Auteur: eM

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Niets filosofisch

    De verschuiving van natuurkunde naar filosofie is niet vreemd: de natuurkunde is historisch uit de natuurfilosofie gegroeid en later als zelfstandige empirisch-wiskundige discipline gaan functioneren. Er blijven grensvragen waarop natuurkunde en filosofie elkaar raken: interpretatie, betekenis en grondslagen. Waar de natuurkunde methodisch (vooralsnog) geen uitspraak kan doen, begint niet automatisch ‘niets’; daar begint de filosofische analyse van begrippen, aannames en mogelijkheden. Filosofie levert hier vaak niet het antwoord, maar de afbakening van de vraag. Zodra het onderscheid scherp genoeg is, kan de natuurkunde het vertalen in formalisme en experiment.

    Filosofie fungeert hier als conceptuele analyse: die legt bloot welke aannames in een vraag verstopt zitten, scherpt definities aan en test de grenzen van wat er überhaupt samenhangend gezegd kan worden. Soms gaan zulke ‘voorvragen’ vooraf aan latere wetenschappelijke precisering. Een klassiek voorbeeld is atomisme: begonnen als filosofische gedachte over ‘ondeelbare deeltjes’, pas veel later uitgewerkt tot toetsbare natuurwetenschappelijke theorieën. Ook recenter zie je dit patroon: begripsvragen lopen vaak voor op technische uitwerking.

    In de westerse traditie speelt bovendien al vroeg een hardnekkige intuïtie mee: ‘uit niets komt niets’. ‘Niets’ fungeert daar niet als ‘begintoestand’, maar als grens aan wat überhaupt als ontstaan kan gelden. Dat motief keert later terug in moderne discussies over oorsprong, omdat het een spanning blootlegt tussen denken en verhalen over ‘begin’. In dit boek is dat het contrastpunt voor één centrale vraag: wat is het minimale ‘iets’ dat nog van ‘niets’ te onderscheiden is?

    Daarmee is de inzet helder: ‘niets’ fungeert als contrastpunt, niet als begintoestand. Een bekend startpunt is Leibniz’ vraag: “Waarom is er iets en niet niets?” Leibniz bedoelde dit niet primair als een tijdvraag (‘wat was er eerst?’), maar als een metafysische verklaringsvraag: waarom is er überhaupt een wereld (‘iets’) in plaats van absolute afwezigheid (‘niets’)? Zijn inzet is het beginsel van voldoende grond: het bestaan van ‘iets’ moet te verantwoorden zijn met een reden die verder gaat dan ‘zo is het nu eenmaal’.

    De vraag naar ‘niets’ krijgt in de filosofie bovendien een eigen traditie. Wat volgt is selectief en oriënterend: drie ingangen die verschillende functies van ‘niets’ zichtbaar maken. Na Leibniz duikt de vraag expliciet op bij Heidegger, onder meer in Was ist Metaphysik? Bij Heidegger is ‘het niets’ geen ‘ding’ en ook geen natuurkundige leegte. Het verschijnt als grens-ervaring: in angst of vervreemding valt het vanzelfsprekende ‘er is’ weg, waardoor het ‘zijnde’ juist als zijnde zichtbaar kan worden. ‘Niets’ fungeert daar als contrastbegrip, niet als toestand die je kunt meten.

    Bij Sartre speelt ‘niets’ een centrale rol in L’Être et le Néant. Bij Sartre hoort ‘niets’ primair bij bewustzijn en vrijheid. Bewustzijn kan afstand nemen, ontkennen en mogelijkheden openhouden; het is niet gevuld zoals een ding, maar kan ‘nihileren’ (een tekort, gemis of ‘niet-zijn’ aan het licht brengen). Daardoor wordt ‘niets’ een structureel element in kiezen, projecteren en verantwoordelijkheid.

    In die lijn wordt ‘niets’ niet alleen opgevat als ‘lege ruimte’ of ‘afwezigheid van deeltjes’, maar ook als ‘niet-zijn’: niet als fysische toestand, maar als conceptuele of existentiële grens.

    Een veelvoorkomende filosofische redenering luidt: het feit dat hier en nu iets bestaat, is moeilijk te verenigen met de gedachte van een absoluut niets. Als ‘absoluut niets’ ooit echt mogelijk was, is het onduidelijk hoe er ‘iets’ zou kunnen zijn. Dit is geen sluitend bewijs, maar het laat zien waar ‘absoluut niets’ wringt: je moet verklaren hoe ‘iets’ überhaupt mogelijk wordt als ‘niets’ werkelijk een optie is.

    Zelfs als je een toestand van ‘meest absolute fysische leegheid’ veronderstelt, stuit je op hetzelfde probleem: je kunt veel wegdenken, maar niet het kader waarin ‘wegdenken’ en ‘ontstaan’ betekenis krijgen.

    Dit raakt aan een breder filosofisch thema: in grote delen van de middeleeuwse traditie, teruggaand op Aristoteles, werd de mens opgevat als materie plus vorm (‘essentie’), waarbij de essentie voorafgaat aan de concrete realisatie. Sartre keert die lijn om en typeert de mens als een onbepaald en ‘leeg’ bewustzijn dat zijn inhoud moet kiezen: existentie zonder vooraf gegeven essentie. Dit ‘niets’ (die onbepaaldheid) wordt dan een voorwaarde voor bewustzijn: zonder afstand of negatie kan ‘zijn’ niet worden gekend.

    Filosofie brengt ‘niets’ tot aan de grens van wat er nog samenhangend gezegd kan worden. Religie geeft aan die grens een andere invulling: geen analyse, maar een beginpunt voor een verhaal met een strekking: oorsprongstaal. Dat levert twee klassieke bewegingen op: schepping ‘uit niets’ en ordening ‘uit chaos’. In beide gevallen blijkt ‘niets’ minder een lege toestand dan een beladen startwoord. Daarmee raakt ‘niets’ ook aan ervaring: leegte, afstand, gemis, negatie. Op dat punt verschuift de vraag van ‘wat klopt?’ naar ‘wat draagt?’. Religieuze tradities beantwoorden die verschuiving niet primair met analyse, maar met beelden, rituelen en oorsprongsverhalen. Daar krijgt ‘niets’ een nieuwe rol: als oorsprongstaal.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (5/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    5. Niets wetenschappelijk

    Wetenschappelijk betekent ‘niets’ zelden totale afwezigheid: zelfs het strengste ‘niets’ blijft een gedefinieerde toestand. In de lege doos uit het eerdere voorbeeld zit niet alleen lucht, maar ook licht, warmte, druk en zwaartekracht. Zelfs als je alle lucht uit de doos verwijdert, houd je geen ‘niets’ over, maar een vacuüm. Een vacuüm is nog altijd een toestand die je kunt beschrijven: het heeft eigenschappen (zoals veldtoestanden) en veronderstelt ruimte. Zelfs ‘ruimte’ is al een stevige aanname: er blijft een meetbaar kader over waarin vergelijken en beschrijven mogelijk zijn.

    Met de klassieke opstelling van de Maagdenburger bollen is het mogelijk om ‘leegte’ te maken, maar leegte is geen afwezigheid van alles. Het is een afwezigheid van iets specifieks, bijvoorbeeld lucht. Zelfs die afwezigheid is een afwezigheid binnen een context: je hebt een volume, een grens en een meetbaar verschil tussen binnen en buiten. De kracht die je daar ervaart is niet ‘het vacuüm dat trekt’, maar het drukverschil tussen binnen en buiten. Leegte werkt hier als meetbaar verschil, niet als absolute afwezigheid.

