Auteur: eM

  • HOW – 1.4. Spectrum

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.4. Mogelijkhedenbereik (Spectrum)

    Wat overbleef na ‘Begrenzing’ was een voorwaarde: ‘anders’ kan alleen bestaan voor zover het niet identiek is. Maar die voorwaarde blijft half leeg zolang niet duidelijk is hoe verschil kan uitkomen zonder dat we fysieke ruimte of tijd veronderstellen. Daarom volgt nu een bereik van mogelijke uitkomsten.

    Met ‘mogelijkhedenbereik’ bedoel ik geen ruimte of meetkundig decor. Het is geen leegte waarin dingen ‘staan’, geen raster en geen coördinatenstelsel. Het is de naam voor het minimale kader waarin ‘niet-samenvallen’ meer is dan een tegenstelling: toestanden kunnen verschillen zonder identiek te worden.

    “Er is een spectrum van posities.”

    Met ‘spectrum’ bedoel ik de mogelijkheid van meerdere posities waarin iets kan uitkomen. Dat klinkt ruimtelijk, maar het is hier een abstractie. ‘Positie’ is hier een aanduiding voor een onderscheiden mogelijkheid van uitkomen. Later kan dit ‘ruimte’ of ‘tijd’ blijken te zijn, of iets dat we nu nog niet kunnen benoemen. De enige eis is dat twee onderscheiden toestanden niet op dezelfde positie uitkomen.

    Er wordt niets ‘geplaatst’, uitgezet of gemeten. Het spectrum is hier een minimale mogelijkheid, geen meetlat.

    Zo blijft verschil overeind zonder meteen eigenschappen op te stapelen. Als twee toestanden niet samenvallen, krijgt dat inhoud: ze nemen niet dezelfde positie in.

    ‘Dit’ is dan niet slechts een label, maar een minimale begrenzing: een positie als mogelijke uitkomst binnen variatie.

    ‘Niet-dit’ is geen tweede entiteit naast ‘dit’; het is het complement: alles wat niet die positie is. Zo wordt het onderscheid stabieler zonder ‘dingen’ of ‘plaatsen’.

    Een tweede voordeel is dat posities ook onbezet kunnen blijven. Het spectrum bevat niet alleen wat er feitelijk uitkomt, maar ook welke posities mogelijk zijn zonder gerealiseerd te worden. Dat voegt geen nieuwe werkelijkheid toe; het zegt dat ‘anders’ meer is dan één enkel geval.

    Hier krijgt ‘niet-samenvallen’ een eerste positieve invulling: variatie in positie binnen een abstract bereik. Pas als verschil kan ‘landen’, kunnen ruimte, tijd en structuur volgen.

  • HOW – 1.3. Begrenzing

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.3. Begrenzing

    Als er een onderscheid is tussen ‘iets’ en ‘niet-iets’, valt ‘dit’ niet samen met ‘niet-dit’. Alleen al om die tegenstelling zinvol te houden is een grens denkbaar: minimaal niet-samenvallen.

    Het onderscheid tussen ‘iets’ en ‘niet-iets’ brengt ‘aanwezigheid’ en ‘afwezigheid’ in beeld. Daarmee wordt ‘iets’ afgebakend van ‘niet-iets’. Niet alleen als taalverschil, maar als verschil tussen geval en niet-geval: ‘iets’ is niet hetzelfde als ‘niet-iets’. Die afbakening hoeft niet scherp te zijn; zij kan vaag of gradueel zijn. Er is dan een grens tussen een toestand en het ontbreken ervan.

    Tot hier is dit vooral een logische structuur. Het zegt dat verschil mogelijk is, maar nog niet hoe dat verschil zich kan voordoen. Uit ‘Er is iets’ volgt bovendien nog geen tweede ding. Het levert wel een tweedeling op: het geval en het niet-geval. En die tweedeling vraagt om een minimale invulling van onderscheidenheid, in deze zin: ‘iets’ moet zich ergens kunnen onderscheiden van ‘niet-iets’.

    Dat ‘iets’ niet gelijk is aan ‘niet-iets’ geeft een extra aanknopingspunt: niet-samenvallen. Niet-samenvallen betekent hier nog niet ‘ver uit elkaar’ en ook niet ‘op dezelfde plek’. Het betekent alleen dat de onderscheiden toestanden niet samenvallen. Er is dus verschil tussen ‘aanwezigheid’ en ‘afwezigheid’. Een eigenschaploos ‘iets’ draagt op dit punt geen verschil; dan valt het terug in ‘niet-iets’.

    Tot dit punt kun je het verschil volledig intern houden: misschien verschilt ‘iets’ uitsluitend in ‘inhoud’. Dan lijkt ‘positie’ overbodig. De tegenwerping is dan dat verschil-in-inhoud genoeg is. Maar ook dan veronderstelt ‘verschil’ een minimaal kader waarin het betekenis krijgt. Twee onderscheiden ‘inhouden’ kunnen alleen verschillen als er een schema mogelijk is waarin ‘niet-identiek’ kan bestaan. Je hoeft dat schema niet te specificeren; het volstaat dat ‘anders’ ergens kán landen.

    Dat ‘ergens’ is geen fysieke plek en levert dus geen ‘verschil-in-lokatie’ op. Een onderscheid kan ook ‘verschil-in-moment’ zijn, of een ander soort ‘verschil-in-staat’. Er is alleen een minimaal bereik nodig waarin verschil kan bestaan zonder samen te vallen. Het enige dat hier wordt vastgehouden is dat ‘anders’ niet betekent: identiek.

    Wat overblijft is geen plek, maar een voorwaarde: ‘anders’ kan alleen bestaan voor zover het niet identiek is. Hoe je zo’n voorwaarde kunt denken zonder het fysiek te maken, is de volgende stap.

  • HOW – 1.2. Onderscheid

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.2. Onderscheid

    Zodra je ‘Er is iets’ als startpunt neemt, ontstaan minimale, ermee samenhangende begrippen. Het betekent in ieder geval dat ‘het geval’ en ‘niet het geval’ niet samenvallen: bestaan en niet-bestaan zijn te onderscheiden. Dat zegt nog steeds niets over wat het ‘iets’ is; slechts dat verschil mogelijk is.

    “Er is onderscheid.”

