie kunnen worden waar je later iets aan hebt.

    Vorige week zette ik zeven principes op een rij en werkte er elke dag eentje uit. Dat werkte omdat het de opdracht overzichtelijk genoeg maakte en er samenhang ontstond. Maar ik herken nog steeds de drang naar ‘compleetheid’: nog een overzicht, nog een lijst, nog wat context, zodat het af voelt. Dat kan nuttig zijn, maar een column is geen boek. Het biedt een concept en misschien wat ‘food for thought’.

    Die spanning zie je ook bij onderwerpkeuze. Ik zou gerust een maand over Trump kunnen schrijven, niet omdat dat verheffend is, maar omdat het eindeloos materiaal biedt voor status, groepsdenken, rationalisaties en korte routes. Maar ik geloof niet dat iemand daarop zit te wachten. De vraag is of de selectie interessant genoeg is om een belofte in te lossen. Een lijn kiezen en vasthouden, zonder jezelf in te metselen, is een noodzakelijke keuze.

    Die selectie geldt ook voor de manier waarop je schrijft. Na een week merkte ik drie dingen: stokpaardjes komen onmiddellijk boven, een blogstuk hoeft niet lang te zijn, en eindeloos schaven levert na een zeker moment vooral marginale winst op. In de juridische praktijk is perfectionisme soms een deugd, omdat het risico’s afdekt. In dit project kost het vooral tijd.

    De ambitie moet dus anders: een thema met per stuk een uitwerking van een basisgedachte en in ieder geval één interessante extra invalshoek als toegevoegde waarde. En dan doorzetten.

    Er is nog een valkuil: ergernissen. Ze zijn bruikbaar als startmotor, maar ze mogen niet ontaarden in rants. Als irritatie de brandstof is, moet de argumentatie het stuur zijn. Anders wordt het lawaai.

    Het meest praktische resultaat tot nu toe is eenvoudig: elke dag een uitdaging die diezelfde dag af moet, maakt mij efficiënter. De deadline dwingt tot keuzes, en vooral tot het laten liggen van wat niet per se nog completer hoeft te zijn. Daarom kies ik komende week een zichtbare lijn: zes rechtsprincipes die voor iedereen handig zijn om te kennen. Niet omdat zo’n lijst het doel is, maar omdat een dergelijke reeks een heldere ingang biedt. Als het goed gaat, wordt het geen stapel, maar een praktische collectie met een duidelijke lijn.

    Een lijn is gastvrijheid.

  • Remmende voorsprong

    Later beginnen kan sneller gaan: je bouwt zonder ballast en met andermans leergeld als handleiding.

    Je wilt één ding aanpassen, een kwartier werk, en dan blijkt het een kettingreactie. Omdat er een reeks randvoorwaarden is gegroeid. Iemand zegt: “If it ain’t broke, don’t fix it.”, en een kleine ingreep wordt een project: de machine is log, haperend en wars van vernieuwing.

    In een gevestigd en doorontwikkeld systeem is alles verweven. Draaien aan één knopje heeft gevolgen op veel andere plekken. Voorsprong betekent: bestaande investeringen, afspraken, afhankelijkheden en risico’s. Die ene klantbelofte gijzelt nu elke vernieuwing. Die ene interne afspraak was ooit handig, maar vertraagt nu elke beslissing. Hoe meer er van die machine afhangt, hoe groter de reflex om afwijkingen te blokkeren. Met volwassen compliance en governance zie je overal beren op de weg. Er staat te veel op het spel, dus is de reflex: niet doen.

    De laatkomer heeft dat probleem meestal niet. Minder koppelingen, minder uitzonderingen, minder historie die mee moet. Zijn oplossing kan rammelen, maar hij krijgt hem wel sneller van de grond, juist omdat er minder aan vastzit en minder reputatie op het spel staat. Als het tegenvalt, is het een leermoment. Bij de gevestigde partij voelt hetzelfde tegenvallen als een schuldvraag:

    Eén toetsvraag volstaat: wat bescherm je hier eigenlijk? Een principe, een investering, een reputatie, een oude afspraak, of alleen systeemrust? ‘Rust roest’ is een cliché, maar het wordt waar op het moment dat stilstand wordt verward met zekerheid.