    De verwarring wordt groter doordat wetenschappers verschillende definities van ‘niets’ hanteren, terwijl het woord klinkt alsof het één eenduidige toestand benoemt. Voor dit hoofdstuk zijn drie vormen bruikbaar:

    1. ‘Niets’ als afwezigheid van basale bestanddelen. Zonder materiedeeltjes zijn er geen sterren of mensen. (Hier betekent ‘niets’ vooral: geen materie/deeltjes.)
    2. ‘Niets’ als lege ruimte. Een universum zonder deeltjes of straling, maar nog wel met ruimte-tijd, natuurwetten en velden, plus een niet-nul vacuümenergie, zodat het model nog steeds structuur veronderstelt. (Hier blijft ruimte-tijd als achtergrond expliciet staan.)
    3. ‘Niets’ als de laagst mogelijke energietoestand van ruimte-tijd. Een (ware of valse) vacuümtoestand waarin alle materie, energie, kromming en rimpelingen zijn verwijderd, maar ruimte-tijd en wetmatigheden als achtergrond wel bestaan. (Hier gaat het om de toestand van die achtergrond: een vacuümtoestand.)

    Deze drie definities verschillen vooral in wat ze nog wel laten staan als achtergrond: ruimte-tijd, velden, wetten, of ‘alleen’ een vacuümtoestand. Dat is precies het punt: elk wetenschappelijk ‘niets’ veronderstelt nog een kader. Elke betekenis kan binnen zijn eigen context nuttig zijn, maar uiteindelijk blijven het allemaal conceptuele modellen of gedachtenexperimenten die lastig direct empirisch te toetsen zijn. Ze geven geen houvast voor de gedachte dat ‘alles’ letterlijk uit ‘niets’ zou zijn ontstaan. Dat zie je bij het meest ‘lege’ begrip uit de moderne natuurkunde: het kwantumvacuüm.

    Het vacuüm in de kwantumveldentheorie is een van de ‘leegste’ begrippen in de moderne natuurkunde. Daar wordt het vacuüm niet opgevat als ‘helemaal niets’, maar als een ‘laagste energietoestand’ met fluctuaties. Het gaat om een toestand van velden, niet om de afwezigheid van elk kader. Zelfs in de laagst mogelijke energietoestand is ‘leegte’ in die theorie niet volledig stil of ‘nul’.

    Hier past een tweede misverstand: vernietiging. We zeggen gemakkelijk dat iets ‘verdwijnt’ of ‘vernietigd’ wordt, alsof het letterlijk naar niets gaat. Meestal bedoelen we: die vorm verdwijnt. De bestanddelen blijven; de ordening gaat verloren. Water ‘verdwijnt’ als het bevriest of verdampt, maar het verandert niet in niets. Een glazen knikker ‘verdwijnt’ als knikker wanneer je er met een hamer op slaat, maar wat overblijft is niet niets. Zelfs wanneer je een stof opdeelt in atomen, of atomen in kleinere bestanddelen, spreek je over transformatie, niet over een verandering naar absolute afwezigheid. Vernietiging is daarmee vrijwel altijd niveau-gebonden: je vernietigt een vorm of organisatie, niet bestaan als zodanig.

    Dat sluit aan bij een sobere wetenschappelijke intuïtie: in een geïsoleerd systeem is een spontane afname van entropie zeer onwaarschijnlijk. Grofweg: processen hebben een richting, ordening heeft een prijs elders, energie verspreidt zich. Dat is niet hetzelfde als het idee dat er ‘nooit iets echt verdwijnt’ en het is ook geen bewijs dat het universum nooit kan eindigen. Het zegt wel iets over wat ‘einde’ meestal betekent: einde van structuren, niet het overgaan in absoluut niets. Zelfs in het extreme voorbeeld dat tot de verbeelding spreekt, de annihilatie van materie en antimaterie (botsing waarbij massa kan overgaan in straling), is ‘verdwijning’ geen overgang naar niets. Vorm kan radicaal veranderen en massa kan worden omgezet in straling, maar het eindpunt is geen ‘niets’, slechts een andere toestand.

    Wie dan toch ‘uit niets’ wil laten ontstaan, introduceert vaak (impliciet) een ingrediënt dat precies het probleem maskeert: potentieel. Men zegt: er waren tegengestelden die spontaan zouden ontstaan en elkaar compenseren. Maar ‘spontaan’ is geen verklaring, het is een label. Het suggereert voorwaarden waaronder iets kan gebeuren. En zodra dat kan, spreek je al over iets: een kader waarbinnen iets mogelijk is. Ook ‘potentieel’ is geen compleet leeg woord. Het is inhoud.

    Waarom blijven we dan toch aan ‘niets’ trekken? Omdat ‘niets’ een verleidelijke grens is. Het biedt een einde aan vragen. Wie zegt ‘daarvoor was er niets’, hoeft niet uit te leggen wat ‘daarvoor’ betekent, wat ‘was’ betekent, en in welk kader tijd en causaliteit worden opgevat. ‘Niets’ functioneert hier niet alleen als concept, maar ook als afkappunt. Het plaatst een harde grens waar je liever geen zachte onzekerheid laat staan.

    In die strikte betekenis behoort ‘niets’ niet tot de waarneembare werkelijkheid. Juist daarom biedt het de wetenschap weinig houvast: wetenschap richt zich op het empirisch kenbare en op definieerbare afwezigheden binnen een afgebakend domein.

    Een toegankelijke (populariserende) bespreking van dit punt is te vinden in populaire wetenschapsteksten over ‘quantum vacuum’ en ‘quantum foam’. 5.12 Naast de wetenschappelijke invullingen hierboven bestaat ook ‘niets’ als absolute filosofische leegte: het volledig ontbreken van ruimte, tijd en natuurwetten. Binnen natuurkundige beschrijvingen is ‘absolute’ leegte geen hanteerbaar begrip. Zodra je ‘niets’ zo radicaal opvat, verschuift de vraag van natuurkunde naar filosofie. Dat is het startpunt van de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Niets logisch

    Als we ‘niets’ logisch benaderen, kijken we naar wat we daarmee in zinnen en redeneringen zeggen, niet naar ‘absolute leegte’. In veel zinnen is ‘niets’ geen aanduiding van een ‘toestand’, maar een verkorte vorm van ‘Er is niets dat …’ binnen een bepaald domein.

    Dat domein blijft vaak impliciet: ‘Er is niets’ betekent in de praktijk meestal ‘Er is niets dat voldoet aan de onbenoemde criteria’. Logisch gezegd bestaat binnen een afgebakend domein geen enkel geval van X dat aan die impliciete eis voldoet. ‘Niets’ is hier een verkorte ontkenning met een weggelaten aanvulling.

    Het verschil wordt scherp als je kijkt naar het bereik van de ontkenning. ‘Niet’ ontkent een bewering; ‘geen/niemand/niets’ ontkent bestaan binnen een domein. ‘Ik heb iets niet gezegd’ betekent: één bepaald punt heb ik niet genoemd. ‘Ik heb niets gezegd’ betekent: er is in het geheel niets gezegd. In het tweede geval ontken je het bestaan van elke mogelijke uitlating binnen dat domein.

    Daarmee wordt duidelijk waarom ‘niets’ zo gemakkelijk ‘iets-achtig’ kan klinken. We behandelen het grammaticaal als iets waarover je kunt spreken (‘het niets’, ‘niets is …’), terwijl het semantisch meestal neerkomt op ‘er bestaat binnen dit domein geen enkel X’. Kort gezegd: ‘niets’ is ‘geen enkel X binnen dit domein’. ‘Niets’ is dan geen object, maar een ontkennende vorm die een mogelijkheid uitsluit binnen een specifiek kader. Die afwezigheid kun je dus heel precies uitdrukken, maar altijd relatief: als afwezigheid van iets binnen een domein.