    Dat kun je ook in algemene termen formuleren: zonder ‘niet-dit’ heeft ‘dit’ geen betekenis. Daarmee is ‘dit’ te onderscheiden van ‘niet-dit’, ook als er verder niets anders is. Dat gevolg is een eerste bouwsteen voor de stappen hierna.

    Daarmee komt ook ‘niets’ in beeld: niet-bestaan. ‘Niets’ kan op meerdere manieren worden opgevat. Hier is het ‘niets’ in absolute zin: geen entiteit, slechts afwezigheid. In die betekenis is ‘niets’ niet óók ‘iets’; er wordt geen tweede ‘iets’ binnengesmokkeld. Niets is geen ‘ding achter het ding’. Zodra ‘niets’ als achtergrond zou moeten bestaan, wordt het een drager en dus iets. Daarom is ‘niets’ in dit betoog geen achtergrond, geen lege ruimte, geen vacuüm; alleen afwezigheid, niet iets dat op zichzelf bestaat.

    Je kunt ‘iets’ niet volstrekt leeg laten en tegelijk doen alsof de stelling inhoud heeft. Een volledig leeg ‘iets’ heeft geen eigenschappen en dus geen enkel verschil met ‘niet-iets’. Dan valt ‘bestaan’ samen met ‘niet-bestaan’. Zonder verschil valt ‘iets’ samen met ‘niets’. Dan valt niet langer te zeggen dat er ‘iets’ is: het steekt nergens meer tegen af en heeft dus geen inhoud. De stelling ‘er is iets’ wordt dan even leeg als ‘er is niets’. Dat is de paradox: als ‘iets’ niets in zich draagt om het van ‘niets’ te onderscheiden, verdwijnt het onderscheid en daarmee de betekenis van de zin. Dan zou iets niets zijn.

    Die paradox dwingt een minimale conclusie af: ‘iets’ kan niet volstrekt leeg zijn. Niet omdat ‘niets’ daardoor ineens een entiteit wordt, maar omdat ‘iets’ alleen als begrip kan functioneren als er minimaal een verschil mogelijk is; een afbakening, al is die nog zo abstract. Als je elke mogelijkheid van ‘niet-dit’ ontkent, dan ontken je niet ‘niets’, maar de inhoud van ‘iets’. En de basisstelling was nu juist: ‘Er is iets.’

    Dit is een logisch resultaat, geen fysisch bewijs. Zodra verschil mogelijk is, dringt de vraag zich op: hoe dat verschil zich aftekent. Daarmee begint de volgende stap.

  • HOW – 1.1. Iets

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.1. Iets

    De eerste keuze is deze: is werkelijkheid afhankelijk van ervaring, of bestaat zij ook zonder toeschouwer? Volgens één positie bestaat ‘werkelijkheid’ alleen voor zover zij verschijnt in ervaring. De illustratie daarvan is de omvallende boom in het woud: zonder toehoorder geen geluid. Dat kan verdedigbaar zijn, maar het is geen goede ingang voor dit deel. Het maakt ‘werkelijkheid’ afhankelijk van een analyse van ervaring, terwijl dit deel juist probeert te beginnen vóór de ervaring. Daarom kies ik dat uitgangspunt niet; ik begin bij de andere mogelijkheid.

    Aan het bestaan van ‘werkelijkheid’ leg ik een eenvoudiger vertrekpunt ten grondslag: ‘Er is iets’. Dat is geen mening en geen conclusie; het is een werkbaar vertrekpunt waarmee ik verder kan. Vandaaruit volgt de rest stap voor stap.

    “Er is iets.”

    Het ‘iets’ waar ik het over heb, is geen afgeleide van theorie, geen product van taal en geen bijvangst van waarneming. ‘Iets’ hoeft geen ding te zijn. Het hoeft nog geen vorm te hebben en het hoeft nog niet geplaatst te zijn in ruimte of tijd. Er is één logische eis: het ‘iets’ mag niet volstrekt leeg zijn. Met minimaal één eigenschap is het al ‘iets’.

    Dat werkelijkheid ook zonder toeschouwer bestaat, is een minimale aanname. Die aanname zegt niet wat werkelijkheid is, hoe zij eruitziet, of hoe wij haar kennen. Die aanname zegt alleen: wij zijn niet de scheppers van het geheel.

    De mens komt pas in latere delen in beeld: ervaring, taal en maatschappij. Vooralsnog blijft de toeschouwer buiten beeld. Dit hoofdstuk houdt het bij ‘iets’ alleen. Pas daarna volgen verdere stappen. Dit eerste deel vertrekt vóór de toeschouwer verschijnt. Het uitgangspunt blijft: er is iets, ongeacht of het wordt waargenomen. Daarna volgt wat deze aanname minimaal impliceert.

    Je kunt trachten het standpunt te verdedigen dat werkelijkheid niet bestaat. Dat zou, naar mijn oordeel, alleen kunnen via een bewijs uit het ongerijmde. Die route laat ik hier rusten. Wat volgt is geen meting of theorie, maar stappen in taal en alledaagse logica. Het betoog is abstract en methodisch opgezet. Het vertrekt niet vanuit de fysica, maar vanuit minimale consequenties. Wat ‘er is iets’ minimaal impliceert, komt in de hoofdstukken hierna aan bod.

    Terzijde: je kunt opmerken dat ‘Er is iets’ een zin van drie woorden is en dat die woorden en hun samenhang extra veronderstellingen meebrengen. Bijvoorbeeld dat ‘er’ al een ‘ergens’ (ruimte) suggereert en dat ‘is’ ook een ‘nu’ (tijd) introduceert. Die discussie parkeer ik hier, omdat ik ‘iets’ hier alleen gebruik als aanduiding voor een minimaal vertrekpunt, vóór tijd en vóór ruimte.

  • HOW – 1.0. Inleiding

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.0. Inleiding

    Waarschuwing: dit eerste deel is gortdroog. Het is een oefening in abstract denken. Als je daar geen zin in hebt, kun je ook beginnen bij Deel II en later terugkomen wanneer je merkt dat je een fundament mist.

    Deel I veronderstelt zo min mogelijk. Daarom bevat het geen beschrijvingen van herkenbare dingen, geen voorbeelden met objecten, geen natuurkundige termen en geen formules. Ook geen menselijke maatvoering: geen meetlat, geen kalender, geen coördinatenstelsel, geen definities op afspraak.

