Op 18 december 2025 maakte de gemeente Eindhoven bekend dat de toegang tot openbare AI-tools voor medewerkers is geblokkeerd. In een steekproef (23 september–23 oktober 2025) werden 2.368 uploads naar openbare chatbots gevonden. Daar zaten ook documenten met persoonsgegevens tussen; vanaf eind oktober mogen medewerkers alleen nog Copilot gebruiken binnen de gemeente-omgeving. Dat is verstandig – of beter: onvermijdelijk.
Diezelfde gemeente kan een inwoner aan de balie alsnog afwimpelen met: “Dat kan niet vanwege de AVG.” Dat contrast is pijnlijk, maar tegelijkertijd leerzaam.
Wanneer organisaties ‘de wet’ inzetten als dooddoener, verschuift de afweging van argumenten naar gemakzucht – met een juridisch sausje. Een inwoner vraagt: “Ik wil inzage in alle gegevens die de gemeente over mij heeft in het sociaal domein.” De medewerker leunt achterover, alsof het verzoek besmettelijk is. “Dat mogen wij u niet geven, dat mag niet van de AVG.” En dan klapt het gesprek dicht. Niet door een regel, maar door een formule: klaar, volgende. De wet is dan geen norm die je samen hanteert, maar een sluitknop die het gesprek afhandelt.
Dergelijke zinnen worden regelmatig gebracht als afsluiting. Ze klinken objectief, alsof er geen opties meer zijn: “Dat moet van compliance.” “Het mag niet van de wet.” Wie doorvraagt, krijgt een zucht, een standaardformulering, of het morele verwijt niet te begrijpen hoe gevoelig dit ligt. Juist dan telt precisie. Recht is geen decorstuk; het is publiek gereedschap om macht controleerbaar te houden. Zodra ‘de wet’ een retorische truc wordt, claimt de organisatie het recht als intern eigendom: de burger hoort alleen de uitkomst, maar geen redenering meer.
Het wringt extra omdat de juridische werkelijkheid zelden zo absoluut is als het gezucht aan de balie suggereert. De AVG blokkeert meestal niet ‘in het algemeen’; hij dwingt tot voorwaarden: wat is de grondslag, en hoe is de toegang afgeschermd? Het ‘recht op inzage’ bestaat juist ook om te kunnen controleren welke persoonsgegevens zijn vastgelegd en hoe deze worden verwerkt. Weigeren kán, maar alleen onder specifieke voorwaarden en met een deugdelijke motivering. Daarom is de Eindhoven-casus leerzaam: privacy fungeert naar buiten als schild, maar blijkt intern soms opvallend poreus. Te streng naar buiten, te los naar binnen: allebei gemakzucht, allebei oncontroleerbaar.
De AVG is slechts het nieuwste toneel. Banken hebben er hun eigen variant van, met antiwitwasregels. Er zijn situaties waarin een bank moet ingrijpen als risico’s reëel zijn. Maar veel vaker gaat het om beoordelingsruimte die dichtslibt door risicoaversie en auditproof denken.
Aan de klantkant klinkt dat graag als voorschrift: “Het moet van de Wwft.” Terwijl De Nederlandsche Bank op 17 december 2025 schreef dat bij klanten met een laag witwasrisico meer proportionaliteit en maatwerk mogelijk zijn, maar dat banken belemmeringen ervaren waardoor maatregelen zwaarder uitvallen dan nodig.
En als het niet ‘de wet’ is, dan is het ‘de techniek’. “Dat kan technisch niet.” Wie ooit met een helpdesk sprak, herkent de toon: alsof het systeem een natuurwet is.
In werkelijkheid is ‘technisch onmogelijk’ vaak dit: ooit was het logisch, nu krampachtig bewaakt door scripts, KPI’s en doorlooptijd. Het is de bureaucratische variant van “Computer says no”, niet eens kwaadaardig bedoeld, maar vooral gemakzuchtig. De uitzondering past niet in de doorlooptijd, dus wordt die uitzondering herdoopt tot ‘ongeoorloofd’.
Het tegenargument verdient aandacht: regels zijn complex, de frontoffice is zelden juridisch geschoold en standaardiseren voorkomt fouten – nuance kost tijd.
Bovendien kunnen burgers ook strategisch druk zetten, traineren of wensen verwarren met rechten.
Maar juist daarom is het onacceptabel om ‘de wet’ als rookgordijn te gebruiken. Wie zich beroept op een norm die voor iedereen geldt, moet die norm kunnen aanwijzen, of ten minste eerlijk zeggen dat het beleid is, óf een systeemkeuze, óf risicomijding.
Wie dat accepteert, aanvaardt dat regels niet meer hoeven te kloppen – alleen nog hoeven te werken. Daar kantelt het: van gelijk halen naar onderbouwen. Niet met boosheid of dreiging, maar met één simpele vraag die de werkelijkheid weer scherp maakt: “Waar staat dat dan?” Niet als brutaalheid, maar als uitnodiging tot precisie.
Die vraag dwingt tot één van drie vormen van eerlijkheid: (i) het staat werkelijk in een artikel of voorschrift, met vindplaats; of (ii) het is beleid, met een route om het aan te vechten; of (iii) het is een systeembeperking, met het best mogelijke alternatief. Elk van die drie eerlijke antwoorden is al beter dan de dooddoener: “Het mag niet!”
Publieke controle verdwijnt zelden in één dramatische klap. Hij verschraalt door kleine zinnen die niet meer hoeven te kloppen, omdat niemand ze nog laat toetsen. Daarom is de praktische oproep simpel en zonder opsmuk: wijs het artikel, de grondslag of de regel aan.
Tegenmacht begint bij een toetssteen. Stel de vraag: “Waar staat dat dan?”
Geef een reactie