    In de wiskunde en logica maken nul en de lege verzameling dit onderscheid zichtbaar: afwezigheid wordt er als object binnen een formeel systeem gemodelleerd. Het verschil is dat tussen (a) ‘niets voldoet aan voorwaarde P’ (een lege verzameling binnen een gekozen domein) en (b) een ‘lege wereld’ waarin er helemaal niets is, dus ook geen ruimte, tijd of wetten. Het eerste is logisch hanteerbaar; het tweede is het metafysische grensgeval waar taal zijn houvast verliest.

    De conclusie is tweeledig: logisch is ‘niets’ hanteerbaar als ‘geen enkel X’ binnen een gekozen domein. Los van dat domein wordt het een grenswoord dat markeert waar ontkenning en bevestiging nog betekenisvol zijn. 4.7 Juist daarom kan wetenschap ‘niets’ hanteerbaar maken: zij concretiseert het domein (deeltjes, velden, energie, ruimte-tijd) en kan dan zeggen wat er ontbreekt. Daarom betekent ‘niets’ in de natuurkunde zelden totale afwezigheid. Wie wetenschappelijk over ‘niets’ spreekt, begint met de vraag wat er precies ontbreekt. Een praktisch startpunt is dan het vacuüm: een toestand zonder deeltjes, maar niet zonder structuur. Dat wetenschappelijke ‘niets’ staat centraal in de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Niets taalkundig

    In het dagelijks gebruik betekent ‘niets’ meestal ‘geen X’. Grammaticaal functioneert het tegelijk als zelfstandig naamwoord of voornaamwoord (‘ik zie niets’, ‘er is niets’). Daardoor klinkt ‘niets’ al snel entiteit-achtig. Om die dubbelzinnigheid te begrijpen, kijken we eerst naar vorm en herkomst en daarna naar de logische functie.

    Er is een relevant verschil tussen specifiek en niet-specifiek gebruik van ‘iets’. ’Je hebt me iets niet verteld’ betekent: één bepaald ding niet verteld. ‘Je hebt me niets verteld’ betekent: je hebt me in het geheel niets meegedeeld. In dat niet-specifieke gebruik verschuift de negatie van één punt naar de hele klasse. Dan krijg je ‘niets’. Een klein grammaticaal verschil, met grote gevolgen voor hoe ‘niets’ wordt begrepen.

    Van Dale definieert ‘niets’ in termen van ‘niet-zijn’ en ‘niets-zijn’, maar dat blijft een kringverwijzing. Belangrijker is wat het woord in een zin doet. ‘Niets’ is al in het Middelnederlands aangetroffen. Het is op te vatten als afgeleid van ‘niet’ met het achtervoegsel -s.

    ‘Iets’ is het spiegelwoord van ‘niets’. In oudere vormen verwijst ‘iet’ naar ‘wezen/ding’: letterlijk ‘een ding’. Later is ‘iet’ uitgebreid met een -s, naar analogie van ‘niets’. Zo wordt het koppel (iets/niets) nog symmetrischer. ‘Niets’ deelt deze achtergrond met woorden als nothing, rien, nichts en niente: etymologisch gaan ze telkens terug op ‘geen ding’, dus op het ontbreken van een aanwijsbaar (tastbaar) object.

    Dat ‘ding’ is geen toevallige metafoor. Woordvorming ‘verdingelijkt’ onbepaaldheid: alsof het om een (afwezig) ding of een (aanwezige) entiteit gaat. Dat maakt het verleidelijk om ‘niets’ als onderwerp te nemen: het woord klinkt dan ‘iets-achtig’, terwijl het ontkent. Tegelijk is het gebruik breder: ‘ding’ kan ook ‘zaak’ of ‘gebeurtenis’ betekenen. ‘Er is niets gebeurd’ betekent dan: er deed zich geen relevante gebeurtenis of verandering voor (geen incident, geen ontwikkeling, geen effect dat ertoe doet).

    Woordvorm en herkomst verklaren waarom ‘niets’ zo gemakkelijk entiteit-achtig klinkt, maar nog niet wat het in redeneringen doet. Daarom verschuift de aandacht nu naar logische functie: ‘niets’ als ontkenning van bestaan binnen een domein.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Niets alledaags

    Als je naar een lege doos wijst en zegt: “Er zit niets in”, begrijpt iedereen je. Strikt genomen is de stelling onwaar: er zit in ieder geval lucht in. Maar de zin werkt omdat ‘niets’ hier betekent: niets van wat in deze context relevant is, bijvoorbeeld niets van wat je zoekt. Hier betekent ‘niets’ dus: ‘geen X binnen dit kader’, niet ‘totale afwezigheid’.

    De dubbelzinnigheid van ‘niets’ zie je direct in het dagelijks gebruik. Meestal betekent ‘niets’: geen X binnen een bepaald kader, niet totale afwezigheid. Dat kader blijft vaak onuitgesproken, omdat gesprekspartners doorgaans weten welke verwachting, vraag of maatstaf op dat moment geldt. De omstandigheden bepalen wat ‘X’ is, en daarmee wat ‘niets’ in die zin ontkent.

    Die twee lezingen lopen gemakkelijk door elkaar. In relatieve zin betekent ‘niets’: geen X binnen een specifiek kader. In absolute zin betekent ‘niets’: het ontbreken van alles, zonder enkel kenmerk of eigenschap. Dat is de ultieme ontkenning, maar je kunt haar alleen negatief benaderen: door op te sommen wat er niet is. Juist daarom zijn vaste uitdrukkingen bruikbaar: daar betekent ‘niets’ bijna altijd ‘ontbrekend relevant iets’.

    Wie ‘uit het niets’ zegt, bedoelt meestal ‘plotseling’. Wie zegt dat ergens ‘niets aan’ is, bedoelt ‘niet de moeite waard’. ‘Voor niets’ betekent vaak ‘zonder resultaat’ of ‘zonder tegenprestatie’, en ‘op niets uitlopen’ kan teleurstelling, minachting, geruststelling of dreiging uitdrukken. In al die gevallen verwijst ‘niets’ naar een ontbrekend relevant iets, niet naar absolute leegte.

    Pas wanneer je het woord losmaakt van zo’n kader, ontstaat de strikte lezing: ‘niets’ als totale afwezigheid. Daar begint de wrijving: vanaf hier moet je het kader expliciet maken.

    Daarom nemen we het dagelijkse ‘niets’ eerst serieus als ‘geen X’. De rest is het expliciteren van het kader. Wie niet verduidelijkt wélk kader wordt ontkend, gaat ‘niets’ al snel lezen als een toestand, en daarmee als een soort ‘iets’. De controlevraag is dan telkens: ‘niets van wát?’

    Dit is geen muggenzifterij. Het laat zien hoe ‘niets’ in het dagelijks taalgebruik vaak een verkorte ontkenning met een weggelaten aanvulling is. ‘Er is hier niets’ betekent doorgaans: het gezochte ontbreekt, of niets voldoet aan wat je verwachtte. Het woord functioneert als een negatieve verwijzing: het wijst af in plaats van aan. Het benoemt meestal geen toestand van de wereld, maar een discrepantie tussen vraag en aanbod, tussen verwachting en waarneming.