    Soms is het gewoon volgen. Een ander heeft het probleem al scherp gekregen en de discussie al uitgevochten. Jij hoeft de leercurve van de pionier niet meer te betalen: zijn beginnersfouten zijn jouw routekaart. Reverse engineering en nabouwen zijn makkelijker dan uitvinden. Minder romantisch ook: je hoeft geen pionier te zijn om vooruit te komen, vooral niet dezelfde afgrond in. Niet zelden wint de tweede of derde speler. Google was niet de eerste zoekmachine, en de iPhone niet de eerste smartphone. De pionier betaalt leergeld, legt de markt uit en maakt fouten in het volle licht; de volger kan meteen bouwen op wat bewezen werkt. En precies daar gaat voorsprong remmen: wat je al hebt gebouwd, verkocht en beloofd, maakt koerswijzigingen duurder dan ze technisch hoeven zijn.

    In de rechtspraktijk zie je hetzelfde bij partijen die op routine draaien. De gevestigde speler komt met het standaarddossier: alles wat ooit relevant was, gaat mee, inclusief oude aannames en oude reflexen. De laatkomer kan zich beperken tot wat de rechter nu nodig heeft, omdat veel discussiepunten in de praktijk al zijn uitgekauwd. Voorsprong levert dan geen scherpte op maar volume, en volume vertraagt.

    Die remmende voorsprong heeft een functie, maar vooral in het kleine. Lagen en checks zijn ooit toegevoegd om gedoe te voorkomen: fouten, claims, reputatieschade, politieke ellende, interne strijd. Op den duur daalt het rendement. Dan wordt het middel zwaarder dan de kwaal en krijg je de paarse krokodil: eerst een onzinnige omweg, pas daarna de oplossing. Het venijn zit in de optelsom. Wat begon als verstandige voorzichtigheid wordt vanzelfsprekendheid en wordt verward met kwaliteit: hoe meer procedure, hoe serieuzer het voelt. Vaak is het iets anders: risicomanagement dat zichzelf als werk legitimeert. Niemand wil degene zijn die de machine stilzet of een compliance-risico heeft gemist, dus krijgt ‘voorzichtig’ status los van de uitkomst.

    De voorsprong remt ook omdat er veel te verliezen valt en het zelfbeeld ervan afhangt. De organisatie die ooit pionier was, kan het zich niet permitteren om te mislukken. Dan wordt voorzichtigheid status en experimenten veranderen in theater. De voorsprong wordt een glazen vitrine: mooi om naar te kijken, lastig om open te breken. Daarom moet je durven afkoppelen.

    De uitweg is niet harder duwen op wat verstopt zit, maar afkoppelen en versimpelen waar de voorsprong remt: een parallel spoor, een proef die klein genoeg is om te falen zonder gezichtsverlies, een beslissing die de oude orde niet eerst hoeft te sparen. Dan kan de machine leren zonder zich meteen te moeten bewijzen. Schaal maakt verandering duurder en missers zichtbaarder.

    ‘Small is beautiful’ klopt omdat minder onderdelen minder frictie geven. Het verschil zit niet in inspanning, maar in frictie: minder ballast, minder reputatie om te verdedigen en soms beter gereedschap bij de start.

    De remmende voorsprong bewijst dat meer historie ook inhoudt dat er meer in de weg zit.

  • Afnemend rendement

    Naarmate het werk verschuift van kern naar detail, wordt extra inzet minder effectief: steeds hogere kosten voor steeds minder toegevoegde waarde.

    De eerste versie van een tekst is een flinke stap: de boodschap wordt zichtbaar. In de tweede ronde wordt het duidelijker. Daarna verschuift het werk van grote ingrepen naar nuance en afwerking. Je verbetert nog wel, maar elk extra uur levert minder winst op. In het vierde uur werk je aan de randen: net iets duidelijker, net iets strakker, net iets mooier. Dat kan nodig zijn, maar twee keer zo lang schaven maakt een toch al redelijke tekst niet twee keer zo goed. Die wordt vooral duurder.

    Daarom is kwaliteit duur: de stap van ‘redelijk’ naar ‘goed’ kost disproportioneel veel tijd en aandacht.

    Economen noemen dat ‘diminishing returns’. Als je aan één knop blijft draaien terwijl de rest gelijk blijft, neemt de extra opbrengst per stap af. De opbrengst kan nog stijgen, maar elke extra stap levert minder op. Soms slaat het zelfs om: extra inzet gaat dan tegenwerken. Het klassieke beeld is de fabrieksvloer: met een vaste set machines levert de eerste extra bezetting veel op, maar daarna zitten mensen elkaar vooral in de weg.

