Tag: Werkelijkheid

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Logisch onderscheid

    Een logisch beginpunt is een domein van mogelijke gevallen, met een regel die bepaalt wanneer twee gevallen niet samenvallen. Je kunt je zo’n domein voorstellen als een bak knikkers. Als alle knikkers binnen dit schema exact hetzelfde profiel hebben, is het zinloos om te spreken over ‘verschillende knikkers’: formeel zijn ze ononderscheidbaar. Zodra één knikker afwijkt, bijvoorbeeld één rode tussen vele blauwe, is er een minimaal onderscheid. Zonder dat iemand de knikkers sorteert, geldt al: de rode valt niet samen met de blauwe.

    In de logica leg je zo’n ‘onderscheid’ vaak vast met predicaten (eigenschappen) en relaties. Een predicaat P (bijvoorbeeld ‘is rood’) splitst het domein: voor sommige elementen geldt P wel, voor andere niet. Een relatieteken R (bijvoorbeeld ‘is groter dan’) koppelt twee elementen: voor sommige paren (a, b) geldt R(a, b), voor andere paren niet. In beide gevallen ontstaat een onderscheidstructuur: een patroon van wat wel en niet samenvalt binnen het gekozen schema. Dat patroon ligt vast in de formele beschrijving, ook als niemand het uittekent of benoemt.

    Een eenvoudig voorbeeld is een klas leerlingen. Formeel noteer je elke leerling als een element van een domein D. Stel dat je een predicaat P introduceert: ‘heeft vandaag een rode trui aan’. Dan ontstaat automatisch een verdeling: de leerlingen bij wie P waar is, en de leerlingen bij wie P niet waar is. Een relatie R (‘zit vóór’) doet iets vergelijkbaars: R(l1, l2) geldt voor sommige paren leerlingen en niet voor andere paren. Zelfs als niemand expliciet onderscheid maakt, ligt er in de ordening al een structuur van ‘wel’ en ‘niet’.

    Vanuit zo’n formeel perspectief kun je ‘onderscheid’ minimaal definiëren als het bestaan van ten minste twee elementen of toestanden in een domein waarvoor niet exact dezelfde predicaten gelden, of niet exact dezelfde relaties gelden. Als a en b binnen het gekozen schema voor alle toegelaten predicaten en relaties hetzelfde patroon hebben, dan zijn ze ononderscheidbaar; er is dan geen onderscheid. Zodra één predicaat wel voor a geldt en niet voor b, is er een onderscheid, ongeacht of iemand dat vaststelt. Dat is precies het soort waarnemer-onafhankelijk onderscheid dat dit hoofdstuk probeert te isoleren.

    Deze manier van kijken legt geen zware metafysica op. Ze zegt niet dat de werkelijkheid ‘in wezen’ een verzameling elementen met predicaten is. Ze laat alleen zien wat het minimaal betekent om binnen een gegeven kader van mogelijkheden van ‘onderscheid’ te spreken; dat kader bepaalt wat überhaupt als predicaat of relatie telt. Zolang elk element in het schema exact hetzelfde profiel heeft, is er structureel geen verschil. Pas wanneer elementen of toestanden niet hetzelfde profiel hoeven te hebben (P geldt voor sommigen wel en voor anderen niet; R geldt voor sommige paren wel en voor andere paren niet) ontstaat een onderscheidstructuur. Die formele benadering maakt twee punten zichtbaar. Ten eerste: je hebt geen waarnemer nodig om van onderscheid te spreken, alleen een domein met structuur. De uitspraak ‘er is een onderscheid’ betekent dan: er zijn in dit domein elementen of toestanden die binnen het gekozen schema van elkaar verschillen. Ten tweede: elk model dat iets wil beschrijven, of dat nu logisch, wiskundig of wetenschappelijk is, veronderstelt minstens één onderscheidstructuur. Zonder enige onderscheidbare toestand of verhouding heeft een theorie niets om te beschrijven. In die zin schuift logica de alledaagse vraag een stap door: van ‘wie maakt dat onderscheid en waarom?’ naar ‘waar in de structuur van mogelijkheden ligt het verschil?’ De volgende paragrafen onderzoeken hoe wetenschap en filosofie die vraag concreet invullen.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Taalkundig onderscheid

    Taal duwt ons vaak in de richting van een denkend en handelend subject. Werkwoorden als ‘onderscheiden’ en ‘categoriseren’ roepen bijna vanzelf een handelend individu op, zoals een keurmeester die goedgekeurd van afgekeurd scheidt. Zelfs wanneer het onderwerp abstract is (‘de wet onderscheidt drie categorieën’), sluipen handeling en bedoeling het beeld in: alsof er een instantie is die de grens trekt.