    Dit deel werkt met woorden en alledaagse logica. Het behandelt ‘werkelijkheid’ nog niet als ‘de wereld die wij zien’, maar als datgene wat nodig is om over een buitenwereld te kunnen spreken zonder haar al in te vullen.

    Dat is bewust omslachtig, om een eenvoudige reden: veel uitspraken over werkelijkheid leunen op aannames, vaak zonder dat we het doorhebben. Iemand stelt iets en laat een hele achtergrond meeliften: dat er ruimte is; dat tijd bestaat; dat er identiteit is door verandering heen; dat het om meer dan taal gaat. Zulke aannames kunnen prima werkbaar zijn. Maar als je niet ziet wat er precies wordt aangenomen, kun je het ook niet toetsen. En zonder toetsing kun je het ook niet verantwoord meenemen in je conclusie.

    Dit deel markeert waar het fundament begint en waar het bouwen start. Het onderscheid dat ik steeds maak is simpel: wat neem ik aan, en wat volgt daar logisch uit? Daarvoor moet eerst helder zijn wat je minimaal nodig hebt voordat er überhaupt iets is om waar te nemen, te benoemen of te verdedigen. In latere delen (‘II. Ervaring’, ‘III. Maatschappij’ en ‘IV. Representatie’) ga ik laten zien hoe rijk, gelaagd en menselijk ‘werkelijkheid’ wordt zodra waarneming, taal en instituties meedoen.

    Het uitgangspunt is niet dat je met één aanname alles kunt afleiden. Hoe zuinig je ook probeert te zijn: een werkbaar fundament vraagt meerdere proposities. En elke propositie is betwistbaar. Dat is geen probleem dat ‘opgelost’ moet worden; het hoort bij elk betoog dat pretendeert ergens over te gaan. De vraag is alleen: hoeveel neem je aan, en hoe expliciet ben je daarover?

    Om dat beheersbaar te houden, bestaat Deel I uit korte, strakke stappen. Elk hoofdstuk introduceert één conceptuele stap en werkt die uit. Niet om het abstracte te vieren, maar om het aantal sprongen overzichtelijk klein te houden. Het doel is dat je als lezer kunt aanwijzen: hier wordt iets verondersteld; daar wordt iets afgeleid. Als je ergens afhaakt, moet je ook kunnen terugvinden wáár je bent afgehaakt en waarom.

    Lees dit deel daarom niet als een verhaal dat je ‘gelooft’ of ‘niet gelooft’. Lees het als een reeks minimale constructies. Het gaat erom dat je ziet welke keuzes er gemaakt worden en wat die keuzes mogelijk maken. Sommigen vinden het fundament te karig; anderen vinden het te rijk. Beide reacties zijn bruikbaar als je ze kunt herleiden tot een concrete stap in het betoog.

    De belofte van Deel I is niet dat het verklaart wat ‘werkelijkheid’ is. De belofte is bescheidener: het beperkt de aannames tot een droog minimum, en maakt zichtbaar waar ze nodig worden. Dat is de rol van dit deel. Niet om de rest te vervangen, maar om de rest verantwoord te kunnen lezen.

  • HOW – 0.2. Introductie

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    0.2. Introductie

    Deze reeks is opgezet als boek en gaat over ‘werkelijkheid’: hoe zij tot stand komt en wat we bedoelen wanneer we dat woord gebruiken. Niet als scheppingsverhaal en ook niet als kosmologische geschiedenis vanaf de Big Bang, maar als opbouwroute. Hoe ontstaat dat wat wij als ‘werkelijkheid’ aanvaarden en hanteren?

    Het eerste probleem is dat ‘werkelijkheid’ in het dagelijks taalgebruik twee kanten tegelijk heeft. Soms bedoelen we ermee hoe het is, onafhankelijk van ons. Soms bedoelen we ermee hoe het volgens ons hoort te zijn. In één zin kan het woord dus zowel beschrijvend als normatief functioneren. Dat maakt het woord krachtig, maar ook gevaarlijk rekbaar. In dit boek wil ik beide betekenissen scheiden en daarna strak naast elkaar leggen. Niet om een kunstmatige definitie op te leggen, maar om consequent te blijven. Telkens duidelijk maken welke laag wordt bedoeld.

    Daarmee hangt ook het woord ‘ontstaan’ samen. Ik gebruik ‘ontstaan’ hier niet als ‘begin van alles’, maar als ‘laagvorming’. Sommige dingen lijken onafhankelijk van ons te bestaan; andere bestaan alleen door ons, maar zijn daarom niet minder werkelijk in hun effect. Het boek volgt een route van kaal naar complex: van buitenwereld naar ervaring, maatschappij en representatie.

    De opbouw van het boek is vierledig.

    Deel I – Het Al

    Deel I is zo strak en droog mogelijk opgezet: van het meest kale naar het complexere. Hierin zet ik op een rij welke begrippen minimaal nodig zijn om überhaupt over ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken. Welke voorwaarden zijn nodig om een buitenwereld denkbaar te maken, zonder al menselijke afspraken binnen te smokkelen? Hier probeer ik het vocabulaire sober te houden: wel onderscheid, verandering, begrenzing en uitgestrektheid; geen metingen, geen modellen, geen verklarende theorie als startpunt.

    Deel II – Ervaring

    In het tweede deel komt de menselijke invalshoek in beeld. Niet als ruis, maar als eigen werkelijkheidslaag: verschijning, perspectief, aandacht, geheugen en interpretatie. Daar wordt zichtbaar waarom ‘dezelfde’ gebeurtenis niet noodzakelijk hetzelfde wordt ervaren. We kunnen niet vaststellen dat onze ervaringen identiek zijn, maar wel dat we in vergelijkbare situaties vergelijkbare onderscheidingen maken en daarop kunnen afstemmen. Een begrip als ‘rood’ is dan vooral een afspraak over labels en grenslijnen, niet per se een garantie dat iedereen precies hetzelfde ervaart.

    Deel III – Maatschappij

    In het derde deel verschuift de focus van individu naar interactie: de laag waarin we werkelijkheid samen in stand houden. Daar ontstaan normen, rollen, instituties, en de routines waarmee we elkaar corrigeren en afstemmen. Het is ook de laag waarin ‘werkelijkheid’ vaak als norm wordt ingezet: niet omdat we zeker weten dat we hetzelfde beleven, maar omdat het functioneel is om te doen alsof we genoeg overlap hebben om te kunnen handelen.