    Het misverstand is dat dit alleen economie is. In het dagelijks leven verklaart het waarom je agenda volloopt zonder dat de uitkomst even hard meegroeit. Bij studeren zie je hetzelfde: extra uren vergroten je begrip, maar twee keer zoveel tijd levert geen cijfer dat twee keer zo hoog is op. Gezondheid werkt net zo: de stap van zeer ongezond naar redelijk gezond levert veel op; daarna wordt de extra winst van verdere optimalisaties steeds kleiner.

    Organisaties zijn er dol op om die keuze te verbergen achter activiteit. De eerste euro’s marketing zijn vaak zichtbaar: een website die werkt, een basiscampagne, een heldere boodschap. Daarna wordt het een wedstrijdje bereik najagen, terwijl de extra klant steeds duurder wordt. En toch voelt ‘meer’ als de veilige keuze. Technologie kent dezelfde kromme: de eerste prestatieverbeteringen aan een app zijn spectaculair, daarna besteed je weken aan winst in milliseconden. Je kunt dat verdedigen: in competitieve markten telt elk voordeel en het detail maakt het verschil. Dat klopt. Alleen: zonder gevoel voor afnemende meeropbrengst verandert optimaliseren in ritueel.

    Waarom gebeurt dat zo vaak stilzwijgend? Omdat ‘meer’ sociaal veilig is. Meer uren, regels, controle, functies, overleg. Doorgaan voelt als deugd. Het gevolg is dat het verzadigingspunt ongemerkt opschuift. Wie blijft bijsturen op inspanning in plaats van op opbrengst, draait aan dezelfde knop, omdat de beweging zelf een bewijs van ernst is.

    Het patroon zie je ook in beleid en recht. Basisregels voor contracten, aansprakelijkheid en mededinging leveren veel winst op, omdat ze voorspelbaarheid creëren. Daarna volgt detail op detail: uitzonderingen, toelichtingen, uitvoeringslasten. De bescherming neemt nog toe, maar steeds minder, terwijl de nalevingskosten blijven oplopen.

    Handhaving werkt vergelijkbaar: extra capaciteit pakt eerst het makkelijke werk aan; daarna daalt de winst per extra controle. Soms wordt het zelfs negatief: extra regels of controles kunnen zoveel frictie opleveren dat ontwijken aantrekkelijker wordt dan naleving.

    De conclusie is nuchter. ‘Diminishing returns’ is geen oproep om minder te doen, maar om anders te doen. Als de marginale opbrengst daalt, wil je niet automatisch inzet bijplussen, maar een andere factor veranderen: slaap, feedback, samenwerking, hulpmiddelen, of simpelweg een tweede onderwerp dat nog wél een hoog rendement heeft. Bij schrijven betekent dat: niet nog een rondje polijsten, maar één scherpe feedbackronde of een nacht slaap.

    De maatstaf is helder. Als iemand zegt: “Nog één rondje”, zeg dan wat die extra stap oplevert vergeleken met de vorige. Kun je dat niet, dan is het geen rendement. Rendement begint waar je durft te zeggen: genoeg, nu iets anders.

    Geen concrete winst? Geen extra stap.

  • Sunk Cost Fallacy

    De sunk cost drogreden is zelden een rekenfout; vaker is het een ego-reflex: doorgaan voelt als consequent zijn, maar je laat het verleden de toekomst bepalen.

    Het mechanisme zie je het duidelijkst bij iets alledaags. Je koopt een bioscoopkaartje. Na twintig minuten merk je dat je vooral op je horloge zit te kijken. De juiste reactie is niet dat je blijft zitten ‘omdat je er al voor hebt betaald’. Het geld is al weg; de vraag is wat je met de rest van je avond doet.

    Die ‘sunk cost fallacy’ is de drogreden waarbij je een oud verlies probeert te rechtvaardigen door er een nieuw verlies aan toe te voegen. In het Engels heet dat ook wel ‘throwing good money after bad’.

    Zodra er tijd, geld of reputatie aan een keuze verbonden is, verschuift het gesprek. Niet naar de toekomst, maar naar het verleden: hoeveel er al in is gegaan en hoe pijnlijk het zou zijn om dat als ‘verloren’ te moeten erkennen.