    Niet alleen werkwoorden; ook naamwoorden als ‘verschil’, ‘grens’, ‘categorie’ en ‘tegenstelling’ nemen die bagage mee. Ze suggereren meestal twee al afgebakende polen: rijk tegenover arm, mens tegenover dier, vriend tegenover vijand. In het Nederlands krijgt ‘verschil’ vaak de vorm: verschil tussen A en B. Taal presenteert onderscheid als iets dat tussen reeds bestaande dingen ligt, alsof de dingen er eerst waren en het onderscheid pas later is aangebracht. Daarmee komen impliciete vooronderstellingen mee naar binnen: het idee dat er eerst objecten zijn en pas daarna structuren van verschil.

    Je ziet dat ook in een eenvoudig tafereel: een kind dat de woorden ‘stoel’ en ‘tafel’ leert. In het begin valt alles waar je op kunt zitten samen in een vage categorie. Volwassenen wijzen en benoemen: “Dit is een stoel, dat is een tafel.” Ze benadrukken verschillen: een tafel is hoger, je zit er niet op maar zet er dingen op, stoelen horen eromheen. De woorden trekken scheidslijnen door de ervaringswereld. Vanaf dat moment ligt het voor de hand te denken dat ‘stoel’ en ‘tafel’ vaste categorieën zijn, en dat het onderscheid ertussen ‘gegeven’ is. In werkelijkheid is het onderscheid mede door taal versterkt: bepaalde verschillen zijn benoemd, andere genegeerd.

    Taal werkt hier tweeledig. Aan de ene kant maakt taal onderscheid zichtbaar: zonder namen, begrippen en grammatica zou veel van wat wij nu als duidelijke verschillen ervaren, vaag blijven. Aan de andere kant suggereert taal dat onderscheid altijd het resultaat is van een indelende blik. Grammatica zet verschil gemakkelijk neer als een operatie: iemand doet iets met ‘dit’ en ‘dat’. Zelfs zinnen zonder expliciet handelend individu (‘er is een belangrijk onderscheid tussen X en Y’) laten zich gemakkelijk herformuleren tot: ‘wie scherp kijkt, ziet een belangrijk onderscheid…’. Voor de vraag van dit hoofdstuk is die taalkundige neiging een hinderpaal. Als taal onderscheid voortdurend als handeling en als resultaat van indeling voorstelt, wordt het moeilijk om te denken aan een onderscheidstructuur die ook zou gelden zonder dat iemand die indeling maakt. Om van waarnemer-onafhankelijk onderscheid te kunnen spreken, moeten we taal tijdelijk terugbrengen tot iets formelers: een domein van mogelijke gevallen en een ‘niet-hetzelfde’-structuur daarbinnen. In de volgende paragraaf werk ik dat formeler uit met bewust eenvoudige beelden, zodat ‘onderscheid’ loskomt van de automatische koppeling aan een denkende en handelende spreker.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Alledaags onderscheid

    In de eerste twee hoofdstukken wordt ‘onderscheid’ al verondersteld. Zelfs ‘iets’ trekt een lijn: ‘dit’ in plaats van ‘dat’. In het dagelijks leven verschijnt ‘onderscheid’ zelden als een kale voorwaarde. Wie zegt ‘geen onderscheid te maken tussen mensen’, bedoelt vaak iets moreels: iedereen gelijk behandelen, ongeacht afkomst, leeftijd of uiterlijk. Wie klaagt dat er ‘geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen goed en slecht werk’, wijst op een norm die aan scherpte verliest. In die gevallen is ‘onderscheid’ gekoppeld aan degene die onderscheid maakt én aan een maatstaf die het verschil betekenis geeft.

    De varianten zijn talrijk, maar het patroon is vaak hetzelfde. Als je in de supermarkt voor een schap vol pastasauzen staat, lijken de potten op elkaar, maar je selecteert op één of twee criteria: prijs, merk, ingrediënten. Hier is ‘onderscheid’ een handeling: een criterium maakt één verschil relevant binnen een vraag of doel.

    Zonder expliciet oordeel kan het relevante verschil verschuiven, afhankelijk van de vraag die je stelt. Twee identieke glazen water op tafel zijn ‘hetzelfde’ zolang je vraag algemeen blijft: ‘wat staat er op tafel?’ Tot iemand zegt: “Pas op, in één zit chloor.” Dan verandert de vraag, en daarmee het onderscheid dat relevant wordt. Iets soortgelijks geldt bij tweelingen: zolang je hen niet kent, zie je ‘twee personen’; pas als je betrokken raakt, leer je kleine verschillen in hun manier van bewegen, hun stem en gelaatsuitdrukkingen herkennen. [Alledaags onderscheid groeit met context, betrokkenheid en de precisie van de vraag die je stelt.]