    In het alledaagse spreken betekent ‘niets’ dus doorgaans ‘geen X’. Dat is praktisch, maar het maskeert dat ‘niets’ grammaticaal als zelfstandig naamwoord optreedt, alsof het naar een entiteit verwijst. Het kan onderwerp, object of bijwoordelijk zijn. In al die gevallen gedraagt het woord zich alsof het naar ‘iets’ verwijst, terwijl de inhoud ontkennend is. Dat is functioneel (we kunnen ermee redeneren, zinnen bouwen en verantwoordelijkheid toeschrijven), maar het duwt het denken ook richting een ‘ding’: alsof ‘niets’ iets is. Daarom verschuift de blik nu van gebruik naar woordvorm: betekenis, definitie en herkomst van het woord.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Wat niets inhoudt

    We zeggen ‘niets’ vaak zonder erbij stil te staan, terwijl het tegelijk lastig is af te bakenen. Het werkt tot iemand het hardop probeert te definiëren. In het dagelijks gebruik is het een verkorte ontkenning binnen een kader. Niet dit, niet hier, niet nu. Wie zegt dat hij niets heeft gedaan of dat er niets in zit, bedoelt meestal niets dat telt binnen die context.

    Zodra ‘niets’ zelf onderwerp wordt, raakt het dubbelzinnig en vraagt het om precisering. Het is een metafysische verleiding: een absoluut beginpunt waarvan je niet meer zeker weet of je het kunt denken, laat staan beschrijven. Dan duiken uitspraken op als “Vóór de Big Bang was er niets”, “Na de dood is er niets” of “Iets kan uit niets ontstaan”. In dit hoofdstuk houden we die twee lezingen uit elkaar: ‘geen X binnen een kader’ tegenover ‘totale afwezigheid’.

    Daar begint de verwarring: een ontkenning binnen een kader gaat klinken als een toestand, en taal behandelt ‘niets’ alsof het ‘iets’ is.

    In dit hoofdstuk volgen we die verschuiving stap voor stap. We beginnen bij alledaags gebruik en werken via taal en logica toe naar wetenschap en filosofie, en vandaar naar oorsprongstaal (religie, inheemse tradities en mythologie). Tenslotte keren we terug naar het metafysische grensgeval: het absolute niets. De rode draad is: ‘niets’ is vaak een grenswoord; het markeert waar een kader ophoudt, niet waar de werkelijkheid ophoudt. Wie ‘niets’ als ding behandelt, verdwaalt al voordat de eerste vraag is gesteld.

    Daarom is ‘niets’ een praktisch startpunt voor de vraag naar het ontstaan van werkelijkheid. Twee vragen sturen het vervolg: (i) Hoe spreek je over ‘niets’ zonder het ongemerkt tot ‘iets’ te maken? (ii) Wat is het minimale onderscheid dat ‘iets’ van ‘niets’ scheidt, zodat spreken over werkelijkheid zinvol wordt? Die precisering begint bij het alledaagse taalgebruik, waar ‘niets’ meestal ‘geen X’ betekent.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.0. Inleiding

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.0. Deel I – Universum / premenselijk – Inleiding

    1. Waar dit deel over gaat

    Deel I is een poging om zo sober mogelijk te zeggen wat er bedoeld kan worden met ‘werkelijkheid’ voordat er iemand is om dat woord uit te spreken. Daarom neem ik niet de mens, ervaring of maatschappij als vertrekpunt. Normaal gesproken begint een beschrijving van ‘de werkelijkheid’ bij onze wereld: planeten, leven, mensen, cultuur. In Deel I doe ik het omgekeerde. Ik parkeer al die bekende beelden en vraag: wat bedoel je met ‘werkelijkheid’ als je alleen uitgaat van wat er is en gebeurt, onafhankelijk van onze aanwezigheid? Het is geen kosmologie en geen natuurkundig overzicht. Het is een poging om een minimale conceptuele basis te leggen langs een begrippenlijn van ‘niets’ naar ‘iets’ naar ‘onderscheid’, en zo verder, door die begrippen één voor één te testen.

    2. Wat ‘werkelijkheid’ hier betekent

    De Introductie onderscheidde vier lagen: de fundamentele, de ervaringsmatige, de maatschappelijke en de theoretische. Deel I stelt de fundamentele (premenselijke) laag centraal; ik scherp het begrip ‘werkelijkheid’ aan voor een wereld-zonder-ons.

    In deze context gebruik ik ‘werkelijkheid’ in nauwe zin. Ik bedoel: datgene wat aan onze ervaringen en sociale ordeningen voorafgaat, in de zin dat die ervaringen en ordeningen er niet zouden zijn als dat er niet zou zijn. Maar ik leg niet vast wat dat onderliggende precies is. Ik zeg niet dat het per definitie materie is, en ook niet dat het uiteindelijk bewustzijn of informatie is.

    Hier betekent ‘werkelijkheid’ voorlopig: stabiele verschillen, patronen en regelmatigheden. Datgene wat er is en wat ook zonder waarnemer ‘gebeurt’, zonder betekenis, doel of norm. Ik gebruik woorden als ‘proces’, ‘verandering’ en ‘regelmaat’ (en ook ‘gebeuren’) als werklabels; later maak ik expliciet wat ze wél en niet mogen betekenen. Geen ervaringen, betekenissen of instituties: alleen verschillen en structuren.

    Dat klinkt abstracter dan onze dagelijkse taal, maar het gaat om processen en patronen die ook zonder organismen optreden. Het betreft het soort dingen dat ook zou blijven gebeuren als die nooit waren ontstaan: veranderingen, instabiliteit en stabiliteit. In dit deel laat ik ‘betekenis’, ‘doel’ en ‘norm’ zoveel mogelijk liggen. Die woorden veronderstellen al een waarnemer met een waardering of een maatstaf.

    Deel I legt niet de ‘drager’ vast, maar de minimale structuur die je al nodig hebt voordat je over dragers kunt spreken:
    –  dat er ‘iets’ is in plaats van helemaal niets;
    – dat er verschillen zijn;
    – dat er grenzen en patronen kunnen ontstaan;
    – dat er volgordes en samenhangen zijn die niet willekeurig lijken.

    Je kunt dit zo formuleren: de fundamentele laag is hier een werkterm. Zij betekent ‘datgene dat nodig is om überhaupt over ervaring en maatschappelijke werkelijkheid te kunnen spreken’, niet ‘de ultieme substantie waar alles uit is opgebouwd’.

    Kort gezegd: ik leg niet vast of je dit het best als materie, energie, informatie, structuur, veld of iets anders duidt.

    3. Wat dit deel bewust niet doet

    – Geen kosmologisch verslag. Ik geef geen stap-voor-stap verhaal van Big Bang, inflatie of sterrenvorming. Waar ik zulke thema’s aanstip, doe ik dat ter illustratie, niet als technisch verslag.

    – Geen nieuwe metafysische leer. Ik bied geen sluitend systeem over ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ dat andere tradities vervangt. En ik geef geen uitputtend filosofisch overzicht van alle posities over tijd, causaliteit en verwante thema’s; ik gebruik die discussies alleen waar ze een stap in de denklijn scherp maken.

    – Geen keuze voor een ‘laatste werkelijkheid’. Ik kies in dit deel geen kamp tussen materialisme, idealisme, panpsychisme, informatie-ontologie of andere stromingen. Waar zulke termen langskomen, gebruik ik ze als mogelijke beschrijvingen, niet als beslissingen over wat er uiteindelijk ‘echt’ is.