    In de economie heet dat een ‘sunk cost’: gemaakte kosten die je niet kunt terugdraaien. Rationeel tel je die niet mee voor de keuze die nu voorligt, omdat ze, ongeacht je volgende stap, al zijn gemaakt. Je hoort te kijken naar de marginale kosten en baten vanaf nu: wat kost de volgende stap, en wat levert die naar verwachting op?

    In de boekhouding schrijf je een investering af om haar definitief in het verleden te plaatsen: je accepteert dat de prijs niet meer ‘te redden’ is op de balans van vandaag. Bij sunk costs hoort iets vergelijkbaars, maar dan mentaal. Het verleden is afgeschreven: pijnlijk, betaald, klaar. Als je het niet afschrijft, blijft het als drukmiddel rondzingen in elk vervolgbesluit.

    Bij tijd en aandacht werkt hetzelfde, maar stiller. Als je halverwege een boek zit dat nergens heen gaat, kun je stoppen en iets anders lezen. Doorlezen ‘omdat ik al zo ver ben’ herstelt niets; je vergroot het verlies. Hetzelfde geldt voor een serie die na een paar afleveringen nog steeds geen plezier oplevert. De drang naar afronding en het verlangen naar een vinkje zijn begrijpelijk, maar ze maken geen tijd vrij. Je verkleint het verlies niet door vol te houden; je vergroot het door er tijd aan toe te voegen.

    Op grotere schaal wordt de fout kostbaar. Een verlieslatend project krijgt een extra budgetronde ‘zodat het niet voor niets is geweest’. Een belegging die structureel tegenvalt blijft liggen “tot ik quitte speel”, terwijl ‘quitte’ vaak een psychologisch doel is: je verdraagt niet dat het verleden in het rood eindigt.

    Ook relaties kunnen op deze logica draaien: wie al jaren heeft geïnvesteerd, ervaart weggaan als het weggooien van die jaren. Hoe langer het duurt, hoe harder de klem. Het verleden wordt niet lichter, het wordt zwaarder.

    Het tegen beter weten in doorgaan met investeren in de exploitatie van de Concorde is zo bekend dat Concorde fallacy synoniem staat voor de sunk cost drogreden. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bleven het toestel financieren, mede omdat er al zo veel geld en prestige in zat en uitstappen werd politiek en juridisch vrijwel onhaalbaar gevonden.

    En dat mechanisme is niet louter historisch. In het Verenigd Koninkrijk doet zich op dit moment vrijwel dezelfde situatie voor bij een hogesnelheidsspoorproject. Bij grote infrastructuurprojecten wordt stoppen moeilijk zodra er veel geld en prestige in zit. Dan klinkt ‘doorgaan’ als consistentie, maar het is vaak reputatiebeheer.

    Doorgaan kan waarde hebben die niet in euro’s of uren is uit te drukken. Soms is afmaken discipline. Soms koop je met doorzetten tijd om te leren, een verplichting na te komen of reputatieschade te beperken. Niet elke volharding is een denkfout. De denkfout begint wanneer de reden voor doorgaan uitsluitend is dat er al veel in is geïnvesteerd, terwijl de kosten verder oplopen en de toekomstige opbrengst achterblijft. Dan is het geen argument meer, maar een dekmantel. Daarom is het een drogreden.

    Daar raakt de zaak aan ego. Stoppen voelt als toegeven dat de eerdere keuze fout was, en dat schuurt aan status en zelfbeeld. In organisaties komt daar reputatie bij: men wantrouwt bijsturen en beloont ‘doorpakken’. Daardoor wordt doorgaan een reputatie-investering, vermomd als rationaliteit. Wharton vat onderzoek samen waaruit blijkt dat zulke vertekeningen sterker zijn wanneer de CEO die de oorspronkelijke acquisitie deed nog in functie is. Het verleden is dan niet alleen boekhoudkundig, maar ook persoonlijk.