    Deel IV – Representatie

    In het vierde deel gaat het om indeplaatsstelling: taal, symbolen, beelden en modellen. Hier komt ook wetenschap aan bod, bewust pas hier. Veel hedendaagse gesprekken over ‘Reality’ beperken het domein tot het natuurkundig onderzochte; indrukwekkend gestructureerd en buitengewoon vruchtbaar, maar niet het hele verhaal.

    Dit boek zet wetenschap niet weg, maar plaatst haar hier als representatiesysteem dat werkelijkheid in tekens en definities vangt, zodat ze deelbaar, toetsbaar en voorspelbaar wordt. Juist daarom hoort wetenschap in dit boek bij symboliek en modelvorming. Wetenschap is niet alleen ‘vinden’, maar ook ‘vormgeven’ (definities, meetkeuzen, operationalisering, standaarden). Wetenschap is cumulatief: een samenhangend corpus van kennis dat wordt onderhouden en uitgebreid.

    Een terugkerend motief door alle delen heen is schaal. Onze waarneming speelt zich af in een praktisch middenveld: groter dan het subatomaire en in een trager tempo dan wat op microschaal fluctueert. We leven met objecten die ‘stabiel genoeg’ zijn om degelijk te lijken. Juist omdat dit een middenveld is, loont het om ook de randen van schaal mee te denken: het subatomaire, het kosmische, en alles daartussen. Dat maakt het dagelijks leven mogelijk, maar kan ook misleiden. We verwarren de stabiliteit van onze schaal gemakkelijk met stabiliteit als eigenschap van de wereld als geheel.

  • HOW – 0.1. Voorwoord

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    0.1. Voorwoord

    Normaal gesproken wordt een voorwoord pas geschreven als het boek klaar is; als laatste. Dit voorwoord is anders. Ik schrijf het vóór het schrijven van het ‘boek’. Ik noem het zo omdat ik deze online reeks zo aanvlieg, als boek. Dit voorwoord plak ik dus níet achteraf in het begin. Het is een plan, een belofte zo je wilt, over de manier waarop ik het boek ga schrijven: voor de lezer een voorwoord, voor mij een leidraad. Dít moet het boek worden.

    De aanleiding voor deze reeks is dat het onderwerp al mijn hele leven door mijn hoofd spookt. Het heeft inmiddels zoveel aspecten en dimensies dat het tijd wordt om ze vast te leggen en er een coherent geheel van te maken.

    Daarom is dit boek geen pleidooi voor één school. Zeker geen ‘alles is objectief’-benadering en ook geen ‘alles is slechts perspectief’. Ik heb geprobeerd een route uit te stippelen waarin meerdere intuïties tegelijk kunnen kloppen, afhankelijk van blik en focus. Sommige aspecten van de werkelijkheid lijken hard en onverschillig; andere bestaan alleen doordat wij ze samen overeind houden. Dat ‘samen’ is niet vrijblijvend, omdat instituties, taal en wetenschap die gezamenlijke laag stabiliseren en terugkoppelen.

    Deze reeks geeft bij uitstek de mogelijkheid om te controleren of mijn ideeën samen kunnen bestaan, of dat er paradoxen optreden. Omdat ik allergisch ben voor tegenstrijdigheden, ga ik ontdekken of die erin zitten.

    De werkelijkheid is ook een dankbaar onderwerp. Niet alleen is zij per definitie alomvattend, er zijn ook meerdere invalshoeken te bedenken. Toen het idee ontstond om aan deze reeks te beginnen, lagen er al snel tientallen onderwerpen. Dat is te veel, en veel ervan is niet voor iedereen even interessant. Daarom blijft de hoofdlijn zo basaal en overzichtelijk mogelijk. Niet alles wordt als noodzakelijk waar gepresenteerd: wat wordt beweerd en waar bewijs ontbreekt, wordt dat expliciet vermeld. En beweringen van anderen worden ontleed op bewijsbaarheid en consistentie. Geen drogredenen, geen kunstgrepen. Alleen nuchter verstand en alledaagse logica.

    De lezer hoeft hier geen voorkennis voor te hebben, maar wel ontvankelijkheid: wees bereid om datgene wat je al zeker weet even te parkeren. Iedere aanname en ieder gevolg breng ik zo simpel mogelijk over het voetlicht. Dat heeft twee redenen. Iedereen moet het kunnen begrijpen én in staat zijn om het te bekritiseren. Geef commentaar. Ik vind het irritant als dingen zo complex of algemeen worden verkondigd dat degene die het beweert zich er altijd achter kan verschuilen. Ik ga aannames expliciet maken en zo voorzichtig mogelijk zijn met begrippen die ongemerkt menselijk handelen veronderstellen. In de eerste hoofdstukken zal dat abstract en droog zijn. Dat is geen kille stijlkeuze, maar een zelfopgelegde discipline. Als je het te veel inkleurt, smokkel je via een achterdeur onderdelen naar binnen die je juist probeert te beschrijven. Dan verval je in een cirkelredenering.

    Dat ik de kern van mijn betoog zo simpel mogelijk weergeef, betekent niet dat ik alleen maar eenvoudige onderwerpen aansnijd. Je herkent meer als je weet wie Herakleitos of Douglas Adams is, maar het is niet noodzakelijk. Ik zal ervoor zorgen dat je begrippen die voorkennis vragen, gemakkelijk online kunt terugvinden als je wilt weten waar het precies over gaat. Het is echter niet noodzakelijk om mijn betoog te kunnen volgen.

    Waarneming is op veel manieren belangrijk, in de eerste plaats omdat we er dan met anderen over kunnen praten. Als we allebei grofweg hetzelfde zien, voelen, horen, ruiken en proeven, geeft dat een duidelijk fundament. Daarbovenop liggen allerlei afspraken, onder meer over hoe we het noemen. We spreken vervolgens over dé werkelijkheid, maar die is meer dan waarneming alleen. De omstandigheden binnen en buiten je eigen binnenwereld bepalen in belangrijke mate wat je opmerkt, wat je overslaat, en welke verklaringen je aannemelijk vindt. Dat besef kan mild maken: veel gedrag is minder ‘karakter’ dan context. Het kan ook hoop geven: als iemands omstandigheden veranderen, verschuift zijn wereldbeeld vaak mee. Dat maakt het woord ‘werkelijkheid’ niet eenvoudiger, maar politiek beladen.