    – Geen verdediging van of aanval op religieuze scheppingsverhalen. Mythen en religieuze tradities komen alleen langs waar ze raken aan de kernbegrippen van dit deel (oerchaos/leegte, scheiding, orde), als spiegel en tegenbeeld; ik geef ze kort en sober weer en ga niet uitweiden in exegese of vergelijkende godsdienst.

    – Geen herleiding van alles tot natuurkunde. Dat een premenselijke werkelijkheid mogelijk is, betekent niet dat latere lagen (ervaring, maatschappij) niets dan natuurkunde ‘zijn’. In dit deel breng ik alleen in kaart wat je minimaal moet veronderstellen voordat je daar überhaupt aan toe bent.

    Verwacht dus geen alternatief natuurkundeboek, geen nieuw scheppingsverhaal en geen definitieve metafysica. Deel I werkt met een strakke discipline: eerst de minimale stap, pas daarna de vertaling.

    4. Denkdiscipline: abstractie met rem

    De abstractie in Deel I is geen stijltruc, maar een vorm van zelfbeperking: eerst duidelijk maken welke minimale stap je zet, dan pas de verleiding toelaten om die stap in bekende beelden en voorbeelden te vertalen. Dat is de prijs van één afspraak: ik wil eerst begrippen laten werken zonder dat herkenbare scènes alvast invullen wat ze moeten betekenen.

    De discipline in Deel I is: eerst de minimale stap helder krijgen, daarna pas vertalen naar herkenbare situaties. Dat betekent:
    – Zinnen zo helder mogelijk formuleren, met expliciete signaalwoorden (“hier stel ik voor…”, “hier veronderstel ik…”, “hier loop ik tegen een grens aan…”). Geen nodeloos ingewikkelde zinnen en geen jargon waar het niet hoeft. Als een technisch woord nodig is, licht ik het meteen toe.
    – Zoveel mogelijk voorkomen dat er ongemerkt menselijk handelen of beleving in de begrippen binnenglippen.
    – Twijfel en tegenargumenten expliciet opnemen in de tekst, in plaats van ze weg te polijsten. Je hoeft het niet met elke stap eens te zijn om er iets aan te hebben; het traject is ook bedoeld om je eigen tegenwerpingen preciezer te maken.

    In de latere delen krijgt deze werktaal pas echt ‘vulling’ (ervaring en maatschappij). Deel I blijft expres bij de minimale gereedschapskist, zodat later ‘concreet’ niet stiekem ‘ononderzocht’ betekent.

    5. De begrippenlijn van Deel I

    De hoofdstukken van dit deel zijn geordend langs een begrippenlijn, niet langs een tijdlijn. Het gaat niet om “Wat gebeurde er eerst?”, maar om de vraag welke begrippen voorwaardelijk zijn voor andere. De lijn loopt van ‘niets’ naar ‘iets’, van ‘iets’ naar ‘onderscheid’, en zo verder: niet als verslag van hoe het gegaan is, maar als voorstel voor de minimale stappen die nodig zijn om überhaupt over ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken.

    In ruwe vorm ziet die lijn er zo uit:
    – Van ‘niets’ als grensbegrip → naar ‘iets’ als minimaal verschil.
    – Van ‘iets’ → naar ‘onderscheid’: er zijn verschillende ‘ietsen’, niet één amorfe massa.
    – Van ‘onderscheid’ → naar ‘grens’: een binnen en buiten, een gebied en omgeving.
    – Van ‘grens’ → naar ‘vorm’: een patroon dat herkenbaar blijft onder variatie.
    – Van ‘vorm’ → naar ‘tijd’: veranderingen en volgordes tussen toestanden.
    – Van ‘tijd’ → naar ‘ruimte’: naast-elkaar en tegelijk-bestaan, relaties tussen plaatsen.
    – Van ‘ruimte’ → naar ‘orde’ en ‘wetmatigheid’: herhaalbare patronen in hoe dingen zich ontwikkelen.
    – Van ‘orde’ → naar ‘schaal’ en ‘complexiteit’: structuren die ingewikkeld genoeg zijn om latere verschijnselen (leven, waarnemers) mogelijk te maken.

    Deel I gebruikt deze begrippen niet als afvinklijst, maar als reeks stappen die telkens wordt getest en aangescherpt. In elk hoofdstuk staat één stap centraal. Aan het eind van het deel is er geen ‘systeem’ bijgekomen, maar een set begrippen die helder genoeg is om later opnieuw te gebruiken.

    6. Brongebruik in dit deel

    Deel I gebruikt drie soorten bronnen als hulpmiddelen om begripsstappen te testen, niet om een verhaal te vertellen. Geen van deze drie krijgt de rol van ultieme scheidsrechter. Waar ze elkaar tegenspreken, is dat geen ‘eindscore’, maar een signaal dat de begripsstap scherper moet worden.

    Mythen en religieuze tradities fungeren hier als spiegel en tegenbeeld, en alleen waar ze raken aan de kernbegrippen van dit deel (oerchaos/leegte, scheiding, orde). Veel scheppingsverhalen beginnen met chaos, leegte of een oeroceaan; vervolgens komt er scheiding van licht en donker, water en land, boven en onder.

    Zulke motieven zeggen niet rechtstreeks hoe de kosmos ‘echt’ is ontstaan, maar wel veel over terugkerende intuïties en patronen in het menselijk denken over begin en orde. Die gebruik ik als toetssteen: ze helpen zichtbaar maken waar mijn eigen begripsvoorstellen aansluiten en waar ze tegenspraak oproepen.

    Filosofie gebruik ik vooral als gereedschap. De vragen waar Deel I om draait zijn al vroeg en grondig uitgewerkt, bijvoorbeeld bij de presocraten en in klassieke discussies over ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, en later in debatten over tijd en causaliteit. Ik haal daar niet de doctrine of de historische context uit, maar de functie: zichtbaar maken waar taal zichzelf tegenspreekt (zoals bij ‘niets’), waar een stap meer veronderstelt dan ze zegt, en welke onderscheidingen je eerst móét maken voordat je verder kunt. Af en toe noem ik één of twee namen (bijvoorbeeld Parmenides, Heraclitus, Hume of Kant) als typische sparringpartners om het probleem te markeren, niet om hun systeem uit te rollen en niet om een autoriteit aan te roepen. Ik gebruik wat nodig is om begrippen te preciseren en verborgen aannames zichtbaar te maken.

    Wetenschap ten slotte fungeert als waarschuwingssignaal, taalbron en grensbewaker. Als een manier van spreken openlijk botst met wat in grote lijnen bekend is over natuurprocessen, is dat een waarschuwing; wie beweert dat tijd ‘in werkelijkheid’ omkeerbaar is, moet zich verhouden tot elementaire fysica. Wetenschap is ook taalgever: termen als ‘symmetriebreking’, ‘ordeparameter’ of ‘emergentie’ komen alleen in globale vorm langs, en alleen als ze een begripsstap echt verduidelijken. Tegelijk markeert wetenschap haar eigen grenzen: sommige vragen van Deel I liggen buiten het bereik van empirisch onderzoek. Waar empirisch onderzoek ophoudt, zeg ik dat erbij.

    7. Wat de lezer van Deel I mag verwachten

    Deel I is bedoeld voor lezers die een stuk abstractie verdragen, omdat het je een duidelijker antwoord geeft op de vraag: “Wat veronderstel ik eigenlijk als ik ‘werkelijk’ zeg?” Je hebt geen voorkennis van filosofie of natuurkunde nodig. Wel helpt het als je zinnen desnoods een tweede keer wilt laten passeren en niet direct wegloopt als er geen voorbeeld uit het dagelijks leven wordt gegeven.