    De uitweg is hard en simpel, en juist daarom werkt hij. Trek het verleden los van de beslissing en behandel het als lesgeld: betaald, afgeschreven, klaar. Leg dit criterium op tafel: “Als ik vandaag vanaf nul zou starten, zou ik dit dan nog doen?” Voeg er een tweede vraag aan toe die het ego omzeilt: “Wat is het beste alternatief voor tijd, geld en aandacht als ik nu stop, en is dat alternatief aantoonbaar beter?” Leg een buitenstaander uit wat er nog in moet en wat het kan opleveren, niet hoeveel er al in zit. Vraag dan: “Zou je nu instappen?” Het helpt ook als je vooraf stopcriteria definieert, zodat stoppen later geen drama is maar uitvoering van een afspraak.

    Wie het verleden niet afschrijft, betaalt dubbel.

  • De tragedie van de meent

    Hoe prikkels gedeelde voorzieningen voorspelbaar ondermijnen

    Zet een omheind privéveld naast een gemeenschappelijke weide en het mechanisme wordt zichtbaar. Op je eigen veld geldt een nuchter verzadigingspunt: extra vee loont alleen zolang er genoeg gras is. Zodra een extra dier het voer van je bestaande dieren opeet, stop je vanzelf. Niet uit deugd, maar omdat het je niets meer oplevert.

    Op de gemeenschappelijke weide verdwijnt die koppeling. Een extra dier levert jou de meeropbrengst op, terwijl de kosten van het extra grazen over alle gebruikers worden gespreid. Individueel blijft uitbreiden rationeel, maar collectief wordt het destructief.

    Daarin zit de ‘tragedie’: rationele, kleine keuzes die opgeteld uitmonden in een irrationeel en ongewenst eindpunt. Het probleem is niet dat iets ‘van iedereen’ is, maar dat gebruik ervan onbeperkt is en de kosten worden gedeeld. Daardoor loont nemen meer dan beheren: de opbrengst is privé, de kosten zijn voor rekening van allen, en dus schuift verantwoordelijkheid vanzelf door naar ‘iemand anders’. Dat is de kern: individuele winst op collectieve kosten heeft een voorspelbare afloop.

    Dit dilemma heet de ‘tragedie van de meent’, in het Engels ‘the tragedy of the commons’. Garrett Hardin maakte het breed bekend in zijn korte essay, waarin hij teruggrijpt op een voorbeeld uit een lezing van William Forster Lloyd (1833). Het gaat om prikkels: open toegang met een gedeelde rekening. Aristoteles signaleerde al in de ‘Politica’ (II.3) dat wat van ‘iedereen’ is, zelden door iemand echt wordt onderhouden.

    Hardin trekt die logica van gras naar andere gedeelde voorzieningen: hulpbronnen, ruimte, stilte, toegang en ook de mogelijkheid om afvalstoffen te lozen. Zijn punt is niet dat mensen slecht zijn, maar dat een oproep aan iemands geweten als bestuurlijk instrument zwak is. Als het systeem profiteert van zelfbeheersing, maar die niet beloont, wordt terughoudendheid een verliespost: wie zich inhoudt betaalt, wie doorzet wint.

    Om die reden komt Hardin in zijn essay uit bij een pijnlijk alternatief: “choose-or-acquiesce in the destruction of the commons”. Zonder begrenzing accepteer je dat vrij gebruik resulteert in de ondermijning van de voorziening. Hij stelt dat het noodzakelijk is om gebruik dwingend aan regels te binden, omdat een systeem dat leunt op vrijwillige zelfbeperking de terughoudenden straft: zij leveren opbrengst in, terwijl de ongeremden winnen. Op termijn blijven vooral ongeremden over.

    Daarom volgt bij Hardin ook de zin: “We institute and (grumblingly) support taxes and other coercive devices to escape the horror of the commons.” Belastingen, quota, toegangsbewijzen, vergunningen en boetes zijn in zijn benadering geen morele symbolen, maar noodremmen. Ze trekken een grens rond iets dat anders open blijft. Die grens beperkt vrijheid, maar voorkomt dat de voorziening door overgebruik onherstelbaar achteruit gaat.

    Hardin formuleert het cru: “Injustice is preferable to total ruin.” Dat is een diagnose, geen provocatie. Elk serieus beheer van een ‘commons’ introduceert ongelijkheid. Toegang wordt beperkt, er ontstaan quota, wachtrijen, betalingen, tijdsloten en controles. Iemand wordt uitgesloten of betaalt meer; iemand met bezit, netwerk of tijd komt makkelijker binnen. Dat voelt onrechtvaardig. Hardins stelling is dat die imperfectie te verkiezen is boven onbegrensd gebruik, dat eindigt in waardevernietiging.