    Als iemand ‘in werkelijkheid’ zegt, is dat zelden een neutrale aanduiding waarin een eerlijke en objectieve versie van de waarheid wordt verkondigd. De inzet varieert: “In werkelijkheid is dat slechts een excuus”, “In werkelijkheid ben je gewoon bang voor de gevolgen” of “In werkelijkheid komt dat helemaal niet door klimaatverandering”. Het alledaagse gebruik van ‘werkelijkheid’ is dus rekbaar en wordt vooral ingezet om de waargenomen werkelijkheid bij te (laten) stellen. Het woord wordt dan gebruikt om een discussie te beëindigen.

    Voordat ik echter overga op het uitwerken van werkelijkheid als ervaring of als maatschappelijk fenomeen, wil ik een zo simpel mogelijke basis leggen. Zo simpel dat het zelden expliciet zo wordt uitgeschreven. Afsluitend besteed ik aandacht aan de manier waarop men onder meer in de exacte wetenschappen omgaat met het begrip ‘werkelijkheid’. In de navolgende Introductie schets ik de opbouw van het boek. Daarin geef ik ook aan hoe de delen op elkaar aansluiten en waar bijvoorbeeld wetenschap in dit project thuishoort. Hier volsta ik met één belofte: ik probeer het woord ‘werkelijkheid’ minder metafysisch of magisch te maken door het uiteen te trekken in zijn componenten. Niet om het kapot te analyseren, maar om het bruikbaar te maken.

    Als dit boek iets moet opleveren, is het niet dat je na afloop één definitie hebt waarmee je elke discussie wint. Het is eerder dat je beter gaat zien wat er precies bedoeld wordt als het begrip ‘werkelijkheid’ wordt gebruikt. Gaat het om de buitenwereld? Om ervaring? Om sociale norm? Om model en representatie? Wie dat onderscheid kan maken, raakt minder snel verstrikt in woorden die doen alsof de discussie al beslist is.

    De werkelijkheid is onontkoombaar. Zij dringt zich aan jou op. Maar ook het omgekeerde geldt. Jij dringt jouw werkelijkheid ook aan anderen op. In die zin werkt het als zwaartekracht. Jij bent eraan onderhevig, en je hebt zelf ook een eigen zwaartekrachtveld, zij het zeer beperkt. De sociaal-maatschappelijke werkelijkheid werkt echter anders dan zwaartekracht, waarbij alleen jouw massa relevant is voor de invloed die je met jouw aanwezigheid op anderen uitoefent. In het sociaal-maatschappelijk ‘Umfeld’ kun je een onevenredige invloed op de perceptie van de werkelijkheid door anderen uitoefenen. Sommigen hebben een dermate charismatisch effect op omstanders dat van hen wordt gezegd dat zij een reality distortion field met zich meedragen.

    Graag nodig ik iedereen uit om zo veel mogelijk commentaar te leveren. Dat mag uiteraard direct onder het online stukje, maar het kan ook rechtstreeks naar mijn e-mailadres, m@stratagem.nl

  • Alea iacta est

    Eerder gaf ik al aan dat ik het lastig vond om een onderwerp te kiezen. Uiteindelijk koos ik een alomvattend onderwerp: werkelijkheid. Ik ben me ervan bewust dat het antwoord in de ‘literatuur’ ook kortweg als ‘42’ kan worden aangeduid, maar ik ga het toch anders doen. Niet door één sluitend antwoord te beloven, maar door de puzzel die aan dat woord vastzit serieus te nemen: wat bedoelen we wanneer we het begrip ‘werkelijkheid’ gebruiken?

    Dit onderwerp laat me niet los. Het is een puzzel die ik al bijna mijn hele leven leg, en die steeds terugkomt in een andere gedaante. Ik heb er een aantal duidelijke ideeën over, maar ik heb ze nooit uitgeschreven. Dat ga ik nu wel doen. Tijdens het in kaart brengen van werkelijkheid zocht ik vaak naar beschrijvingen die standhouden. En er blijven onontgonnen gebieden over.

    Mijn vroegste herinnering aan die puzzel gaat terug tot de kleutertijd. Ik was misschien een jaar of vier, en mijn tante Corrien paste op mij. Ik was bang dat ik zó diep in gedachten kon wegzakken dat ik de weg terug niet meer zou vinden. Achteraf klinkt het melodramatisch, maar het gevoel was echt. Ik kon het nauwelijks uitleggen. Toch heb ik haar, na lang aarzelen, gevraagd of ze me kon komen halen als ik zelf de weg kwijt zou raken. Ze zei meteen ja. Lief. Maar ik zag aan haar gezicht dat ze niet begreep wat ik bedoelde.

    Dat moment bleef hangen omdat ik toen voor het eerst merkte dat de belevingswereld van een ander niet samenvalt met de mijne. Hoewel ik toen nog niet in staat was om het te verwoorden, was mijn conclusie helder: wij zijn ons eigen venster op de werkelijkheid. Je kunt in dezelfde kamer zijn, maar toch in volsyrekt verschillende werelden staan. Voor een kleuter is dat even schrikken: je deelt dezelfde ruimte, maar niet hetzelfde beeld. Dat inzicht bleef; werkelijkheid verschilt per persoon.

    Die bewuste realisatie bleef als een rode draad door mijn leven lopen. Iedereen herkent zoiets, maar ik was erop gefixeerd: hoe snel ‘hetzelfde’ kan veranderen door een net andere context. Ik zag dat als een verschuiving van de werkelijkheid. Herakleitos’ rivier werd voor mij minder een citaat dan een waarschuwing: de werkelijkheid verandert voortdurend.

    Later merkte ik dat de werkelijkheid ook in mijzelf kon schommelen. Het voorbeeld dat me daarbij helder voor de geest staat, is de periode waarin ik in militaire dienst zat. Ik vond die periode buitengewoon onaangenaam. Terugkijkend zat ik in een depressieve fase: de leegheid, de routine, de desinteresse. Het dagelijks leven in militaire dienst was geestdodend. Ik ging er telkens met weerstand naartoe.

