Tag: William Forster Lloyd

  • De tragedie van de meent

    Hoe prikkels gedeelde voorzieningen voorspelbaar ondermijnen

    Zet een omheind privéveld naast een gemeenschappelijke weide en het mechanisme wordt zichtbaar. Op je eigen veld geldt een nuchter verzadigingspunt: extra vee loont alleen zolang er genoeg gras is. Zodra een extra dier het voer van je bestaande dieren opeet, stop je vanzelf. Niet uit deugd, maar omdat het je niets meer oplevert.

    Op de gemeenschappelijke weide verdwijnt die koppeling. Een extra dier levert jou de meeropbrengst op, terwijl de kosten van het extra grazen over alle gebruikers worden gespreid. Individueel blijft uitbreiden rationeel, maar collectief wordt het destructief.

    Daarin zit de ‘tragedie’: rationele, kleine keuzes die opgeteld uitmonden in een irrationeel en ongewenst eindpunt. Het probleem is niet dat iets ‘van iedereen’ is, maar dat gebruik ervan onbeperkt is en de kosten worden gedeeld. Daardoor loont nemen meer dan beheren: de opbrengst is privé, de kosten zijn voor rekening van allen, en dus schuift verantwoordelijkheid vanzelf door naar ‘iemand anders’. Dat is de kern: individuele winst op collectieve kosten heeft een voorspelbare afloop.

    Dit dilemma heet de ‘tragedie van de meent’, in het Engels ‘the tragedy of the commons’. Garrett Hardin maakte het breed bekend in zijn korte essay, waarin hij teruggrijpt op een voorbeeld uit een lezing van William Forster Lloyd (1833). Het gaat om prikkels: open toegang met een gedeelde rekening. Aristoteles signaleerde al in de ‘Politica’ (II.3) dat wat van ‘iedereen’ is, zelden door iemand echt wordt onderhouden.

    Hardin trekt die logica van gras naar andere gedeelde voorzieningen: hulpbronnen, ruimte, stilte, toegang en ook de mogelijkheid om afvalstoffen te lozen. Zijn punt is niet dat mensen slecht zijn, maar dat een oproep aan iemands geweten als bestuurlijk instrument zwak is. Als het systeem profiteert van zelfbeheersing, maar die niet beloont, wordt terughoudendheid een verliespost: wie zich inhoudt betaalt, wie doorzet wint.

    Om die reden komt Hardin in zijn essay uit bij een pijnlijk alternatief: “choose-or-acquiesce in the destruction of the commons”. Zonder begrenzing accepteer je dat vrij gebruik resulteert in de ondermijning van de voorziening. Hij stelt dat het noodzakelijk is om gebruik dwingend aan regels te binden, omdat een systeem dat leunt op vrijwillige zelfbeperking de terughoudenden straft: zij leveren opbrengst in, terwijl de ongeremden winnen. Op termijn blijven vooral ongeremden over.

    Daarom volgt bij Hardin ook de zin: “We institute and (grumblingly) support taxes and other coercive devices to escape the horror of the commons.” Belastingen, quota, toegangsbewijzen, vergunningen en boetes zijn in zijn benadering geen morele symbolen, maar noodremmen. Ze trekken een grens rond iets dat anders open blijft. Die grens beperkt vrijheid, maar voorkomt dat de voorziening door overgebruik onherstelbaar achteruit gaat.

    Hardin formuleert het cru: “Injustice is preferable to total ruin.” Dat is een diagnose, geen provocatie. Elk serieus beheer van een ‘commons’ introduceert ongelijkheid. Toegang wordt beperkt, er ontstaan quota, wachtrijen, betalingen, tijdsloten en controles. Iemand wordt uitgesloten of betaalt meer; iemand met bezit, netwerk of tijd komt makkelijker binnen. Dat voelt onrechtvaardig. Hardins stelling is dat die imperfectie te verkiezen is boven onbegrensd gebruik, dat eindigt in waardevernietiging.

    Hetzelfde mechanisme zie je waar iets ‘gratis’ lijkt. Denk aan de studenten die een nationale koeriersdienst startten op basis van een gratis OV-pas. Dat is geen verhaal over slechtheid, maar over prikkels: een persoonlijk voordeel kan worden omgezet in private winst, terwijl de kosten verspreid en onzichtbaar blijven. Wie de mogelijkheid ziet, gebruikt hem. Wie hem niet gebruikt, betaalt toch mee. Open toegang maakt creatief gebruik mogelijk en dat ontaardt snel in overgebruik.

    Dan volgt een praktisch onderscheid. Een gemeenschappelijke voorziening kan werken als de kring van gebruikers ook de kring van betalers en handhavers is, en als buitenstaanders niet onbeperkt kunnen binnenlopen. Binnen zo’n afgebakend systeem vallen baten en lasten uiteindelijk samen, soms via formele regels, soms via sociale druk. Maar zodra je een voorziening openzet voor gebruikers die niet bijdragen en wel verbruiken, verschuift de logica naar de weide van Lloyds: de individuele prikkel is dan om er meer gebruik van te maken, niet om het te onderhouden.

    Een meent hoeft niet altijd te ontsporen. Mensen kunnen samenwerken, normen vormen, elkaar aanspreken en reputatie kan disciplinerend werken. Maar dat ontkent Hardin niet. Hij laat alleen zien dat de ‘oplossing’ vaak al een vorm van begrenzing is: een duidelijke groep, herkenbare deelnemers, handhaving en een consequentie als iemand zich niet houdt aan de norm. Hardin noemt dat “mutual coercion, mutually agreed upon”. De vraag is niet óf er begrenzing komt, maar of je die vooraf organiseert of pas nadat schade ontstaat.

    De praktische consequentie is ongemakkelijk eenvoudig. Bij elke voorziening die ‘van ons allemaal’ is, zijn er drie vragen: wie mag er gebruik van maken, wie betaalt eraan mee en wie handhaaft.

    Als iemand die vragen wegwuift met een beroep op ‘vrijheid’, dan gaat het vaak minder om vrijheid dan om de vraag wie de rekening draagt. En wie onbegrensd kosteloos gebruik verwart met rechtvaardigheid, krijgt vaak precies waar Hardin voor waarschuwt: een moment waarop verdedigen niet meer loont en niemand nog iets verdedigt. Dan blijft er maar één grens over: die van het failliet.

    Wie geen grens durft te trekken, kiest er uiteindelijk voor dat het gedeelde verdwijnt.