    Wie alleen Deel I leest, krijgt een taal aangereikt om scherper te zien én te benoemen wat je allemaal al veronderstelt zodra iemand ‘werkelijk’ zegt. Wie ook de andere delen leest, merkt dat dit vocabulaire later opnieuw terugkomt bij ervaring, maatschappij en theorie. Deel I staat niet ‘boven’ de rest en is geen definitief fundament; het reikt een vocabulaire aan dat later terugkomt én opnieuw wordt getoetst wanneer het over ervaring, maatschappij en theorie gaat.

    Dit deel levert geen einddefinitie, maar een eerste werkset begrippen. De latere delen zijn de stresstest: als ervaring of maatschappij deze werkset corrigeert, is dat precies de bedoeling. Zonder een eerste, ‘kale’ versie is er onvoldoende basis voor houvast. Juist die zelfbeperking maakt de stappen beter toetsbaar: je ziet waar ik een aanname doe, en dus waar je het kunt betwisten en verbeteren.

    8. Vooruitblik op hoofdstuk 1

    Het eerste hoofdstuk begint daarom bij een ogenschijnlijk leeg begrip dat zich in onze taal voortdurend als vol gedraagt: ‘niets’. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee, en wat gebeurt er zodra we het eigenschappen toekennen? In dat hoofdstuk onderzoek ik wat we doen als we ‘niets’ zeggen, en waarom we toch steeds opnieuw naar dat woord grijpen als we over oorsprong nadenken. Pas als dat beginprobleem scherp staat, heeft het zin om het te hebben over ‘iets’, ‘onderscheid’ en alles wat daarop volgt.

    Met die afspraak begint Deel I: niet met een verhaal, maar met minimale stappen die een taal voor ‘werkelijkheid’ overeind houden.

  • HOW2 – 0.2. Introductie

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    0.2. Introductie

    In het alledaagse leven is er niet één werkelijkheid; er zijn er meerdere. Sommige werkelijkheden trekken zich niets van ons aan. Andere bestaan alleen zolang wij ze samen in stand houden. Dit boek onderzoekt hoe verschillende werkelijkheden zich tot elkaar verhouden.

    Dit boek is geen pleidooi voor één school. Het is geen ‘alles is objectief’-benadering en ook geen ‘alles is slechts perspectief’. Ik probeer een route uit te stippelen waarin meerdere intuïties kloppen, afhankelijk van invalshoek en focus.

    Dit boek gebruikt drie bronnen: mythen en religies (als spiegel van terugkerende motieven), filosofie (als gereedschap voor begripswerk) en wetenschap (als toets en grensbewaker). In deze introductie koppel ik die bronnen aan een werkdefinitie van ‘werkelijkheid’ en ‘ontstaan’, en aan de opbouw en leesroutes.

    1. Een voorlopige werkdefinitie van ‘werkelijkheid’

    Dit boek begint niet met één finale definitie van werkelijkheid. Dat zou het eigenlijke werk in de eerste alinea al afsluiten. Toch is een werkbare afbakening nodig om de route te kunnen lopen. Voorlopig gebruik ik ‘werkelijkheid’ als verzamelnaam voor datgene wat ons handelen mede vormt en begrenst.

    De vier lagen van werkelijkheid zijn: een fundamentele laag* (wat aan ervaring en maatschappij voorafgaat, zonder uitspraak over de aard ervan), een ervaringslaag (de wereld zoals die verschijnt), een maatschappelijke laag (systemen die een gedeelde of afgedwongen werkelijkheid vormen) en een theoretische laag (wereldbeelden waarmee we grip zoeken op het voorgaande). De theoretische laag is zelden ‘puur’ individueel. Ze is meestal ook een maatschappelijke praktijk, gedragen door taal, onderwijs, disciplines en instituties.

    * Met ‘fundamenteel’ bedoel ik hier niet noodzakelijkerwijs ‘materieel’. In deze introductie laat ik expliciet open wat uiteindelijk het meest basale is; ‘fundamenteel’ is hier een werkterm voor ‘datgene dat voorafgaat aan ervaring en sociale ordening’.

    Dit boek trekt die lagen niet kunstmatig uiteen, maar zet per deel één dominante laag centraal en maakt zichtbaar welke andere lagen meeliften. ‘Werkelijkheid’ is dus geen codewoord voor één domein, zoals ‘alleen het fysisch meetbare’. Het is een woord met een impliciete vraag: wat bedoelen we hier en nu als we ‘werkelijk’ zeggen?

    In de praktijk lopen die lagen voortdurend door elkaar. Een rechter beslist bijvoorbeeld over de ‘feiten’: een maatschappelijk-juridische gebeurtenis. Dat oordeel baseert hij op verklaringen en bewijsmiddelen. Een natuurkundige formule lijkt te gaan over de ‘meest directe’ werkelijkheid, maar is tegelijk een model in een wetenschappelijke praktijk, ingebed in instituties en taal.

    2. Waarom ‘ontstaan’?

    Het tweede kernwoord in de titel is ‘ontstaan’. Dat kan op minimaal drie manieren worden opgevat.

    Ten eerste historisch: er is een ontstaansgeschiedenis van het universum, een geschiedenis van het leven, een geschiedenis van menselijke samenlevingen. In die zin ‘is’ een fysische werkelijkheid ontstaan.

    Ten tweede logisch-conceptueel: bepaalde begrippen lijken vóór andere te moeten komen. Je kunt nergens over spreken zonder minimaal te veronderstellen dat er ‘iets’ is. Je kunt niet over ervaring spreken zonder een waarnemer, en je kunt geen rechtssysteem bespreken zonder een idee van mensen, handelingen en gebeurtenissen. In die zin kun je een ontstaanslijn tekenen in begrippen: van ‘iets’ naar ‘onderscheid’, naar ‘grens’, naar ‘vorm’, naar ‘patroon’, naar ‘orde’, naar ‘verwachting’, naar ‘norm’, naar ‘regel’.

    Ten derde praktisch: voor individuen en samenlevingen ‘ontstaat’ werkelijkheid opnieuw. Door opvoeding, taal, onderwijs, instituties en ingrijpende gebeurtenissen. Dat is geen grote metafysische claim, maar een nuchtere observatie: wat iemand als werkelijk ervaart, is het resultaat van een lang leer- en selectieproces.

    Dit boek beweegt tussen die drie betekenissen, zonder ze te vermengen. Waar ik een logische volgorde bedoel, presenteer ik die niet als natuurkundig verslag. Waar ik een historische lijn aanstip, doe ik dat zonder de pretentie van volledigheid. Waar ik inzoom op individuele of maatschappelijke ontstaansprocessen, benoem ik die expliciet.

    ‘Ontstaan’ is dus geen romantische mythe van een oermoment, maar een manier om te vragen: welke stappen, op welk niveau, onvermijdelijk zijn om te komen van ‘geen enkele verwoording’ naar de rijkdom aan werkelijkheden waarin we feitelijk leven?

    3. Drie bronnen, drie functies

    Mythen en religies gebruik ik niet als bewijs, maar als spiegel: ze laten zien hoe mensen al heel lang proberen te spreken over het geheel, over oorsprong, orde en betekenis. Filosofie gebruik ik om begrippen te scherpen en verborgen aannames bloot te leggen. Wetenschap gebruik ik waar ze kan meten, weerleggen en begrenzen. Drie tradities, drie functies: alle drie relevant, geen van drieën zelfstandig voldoende. Samen geven ze meer grip op wat we bedoelen als we ‘werkelijkheid’ zeggen.