    En juist omdat ik me verveelde en tegelijk onrustig was, draaiden er voortdurend gedachten in mijn hoofd: over mensen, over macht, over economie, over hoe groepen werken, over wat mensen elkaar wijsmaken om het vol te houden. Wat me toen verraste, was niet dát ik nadacht, maar hoe mijn conclusies verschoven. In de ochtend, op weg naar de kazerne, kon ik dezelfde vraagstukken logisch uitwerken en tot een heldere conclusie komen. Maar op vrijdagmiddag, in de trein terug naar huis, leidden dezelfde feiten tot andere conclusies. Niet omdat de feiten veranderden, maar omdat mijn eigen instelling anders was. Beide conclusies voelden even ‘waar’. En dat is een vreemde constatering: je eigen logica is afhankelijk van je stemming. Mijn werkelijkheid was niet alleen persoonlijk, maar ook situationeel.

    Die ervaringen hebben mijn belangstelling voor ‘werkelijkheid’ blijvend gevoed. Ze hebben me ook voorzichtiger gemaakt met de alledaagse manier waarop we dat woord gebruiken. “In werkelijkheid…” is vaak geen neutrale observatie, maar een zet in een gesprek. We gebruiken het om de ander bij te sturen, te corrigeren, te ontmaskeren. “In werkelijkheid ben je gewoon bang.” “In werkelijkheid is dit een excuus.” “In werkelijkheid komt het helemaal niet daardoor.” Daar is ‘werkelijkheid’ geen beschrijving, maar beïnvloeding.

    Tegelijk kun je niet bij subjectiviteit blijven hangen. Je kunt niet leven alsof alles alleen maar perspectief is. Je moet kunnen handelen, beslissen en met anderen samenwerken. Er is ook een gedeelde werkelijkheid met afspraken, routines en wederzijdse verwachtingen. In die context proberen woorden naar hetzelfde te verwijzen, vaak genoeg om samen te kunnen handelen. Dat spanningsveld fascineert me: de verschillen tussen het privé-venster en die gedeelde wereld, tussen die verschillende waargenomen werkelijkheden. Niemand ziet precies hetzelfde; samenleven is leven in de overlap.

    Daarom begin ik deze reeks. Niet om met één theorie te eindigen, maar om in kaart te brengen hoe zo’n werkelijkheid laag voor laag ontstaat: als buitenwereld, als ervaring, als sociale stabiliteit, als representatie. Ik maak aannames expliciet en meld het wanneer ik veronderstel in plaats van weet.

    Dit is mijn persoonlijke startpunt. Het is een puzzel die vroeg begon, die later concreter werd, en die ik nu ga vastleggen. Niet als queeste, maar als route: om te zien waar ik al geweest ben, en om de lezer uit te nodigen een stukje mee te wandelen op hetzelfde traject. Misschien kom ik onderweg tot hardere conclusies dan ik nu kan formuleren. Misschien eindig ik met meer twijfel, maar dan wel scherper geformuleerd. In beide gevallen is dat winst. Helderheid ontstaat soms pas wanneer je het vage uitlicht.

  • Intermezzo: uitdagingen

    Het wekelijkse intermezzo is bijna vanzelf een soort voortgangsverslag geworden. Dat is niet gepland, maar wel logisch: als je elke dag publiceert, kun je je eigen aanpak ‘in real time’ terugzien. Wat werkt. Wat ontspoort. Wat je dacht dat je al kon, maar toch nog niet beheerst.

    Vorige week stelde ik mezelf een duidelijke opgave: een reeks, met ruimte voor variatie, maar met één herkenbare lijn. Dat klinkt overzichtelijk, maar in de praktijk bleek vooral de keuze lastig. Er waren te veel mogelijke keuzes, de thema’s waren te breed, en het gevaar is dan dat je niet kiest maar verschuift: van onderwerp naar onderwerp, van invalshoek naar invalshoek. Die keuzestress is geen randverschijnsel; dat ís de uitdaging.

    De lijst waaruit ik kon kiezen was te lang. Recht en proces. Taal en framing. Economie en prikkels. Psychologie en heuristiek. Organisaties en bureaucratie. Technologie en AI. Macht, status, reputatie. Elk thema is een eigen spoor. En elk spoor vraagt om focus, anders wordt het een stapel losse observaties zonder richting.

    Uiteindelijk besloot ik tot een reeks over ‘procesrealiteit’. Niet omdat dat het leukste onderwerp is, maar omdat het verwoorden van een mening over een feitelijke gang van zaken kwetsbaar is. Ik moest onderscheid maken tussen ‘wat waar is’ en ‘wat aantoonbaar is’, en tussen ‘wat ik bedoel’ en ‘wat er staat’.

    Tegelijkertijd was ik afgelopen week aan het puzzelen met stijl en methode. Vorige week ging ik wat korter door de bocht. Deze week werd het vooral een langere vorm. Niet alleen omdat de onderwerpen zich daarvoor leenden, maar ook als bewuste test: kan ik dezelfde scherpte vasthouden als de tekst langer wordt, of loop ik dan vol met uitleg en bijzinnen?

    Een jurist die goed kan schrijven kan spelen met de perceptie van de lezer en op die manier ‘recht’ schrijven, zelfs als het in werkelijkheid hartstikke krom is. Dat is een vaardigheid, maar het is ook een risico. Ook als de lezer er niet precies de vinger op kan leggen, kan hij zich op het verkeerde been gezet voelen, terwijl ik juist wil dat hij vertrouwen houdt.

    Experimenteren gebeurde bijna organisch. Twee onderwerpen vroegen om een uitgebreider stuk en ik heb ze vervolgens ook nog eens op twee verschillende manieren aangevlogen. In plaats van twee lange stukken te schrijven, koos ik er bij ‘asymmetrie binnen de procesvoering’ voor om de invalshoeken als twee zelfstandige stukken te publiceren. Dat werkte, maar het leek te veel op ‘gewone’ columns. Bij een ander onderwerp, ‘asymmetrie binnen het procesrecht’, heb ik juist wél één lang stuk geschreven en het vervolgens bewerkt tot deel 1 en deel 2, met als voorwaarde dat beide delen wel een zelfstandig bestaansrecht konden behouden. Dat was veel lastiger dan ik verwachtte.