    Hetzelfde mechanisme zie je waar iets ‘gratis’ lijkt. Denk aan de studenten die een nationale koeriersdienst startten op basis van een gratis OV-pas. Dat is geen verhaal over slechtheid, maar over prikkels: een persoonlijk voordeel kan worden omgezet in private winst, terwijl de kosten verspreid en onzichtbaar blijven. Wie de mogelijkheid ziet, gebruikt hem. Wie hem niet gebruikt, betaalt toch mee. Open toegang maakt creatief gebruik mogelijk en dat ontaardt snel in overgebruik.

    Dan volgt een praktisch onderscheid. Een gemeenschappelijke voorziening kan werken als de kring van gebruikers ook de kring van betalers en handhavers is, en als buitenstaanders niet onbeperkt kunnen binnenlopen. Binnen zo’n afgebakend systeem vallen baten en lasten uiteindelijk samen, soms via formele regels, soms via sociale druk. Maar zodra je een voorziening openzet voor gebruikers die niet bijdragen en wel verbruiken, verschuift de logica naar de weide van Lloyds: de individuele prikkel is dan om er meer gebruik van te maken, niet om het te onderhouden.

    Een meent hoeft niet altijd te ontsporen. Mensen kunnen samenwerken, normen vormen, elkaar aanspreken en reputatie kan disciplinerend werken. Maar dat ontkent Hardin niet. Hij laat alleen zien dat de ‘oplossing’ vaak al een vorm van begrenzing is: een duidelijke groep, herkenbare deelnemers, handhaving en een consequentie als iemand zich niet houdt aan de norm. Hardin noemt dat “mutual coercion, mutually agreed upon”. De vraag is niet óf er begrenzing komt, maar of je die vooraf organiseert of pas nadat schade ontstaat.

    De praktische consequentie is ongemakkelijk eenvoudig. Bij elke voorziening die ‘van ons allemaal’ is, zijn er drie vragen: wie mag er gebruik van maken, wie betaalt eraan mee en wie handhaaft.

    Als iemand die vragen wegwuift met een beroep op ‘vrijheid’, dan gaat het vaak minder om vrijheid dan om de vraag wie de rekening draagt. En wie onbegrensd kosteloos gebruik verwart met rechtvaardigheid, krijgt vaak precies waar Hardin voor waarschuwt: een moment waarop verdedigen niet meer loont en niemand nog iets verdedigt. Dan blijft er maar één grens over: die van het failliet.

    Wie geen grens durft te trekken, kiest er uiteindelijk voor dat het gedeelde verdwijnt.

  • Achterafnetwerk: twaalf verwanten van de hindsight bias

    Het stuk van gisteren ging over de hindsight bias. Dit stuk is de bijsluiter: verwante denkfouten die het achterafverhaal geloofwaardiger maken en het ‘logisch’ laten klinken. Nu niet opnieuw de hoofdzaak, maar het netwerk eromheen.

    Je ziet ze vaak in dezelfde beweging. Iemand wijst op de uitkomst, plakt er een oordeel aan, en daarna volgt een verhaal dat die uitkomst moet verklaren. Dat verhaal voelt overtuigend, juist omdat meerdere biases tegelijk hun werk doen. Onderstaande lijst is bedoeld als naslag: twaalf familieleden, dicht bij elkaar in effect en in misbruik. Per item een korte duiding en een controlevraag.

    Inhoud

    1. Outcome bias
    2. Severity effect
    3. Moral luck
    4. Choice-supportive bias
    5. Cognitive dissonance reduction
    6. Self-serving en group-serving bias
    7. Overconfidence
    8. Confirmation bias
    9. Congruence bias
    10. Narrative fallacy
    11. Post hoc ergo propter hoc
    12. Selection bias en survivorship bias

    A. Outcome bias, resultaatbias

    Waar het misgaat:

    • Je beoordeelt de kwaliteit van een beslissing aan de uitkomst, niet op basis van wat redelijk was met de informatie van toen.

    Controlevraag: Als ik de uitkomst wegdenk, blijft de beslissing dan nog steeds verdedigbaar?

    B. Severity effect, schade maakt streng

    Waar het misgaat:

    • Hoe groter de schade, hoe harder het oordeel over de eerdere zorgvuldigheid wordt, terwijl de ex ante situatie identiek kan zijn.