    Concreet betekent dit het volgende. Als in verschillende mythische tradities steeds weer motieven terugkeren – scheiding van licht en donker, water en land, chaos en orde – dan zegt dat niets rechtstreeks over de kosmos zelf. Het zegt veel over terugkerende patronen in menselijk denken over begin en orde. Zulke patronen gebruik ik als tegenlicht voor mijn eigen begripsvoorstellen.

    Filosofie is hier vooral gereedschap om te preciseren en te begrenzen. Bepaalde discussies, bijvoorbeeld over de status van ‘niets’, over tijd, over causaliteit, zijn al zo vaak doordacht dat ik niet doe alsof alles vanaf nul begint. Ik gebruik filosofen niet als autoriteit om een debat te sluiten, maar als sparringpartner. Zij helpen markeren waar taal dubbelzinnig wordt, en waar een redenering meer veronderstelt dan die lijkt te doen.

    Wetenschap fungeert hier als waarschuwingssignaal, taalbron en grensbewaker. Natuurwetenschappen richten zich methodologisch op het meetbare en het tastbare. Dat is hun kracht en tegelijk hun afbakening. Wie die afbakening voor de werkelijkheid zelf houdt, verwart methode met wereldbeeld.

    4. Soorten uitspraken

    Niet alles wat volgt is van hetzelfde type uitspraak. Grofweg zijn er vier typen:

    • Beschrijvende uitspraken: analyses van taalgebruik of bestaande praktijken. Bijvoorbeeld: wanneer we ‘niets’ zeggen, behandelen we het vaak toch als ‘iets’.
    • Conceptuele voorstellen: definities of kaderzinnen als werkhypothese, niet als dogma. Bijvoorbeeld: werkelijkheid als ‘de zekerheid in ons alledaagse leven op grond waarvan we beslissingen nemen’.
    • Modeluitspraken: wanneer ik een ontstaanslijn voorstel (“je kunt de opbouw van werkelijkheid denken als…”) dan is dat een model. Dat is als heuristiek bruikbaar als het veel tegelijk inzichtelijk maakt, niet omdat het ergens ‘opgeschreven’ staat of een wetmatigheid zou zijn.
    • Speculatieve uitspraken: sommige stappen zijn niet logisch af te dwingen, maar lijken nodig om verder te komen. Waar ik zo’n stap zet, benoem ik dat.

    In elk hoofdstuk is duidelijk welk type uitspraak wordt gedaan om misverstanden te voorkomen. Een modelvoorstel opvatten als empirische claim is even onhandig als een taalanalyse lezen alsof die een moreel oordeel bevat.

    5. Abstract begin als discipline

    In de eerste hoofdstukken zal de insteek vooral abstract zijn. Dat is geen kille stijlkeuze, maar een zelfopgelegde discipline. Wie het te veel inkleurt, smokkelt via een achterdeur onderdelen naar binnen die je juist probeert te beschrijven.

    In Deel I spreek ik over werkelijkheid zonder de mens, de wereld of het universum als een bekend plaatje centraal te stellen. Zodra daar te snel alledaagse voorbeelden of herkenbare scènes bij worden gehaald, sluipt ‘onze wereld’ toch meteen weer als uitgangspunt naar binnen. De abstractie is dus niet bedoeld om afstandelijk te doen, maar om tijdelijk niet op bekende beelden te leunen en eerst te zeggen wat minimaal nodig is, voordat herkenbare voorbeelden het denken al sturen.

    In de delen over ervaring en maatschappij wordt de toon concreter. Daar horen voorbeelden, casussen en alledaagse scènes juist wél thuis. Het boek is dus niet overal even abstract; de strengheid aan het begin is een oefening in begripsdiscipline die later opnieuw wordt ingezet, maar dan op andere niveaus.

    6. De drie delen van het boek

    Het boek is opgebouwd uit drie delen die op elkaar ingrijpen:

    Deel I – Universum / premenselijk
    Centrale vraag: wat kun je over werkelijkheid zeggen als je mens, ervaring en maatschappij nog helemaal buiten beeld laat? Hier gaat het over minimale begrippen, zoals ‘iets’, ‘onderscheid’, ‘grens’, ‘vorm’, ‘tijd’, ‘ruimte’ en ‘orde’. Mythen en religies, filosofie en natuurwetenschappen dienen hier vooral als spiegel en toetssteen voor die begrippen; filosofische en wetenschappelijke confrontaties zijn daarom in Deel I opgenomen.

    Deel II – Ervaring
    Centrale vraag: hoe verschijnt werkelijkheid aan ons, en wat gebeurt er met die werkelijkheid doordat wij haar willen, vrezen of verwachten? Hier komen thema’s langs als waarneming, interpretatie, illusies, framing, betekenistoekenning. Psychologie en fenomenologie spelen op de achtergrond mee, maar zo veel mogelijk zonder technisch jargon.

    Deel III – Maatschappij
    Centrale vraag: hoe wordt werkelijkheid gedeeld, aangeleerd en opgedrongen? Hier gaat het om normen, recht, instituties, media, economie, technologie en alledaagse gebruiken. Wie bepaalt wat ‘normaal’ is, wat ‘feitelijk’ is of welke werkelijkheid in regels en systemen wordt vastgelegd? Dit deel is concreter en raakt direct aan onderwerpen als macht, ongelijkheid en conflict.

    De delen bouwen op elkaar voort, maar geen deel heeft het laatste woord. Wel is de volgorde bewust: van het premenselijke, via ervaring en maatschappij, naar de disciplines die het geheel proberen te doordenken.

    7. Leesroutes

    De meest voor de hand liggende leesroute is lineair, van Deel I naar Deel III. Die volgorde is niet hiërarchisch, maar wel functioneel: begrippen uit Deel I keren terug en worden verdiept. Indien je liever bij Deel II of Deel III begint: lees dan eerst alleen de inleiding van Deel I zodat de volgende delen een context hebben.

    Omdat hoofdstukken ook los online verschijnen, zijn ze zo veel mogelijk zelfstandige essays. Elk hoofdstuk stelt een eigen vraag, bouwt een eigen boog op en landt met een duidelijk inzicht of open vraag. Wie alleen een enkel hoofdstuk leest, krijgt dus geen samenvatting van het hele boek, maar wel een gedachtegang over een afgebakend thema voorgeschoteld. Wie het geheel leest, ziet hoe die lijnen op elkaar inhaken. Kernbegrippen keren soms terug, maar niet zonder reden.

    8. Reikwijdte van deze introductie

    De concrete uitwerking en scherpere definities volgen in de hoofdstukken zelf. Daar wordt zichtbaar wat die abstracte keuzes concreet betekenen. Als je na het lezen van deze introductie weet waar je aan begint en welke pretentie het boek níét heeft, lees je het vervolg met één vaste vraag: welke laag domineert hier?

  • HOW2 – 0.1. Voorwoord

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    0.1. Voorwoord

    De vraag wat werkelijkheid is, is de meest fundamentele zoektocht die we kennen. In de vroegste pogingen begon die zoektocht als mythe en religie, ging verder als filosofie en kreeg een nieuwe vorm in wetenschap.

    Opvallend genoeg stellen we die vraag zelden rechtstreeks.

    De werkelijkheid is vaak het canvas achter andere vragen. We discussiëren over waarheid, moraal, bewustzijn en het ontstaan van het universum, maar zelden over datgene waar het onderwerp van die discussies op geprojecteerd wordt: wat bedoelen we eigenlijk met ‘werkelijkheid’?