    Een ander bekend onderwerp, ‘juridische werkelijkheid’, heb ik eenmaal als column en eenmaal als klein essay geschreven. Allebei vanuit een andere optiek en buiten de gebaande paden, en toch allebei anders. In de eerste beschreef ik de totstandkoming van de juridische realiteit via ‘vier filters’ en in de tweede beschreef ik die als ‘twee vertaalslagen’. Allebei verdedigbaar, maar inhoudelijk echt verschillend. Dat was een aardige schrijfoefening. Ik overweeg het ook nog eens als ‘Schrödingers vonnis’ uit te werken.

    De laatste publicatie was een los stuk over een zeer ongemakkelijke procesrealiteit: de onredelijke redelijkheid van het (Nederlandse) recht. Dit was er een waar ik mijn ei in kwijt kon. Ik heb er nog nooit eerder iets over gelezen, dus het stuk is voor mij persoonlijk en nieuw.

    Het meest leerzaam was toch de oefening om twee opvolgende delen te schrijven die toch ieder een zelfstandig bestaansrecht hebben. Een stuk opsplitsen is eenvoudig. Twee delen schrijven die elk als ‘af’ voelen, zonder dat je het grotere betoog sloopt, is een heel andere opgave. Je moet afronden zonder af te sluiten en opnieuw beginnen zonder te herhalen. Je moet doorlopen zonder te beloven dat ‘deel 2 het wel uitlegt’. Dat is precies de vaardigheid die ik nodig heb als ik ooit een boek wil schrijven dat uit hoofdstukken bestaat die elk afzonderlijk iets dragen.

    Na een paar weken achter elkaar over juridische onderwerpen te schrijven, wil ik ook wat dat betreft weer iets anders. Procesrecht is op zichzelf zowel een niche als een overkoepelend thema. Je zou er een complete blog mee kunnen vullen, waarin je afwisselend aandacht geeft aan bewijs, schikken, termijnen, processtrategie, taal, en de manier waarop instituties keuzes forceren. Alleen: ik probeer nu nog niet een niche te vinden. Ik wil leren schrijven. En daarvoor is variatie in vorm minstens zo bruikbaar als variatie in onderwerp.

    Voor nu ben ik klaar met schrijven over het recht. Ik zoek een andere kapstok. Niet omdat het recht ‘op’ is, maar omdat herhaling gemakzucht kan worden.

    Een lang stuk met delen die elk zelfstandig overeind moeten blijven, is bij uitstek een oefening om te verdiepen. Dat ga ik nu als ‘opdracht’ van meerdere weken neerzetten: één overkoepelend onderwerp dat ik op verschillende manieren aanvlieg en uitdiep, met genoeg ruimte voor persoonlijke inbreng, maar wel met een paar harde vorm-eisen. Bij elkaar zou het een klein boekje moeten kunnen worden. Ik heb het nog nooit gedaan, dus… 😉

    In ieder geval verwacht ik dat het tijdrovend zal zijn. En dat zet ook druk op mijn wens: ‘iedere dag iets publiceren’. Maar die druk is ook het punt. Dat soort uitdagingen houdt het spannend, en ik leer er ook daadwerkelijk iets van. De kans is groot dat ik er een trucje op los moet laten: wel iedere dag publiceren, maar niet per se dagelijks een hoofdstuk of paragraaf binnen het project. Een afwisseling met korte stukjes over van-alles-en-nog-wat neemt zeker niet de complete druk weg, maar wel de overdruk. En ook afwisseling is een aardige oefening. Het gaat niet alleen om leuk publiceren; het gaat om vormdiscipline onder druk.

  • Polderen in de rechtszaal

    Waarom ‘redelijkheid’ soms je grootste tegenstander is

    De procedurele werkelijkheid duwt regelmatig richting schikking. Dat wordt tijdens comparities en mondelinge behandelingen concreet: de zaak moet hanteerbaar worden, onzekerheid moet omlaag en ergens moet een knoop worden doorgehakt. Die pragmatische druk hoeft niet cynisch te zijn; die kan ook verantwoordelijk zijn. Maar voor de partij met het sterkste juridische gelijk betekent het dat je niet alleen tegen je wederpartij procedeert, maar ook tegen de zuiging naar ‘een oplossing waarin niemand volledig verliest’.

    Veel mensen zijn grootgebracht met het idee dat conflicten uiteindelijk oplosbaar zijn als je maar lang genoeg praat, nuanceert en elkaar een beetje tegemoetkomt. Dat is het poldermodel op z’n vriendelijkst: niemand krijgt alles, iedereen houdt iets over. Wie veel procedeert, herkent iets vergelijkbaars in de rechtspraktijk. Niet als expliciet doel (‘de rechter móét beide partijen gelijk geven’), maar als terugkerend patroon: de rechter zoekt niet zelden naar een uitkomst die het conflict beëindigt, verdedigbaar is en maatschappelijk aanvaardbaar voelt. En precies dáár zit een spanning die je niet moet onderschatten.

    Het ongemakkelijke punt is dit: zelfs met een juridisch sterke zaak kan ‘redelijkheid’, gevoed door open normen, ruimte creëren voor een ‘tussenoplossing’ waarin de wederpartij toch iets krijgt. De rechter doet dat zelden uit onwil, maar omdat hij moet beslissen met onvolledige informatie: de feiten zijn rommelig, het procesdossier is onvolledig en proportionaliteit biedt houvast.

    Wie wil voorkomen dat ongelijk toch een beetje gelijk wordt, moet daarom niet alleen gelijk hébben in praktische én juridische zin, maar het ook zó presenteren dat ‘redelijke middens’ niet aantrekkelijk of zelfs niet beschikbaar zijn.

    Waarom de rechter vaak richting het midden wordt getrokken

    Rechtspraak is geen wiskunde. Weinig dossiers lenen zich voor een zuiver ja of nee. Zelfs wanneer de rechtsregel helder is, zijn de feiten dat zelden. Getuigen kunnen onbetrouwbaar zijn, e-mails zijn vatbaar voor meerdere uitleg, afspraken zijn mondeling gemaakt, administratie is onvolledig en emoties kleuren alles. In die mist is ‘redelijkheid’ een houvast. Het Nederlandse privaatrecht kent bovendien open normen die uitnodigen tot proportionaliteit, zoals ‘redelijkheid en billijkheid’ en matigings- en toerekeningsregels. Die instrumenten zijn bedoeld om harde uitkomsten te verzachten waar dat gerechtvaardigd is. Maar die normen hebben een bijwerking: wie geen sterke hoofdregel heeft, kan toch proberen te landen op een zachte uitzonderingsgrond.