    Controlevraag: Zou ik dezelfde norm hanteren als het gevolg klein was gebleven?

    C. Moral luck, toeval als morele versterker

    Waar het misgaat:

    • Twee mensen handelen hetzelfde, alleen de één krijgt pech. Toch schuift het oordeel vaak mee met de pech.

    Controlevraag: Beoordeel ik de handeling, of beoordeel ik het toeval dat eraan vastplakte?

    D. Choice-supportive bias, keuze mooier maken

    Waar het misgaat:

    • Na een keuze herinner je vooral de pluspunten van jouw optie en de minpunten van de alternatieven. Je eigen keuze krijgt achteraf een glanslaag.

    Controlevraag: Kan ik drie serieuze redenen geven waarom het alternatief óók verstandig kon zijn?

    E. Cognitive dissonance reduction, zelfrechtvaardiging

    Waar het misgaat:

    • Als feiten wringen met je zelfbeeld, maak je het verhaal passend. Twijfel wordt weggepoetst, motieven worden netter, eerdere kanttekeningen verdwijnen.

    Controlevraag: Welke zin of aantekening van toen zou nu ongemakkelijk zijn om hardop voor te lezen?

    F. Self-serving en group-serving bias, reputatiebescherming

    Waar het misgaat:

    • Succes is ‘competentie’, falen is ‘omstandigheden’. Voor groepen geldt hetzelfde: wij waren goed, zij waren het probleem.

    Controlevraag: Als een ander dit deed, zou ik dezelfde uitleg accepteren?

    G. Overconfidence, overschatting door schijnbegrip

    Waar het misgaat:

    • Wie achteraf denkt dat het ‘duidelijk’ was, gaat ook denken dat hij het de volgende keer weer ‘duidelijk’ zal zien. Begrip wordt verward met voorspelbaarheid.

    Controlevraag: Welke concrete voorspelling deed ik toen, met kans en voorwaarden, zwart op wit?

    H. Confirmation bias, bevestigingsbias

    Waar het misgaat:

    • Je zoekt, onthoudt en herkauwt vooral wat je bestaande overtuiging ondersteunt. Achteraf vind je altijd wel één zin die ‘klopte’.

    Controlevraag: Wat was het sterkste tegenargument dat ik toen zag, en waar is het gebleven?

    I. Congruence bias, toetsen op bevestiging

    Waar het misgaat:

    • Je test hypotheses met vragen die bevestiging kunnen opleveren, in plaats van actief te zoeken naar weerlegging.

    Controlevraag: Welke uitkomst had mijn idee onderuit gehaald, en heb ik daar serieus naar gezocht?

    J. Narrative fallacy, verhaalbias

    Waar het misgaat:

    • Losse feiten worden een strak plot met oorzaak, bedoeling en les. Complexiteit wordt montage, toeval wordt noodzaak.

    Controlevraag: Welke feiten passen slecht in het verhaal, en wat gebeurt er als ik die centraal zet?

    K. Post hoc ergo propter hoc, na elkaar is niet daardoor

    Waar het misgaat:

    • Omdat B na A kwam, voelt het alsof A de oorzaak was. Het is een klassieke ruggengraat van ‘verklaren achteraf’.

    Controlevraag: Welke alternatieve oorzaken zijn minstens zo plausibel, en hoe zou ik ze onderscheiden?

    L. Selection bias en survivorship bias, scheve dataset

    Waar het misgaat:

    • Je kijkt naar wat zichtbaar is: winnaars, incidenten, dossiers die boven komen drijven. De stille meerderheid blijft buiten beeld, en de conclusie wordt vanzelf ‘onvermijdelijk’.

    Controlevraag: Welke gevallen zie ik niet, en hoe verandert mijn oordeel als ik die meereken?

    Wie dit praktisch wil gebruiken, kan één simpele discipline kiezen: maak de ‘toen’-versie vindbaar. Leg vóór de afloop vast welke aannames je hanteert, welke signalen je wel en niet meeneemt, welke alternatieven je ziet, en wat jou van gedachten zou doen veranderen. Dan kun je later toetsen zonder dat het verhaal van nu de feiten van toen opslokt.

    Een uitkomst is geen argument; hooguit een aanleiding om je aannames terug te lezen.