    Niet omdat de vraag onbelangrijk is, maar omdat zij te groot lijkt. Te alomvattend, te vaag, te moeilijk; misschien zelfs onbeantwoordbaar. Daarbij komt de veronderstelling dat de vraag vanzelf wordt opgelost zodra we meer weten over de Big Bang, de oorsprong van materie of het ontstaan van leven. Maar zelfs die kosmologische vragen zijn ondergeschikt aan de fundamentelere vraag waarbinnen ze betekenis krijgen.

    Er zijn dus talloze redenen om de vraag niet te stellen. Dat maakt het alleen maar interessanter om het toch te doen. Hoe ver kom je als je deze vraag wél serieus neemt?

    Ik begin niet met een antwoord, maar met de vraag zelf. Sterker nog: de juiste vraag stellen en definiëren is hier de belangrijkste inzet. Een te grote vraag blijft mistig. Een te smalle vraag geeft een schijnoplossing. Een goede vraag maakt zichtbaar wat je wel en niet bedoelt, welke aannames je meeneemt en waar je grenzen stelt.

    Ook de vorm is hier een keuze. Normaal gesproken wordt een voorwoord pas geschreven als het boek klaar is; als laatste. Dit voorwoord is anders: ik schrijf het vóór het schrijven van het ‘boek’. Ik noem het zo omdat ik deze online reeks als boek wil behandelen: met hoofdlijn, opbouw en discipline. Voor de lezer is dit een voorwoord; voor mij is het een leidraad. Dít moet het boek worden, tenzij het gaandeweg dwingt tot herziening.

    Het onderwerp spookt al mijn hele leven door mijn hoofd, maar het heeft inmiddels zoveel aspecten en dimensies dat het tijd wordt om ze vast te leggen en te testen op samenhang.

    De lezer hoeft geen voorkennis te hebben, maar wel ontvankelijkheid: wees bereid om datgene wat je al zeker weet even te parkeren. Ik zet aannames en gevolgen zo simpel mogelijk in het licht. Iedereen moet het kunnen begrijpen en kunnen bekritiseren. Het is onbevredigend als ideeën zo complex of zo algemeen worden geformuleerd dat de maker zich er altijd achter kan verschuilen. Daarom ben ik expliciet over mijn stappen en voorzichtig met begrippen die ongemerkt menselijk handelen veronderstellen.

    Als dit boek iets moet opleveren, is het niet dat je na afloop één definitie hebt waarmee je elke discussie wint. Het is eerder dat je beter gaat zien wat er bedoeld wordt als het begrip ‘werkelijkheid’ wordt gebruikt. Gaat het om de buitenwereld? Om ervaring? Om sociale norm? Om model en representatie? Wie dat onderscheid kan maken, raakt minder snel verstrikt in woorden die doen alsof de discussie al beslist is.

    De werkelijkheid is onontkoombaar: zij dringt zich aan je op. Maar ook het omgekeerde geldt. Mensen dringen hun werkelijkheid ook aan anderen op. Die invloed is niet gelijk verdeeld. In de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid gelden andere krachten dan in de natuurkunde. Sommigen hebben een onevenredige invloed op wat anderen als werkelijk ervaren.

    Ik nodig je uit om commentaar te leveren. Niet om een discussie te voeren om de discussie, maar om de vraag te testen: waar is zij te breed, waar te smal en welke definities of afbakeningen nodig zijn om zinnig over ‘werkelijkheid’ te spreken. Daar begint het.

  • Intermezzo: Mission aborted, lessons learned

    Vorige week gaf ik mezelf een serieuze uitdaging, of eigenlijk meerdere. Eerder had ik er wel eens over nagedacht hoe je een boek zou moeten produceren, maar de praktijk is vooral leerzaam. Met name omdat ik nu weet wat er misging: ik begon met de verkeerde ingang.

    Eerst dacht ik aan een tiental invalshoeken op Werkelijkheid, elk met een eigen domein: van objectief wetenschappelijk via cultuurdominantie, religie en filosofie tot strikt subjectieve invalshoeken. Die eerste tien groeiden al snel uit tot tientallen categorieën met eigen subonderdelen, te veel om te overzien. Daarom ben ik gewoon gaan schrijven. Soms werkte ik in zeven hoofdstukken tegelijk, maar gaandeweg tekende zich toch een indeling af: een structuur en een schrijfplan. Tot zover ging het vanzelf. Daarna niet.

    En hier ging het mis: bij het begin. Ik besloot te beginnen met een logisch, zelfs ontologisch, eerste deel: ‘in de voetsporen van Parmenides en Heraclitus’. Maar als opening is het té abstract en té metafysisch. Het kost me veel energie en levert voorlopig te weinig houvast op. Ik had een expliciete twist in gedachten, maar een compleet deel schrijven om later één twist toe te passen is niet in verhouding. Daarom heb ik deze route afgebroken. Geen uitstel, maar een herstart.

    Daarom begin ik nu met HOW2. Ik start dichter bij wat wél beschrijfbaar is en keer pas later, als er een ruggengraat staat, terug naar de funderingsvragen. Voorlopig kies ik productiviteit en verkenning. Het schaven komt later. De winst is dat ik deze vergissing vroeg heb gemaakt. Het kostte me ongeveer een week, en het leverde vooral helderheid op.

    Ik had al aangegeven dat ik een trucje nodig had om iedere dag te kunnen blijven publiceren. Daarbij dacht ik vooral aan de ‘boog’ van een langer werk, juist omdat puzzelen tijd kost. Daarom publiceer ik ook inleidingen en een voorwoord. Dat geeft me ruimte om het schrijfplan bij te sturen. Het moet iets opleveren. Ofwel een product, ofwel een realisatie die ik als intermezzo kan opnemen. Anders niet.

    Door de werkdruk is mijn taal in deze producties nog niet op niveau. Als ik dit ooit als compleet werk publiceer, zal ik het grondig moeten redigeren, herschikken en soms herschrijven.

    Bij herlezen zag ik dat ik aan bijna alle eerdere stukjes verkeerd had geschaafd. Daardoor werd het resultaat eerder ‘bland’. Dat is óók een les. Teksten compacter maken gaat ten koste van de persoonlijkheid van het product. Het leest sneller, maar het wordt ook droog, staccato en saai. Controlerondes op spelling en grammatica zijn dus prima, maar een te uitgebreide controle op stijl, compactheid en flow leidt wel tot leesbaarheid, maar niet per se tot een betere column.

    Als toelichting voor mijn onderwerpkeuze liet ik de serie voorafgaan door een stukje waarin ik voor het eerst meer biografische elementen opnam. Dat was een mijlpaal. Dat krijgt nu ook een extra functie: het markeert dat bijsturen onderdeel is van dit 2026-project, zodra de gekozen route te weinig oplevert. Ook dat hoorde bij de oefening.

    Met de publicatie van mijn drijfveren verliet ik het objectieve pad. Daardoor kan ik een minder strikte stijl hanteren: geen neutrale vorm en woordkeuze meer. Het is een reflectie van de manier waarop ik de wereld beleef, inclusief Engels en verwijzingen naar The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy, if I damn well feel like doing so.

    Ik blijf schrijven zonder de tekst in zijn geheel te reviseren, ook nu. Daar moet ik aan wennen. Het is waarschijnlijk efficiënter om eerst een reeks te maken. Ik schrijf nu vanuit een herstart. De oude opbouw laat ik los; de nieuwe moet zich opnieuw al schrijvend bewijzen. Ik hoop dat deze herziening beperkt blijft tot HOW2 en dat het geen reeks How-not-to’s wordt. Mission aborted. Lessons learned. Nu verder met HOW2.