    De misvatting: de rechter wil iedereen een beetje gelijk geven

    Dit misverstand is nuttig: rechters ‘willen’ niet per se een Salomonsoordeel. Ze willen wel een beslissing die in het recht past en uitlegbaar is. Alleen: als het dossier ruimte laat, is een gematigde uitkomst vaak makkelijker te motiveren dan een harde afwijzing. Zeker wanneer er aan beide kanten iets te zeggen valt, of wanneer totaalverlies maatschappelijk onrechtvaardig oogt. Dan ontstaat het poldermoment: niet omdat het recht dat dicteert, maar omdat het dossier het toelaat.

    En dat is de kern. Niet de redelijkheid van de rechter is het probleem, maar de kwetsbaarheid van de partij met het sterkste gelijk voor die redelijkheid. Als die deur openstaat, wordt het midden al snel aantrekkelijk.

    Redelijkheid als vluchtroute

    Een tegenwerping is logisch: open normen en matiging zijn juist bedoeld om onrecht te corrigeren. Ze voorkomen dat harde regels onredelijk uitpakken in uitzonderlijke situaties. Als je het besliskader te strak trekt, kan je de menselijke maat wegduwen en verander je het recht in een rekenmodel.

    Maar dat is niet het punt hier. Het punt is dat open normen geen neutrale ‘bonusruimte’ zijn waar een juridisch zwakke zaak automatisch op mag landen. Als er een uitzondering wordt ingeroepen, moet die gedragen worden door concrete feiten en een herkenbare maatstaf. Anders wordt redelijkheid geen correctie, maar een vluchtroute.

    Hoe je voorkomt dat ongelijk toch een beetje gelijk wordt

    Er zit nog een praktische consequentie aan dit alles: het midden dichtschrijven kost disproportioneel veel werk. Het is relatief eenvoudig om de hoofdklacht te bestrijden. Het is aanzienlijk meer werk om ook alle ‘beetje wel’-varianten te ontzenuwen, omdat je dan elke vluchtweg, omweg en insinuatie vooraf moet zien aankomen en juridisch moet dichttimmeren.

    Wie wil voorkomen dat de wederpartij iets toegekend krijgt, moet het midden uit het dossier schrijven. Niet met retoriek, maar met drie vormen van discipline: kader, feiten en narratief.

    Kader: maak de hoofdregel onontkoombaar en sluit de vluchtroutes af. Breng de zaak terug tot een simpele kernvraag waarop de rechtsregel hard is. Hoe minder bijzin, hoe beter. ‘Was er een overeenkomst?’ ‘Is er tijdig geklaagd?’ En behandel daarna de verwachte vluchtroutes niet als bijlage, maar als hoofdfront. Leg uit waarom dit geen uitzonderingssituatie is. Benoem waarom matiging hier juist onredelijk zou zijn, bijvoorbeeld omdat het voorspelbaarheid ondermijnt, opportunisme beloont of het contractuele risico verschuift.

    Dat betekent niet dat je nooit een terugvaloptie moet hebben. Het punt is dat je niet het ongedefinieerde ‘midden’ moet laten bestaan waar de rechter zelf iets in kan vullen. Als je een terugvaloptie wilt, definieer die zelf smal en controleerbaar, als een bewuste subsidiaire route die nog steeds past binnen het besliskader.

    Feiten: disciplineer het dossier en maak het midden onwerkbaar. Redelijkheid gedijt op onzekerheid. Dus: tijdlijn, stukkenlogica, consistente terminologie, één verhaal. Niet meer argumenten, maar minder ruis. Maak vervolgens expliciet waarom een compromisuitkomst juridisch of praktisch niet functioneert. Bijvoorbeeld omdat het intern tegenstrijdig wordt (‘als A, dan ook B’), omdat het een perverse prikkel creëert, of omdat het afbreuk doet aan een noodzakelijke norm. De rechter hoeft niet overtuigd te worden dat jouw positie sympathiek is; hij moet inzien dat ook het midden geen stand houdt.

    Narratief: neutraliseer sympathie en wees hard over grenzen. Wie inhoudelijk zwak staat, speelt vaak op billijkheid en gevoel. Als jij alleen reageert met ‘maar het recht zegt’, blijft er ruimte voor een redelijke correctie. Neutraliseer dat door het systeemargument expliciet te maken: wie betaalt de rekening, en waarom is dat juist? Laat zien dat generaliseren precedentwerking heeft en een uitnodiging wordt voor vergelijkbare beroepen. En let op je eigen concessies. Natuurlijk moet je eerlijk blijven, maar eerlijkheid is niet hetzelfde als je eigen positie ondergraven. Elke concessie kan veranderen in een opstapje naar een polderuitkomst.

    De paradox: je moet redelijkheid juist expliciet maken

    Als je je tegen ‘de redelijkheid van de rechter’ wilt wapenen, helpt het om redelijkheid niet te vermijden, maar te claimen. Juist omdat redelijkheid soms echt moet corrigeren, moet je laten zien waarom die correctie hier niet aan de orde is. Niet door te zeggen dat je ‘redelijk’ bent (dat zegt iedereen), maar door te laten zien dat precies jouw uitkomst de redelijke uitkomst is omdat zij consistent is met het systeem: voorspelbaarheid, gelijkheid van gevallen, contractsvrijheid, bescherming tegen opportunisme, bewijslastverdeling. Dan wordt jouw harde uitkomst niet hard, maar noodzakelijk. En de wederpartij staat dan niet meer voor ‘een menselijk verhaal’, maar voor een poging om via sentiment te krijgen wat juridisch niet gedragen wordt.

    Conclusie

    Het Nederlandse rechtssysteem is geen onderhandeling, maar het kent wel polderdruk: als het dossier ruimte laat, wordt een gematigde, uitlegbare middenoplossing verleidelijk. Wie wil voorkomen dat ongelijk toch gedeeltelijk gelijk wordt, moet dus niet alleen gelijk hébben, maar de omstandigheden creëren waarin een middenuitkomst juridisch en praktisch onaantrekkelijk is. Dat is geen cynisme; het is procesrealiteit.

    In de rechtszaal wint niet alleen wie gelijk heeft, maar wie de regie houdt over wat nog als ‘midden’ kan gelden.