    In dat alledaagse spreken is ‘onderscheid’ vaak normatief en persoonsgebonden opgevat. Iemand selecteert, trekt een grens, legt een verschil vast of negeert het. Die koppeling zetten we in dit deel voorlopig tussen haakjes. De fundamentele laag wordt hier gedacht vóór personen, doelen en normen. Dit alledaagse spreken laat zien hoe snel ‘onderscheid’ als keuze- en beoordelingswerk wordt gelezen. Hier gaat het om ‘waarnemer-onafhankelijk’ onderscheid: verschil dat geldt zonder dat er iemand is die het waarneemt. Vanaf hier gaat het om ‘onderscheid’ als structuur, los van handelen en beoordeling. Er kan een verschil gelden tussen mogelijke toestanden of dragers, ook als niemand dat verschil benoemt, gebruikt of er belang bij heeft. Anders gezegd: hier gaat het niet om onderscheid dat ‘gemaakt wordt’, maar om niet-samenvallen binnen een domein. Dat vraagt afstand van de dagelijkse voorbeelden en opent de stap naar taal en logica: wat moet er minimaal gelden opdat verschil überhaupt denkbaar is.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Inleiding

    Dit hoofdstuk gaat over ‘onderscheid’ als minimale positieve structuur: het punt waarop binnen een domein van mogelijkheden niet alles samenvalt. In hoofdstuk 1 en 2 zat dat al impliciet. Zodra er ‘iets’ is, is ten minste een grens denkbaar tussen ‘dit’ en ‘niet-dit’. Hier gaat het niet meer om de vraag óf er verschil is, maar om wat ‘verschil’ minimaal moet betekenen.

     ‘Onderscheid’ klinkt al snel als iets dat mensen dóen: selecteren, beoordelen, rangschikken. Dat gebruik is relevant, maar het kan verhullen wat hier wordt gezocht. In Deel I gaat het niet om de rechtvaardiging van een grens, maar om de voorwaarde dat verschil kan gelden, ook zonder dat iemand het maakt of benoemt. Daarom loopt de route van alledaags gebruik via taal naar logica en modellen, om ‘onderscheid’ los te maken van de automatische koppeling aan een handelende waarnemer.

    De route is stapsgewijs. Ze loopt van alledaags en taalkundig onderscheid via logica (‘domein + niet-samenvallen’) naar wetenschap en filosofie, waar telkens zichtbaar wordt waar ‘verschil’ in het schema wordt geplaatst.

    Religieuze en mythologische taal voegen vervolgens iets toe dat in logica en wetenschap snel buiten beeld raakt. Ze spreken alsof onderscheid niet alleen een schema is, maar ook een beginhandeling. Dat dwingt geen conclusie af over ‘hoe het is’. Het scherpt de inzet aan: in zulke taal verschijnt verschil als iets dat mensen voorafgaat. Het hoofdstuk eindigt met ‘metafysisch onderscheid’ als werkvraag: welk deel van de onderscheidstructuur is zó minimaal dat je het niet kunt wegdenken zonder het idee van ‘werkelijkheid’ te verliezen?

  • HOW2 – 1.2. Iets (10/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    10. Conclusie

    Een minimaal ‘iets’ is datgene waarvoor binnen een domein ten minste één onderscheidbaar kenmerk geldt. Het hoeft geen volle wereld of kant-en-klaar ding te zijn. Zodra elk kenmerk wegvalt, is er binnen dit schema geen verschil meer met het absolute ‘niets’ uit het vorige hoofdstuk. Een minimale aanwezigheid is dus geen extra laag bovenop een leegte, maar de ondergrens waaronder ‘iets’ zijn betekenis verliest. Er is daarmee geen overgang vanuit absoluut ‘niets’, maar hoogstens het moment waarop minimaal onderscheid binnen een domein wordt verondersteld.

    In de route van dit hoofdstuk blijft dezelfde ondergrens zichtbaar. De variatie zit in invulling en beeld. Domein en drager blijven het minimum.

    Dat domein is hier zo mager mogelijk gehouden om geen ontologie mee te nemen; het is het formele minimum, de tabula rasa, waarbinnen ‘iets’ en ‘niets’ niet meer samenvallen. Een ‘rasa’ is leegte aan invulling op een tabula: die leegte veronderstelt een formeel bereik, niet de afwezigheid van een domein.

    ‘Iets’ betekent hier in eerste instantie ‘drager’: een rolaanduiding voor datgene waarop het verschil betrekking heeft. Het kan een toestand, verhouding, structuur of mogelijkheid zijn. Zonder zo’n dragerrol blijven termen als ‘eigenschap’ en ‘verschil’ in het luchtledige hangen en wordt ‘iets’ opnieuw leeg.

    Ten opzichte van Hoofdstuk 1 verschuift de vraag van ‘niets’ naar de minimale voorwaarden voor ‘er is iets’. Het vorige hoofdstuk betoogde dat een zuiver ‘niets’ in deze benadering geen zinvol beginpunt is: zodra je het probeert te denken, maak je er al ‘iets’ van. Dit hoofdstuk heeft dat impliciete ‘iets’ binnen dit schema uitgekleed: tot drager van minimaal verschil. De uitspraak ‘iets uit niets’ verliest daarmee haar schijnbare vanzelfsprekendheid. De rest van Deel I werkt dit verder uit via ‘onderscheid’.

    Tot nu toe is dat onderscheid vooral negatief getekend: het valt niet samen met het absolute ‘niets’ en is niet identiek aan elke andere mogelijke toestand. In het volgende hoofdstuk krijgt ‘onderscheid’ een positieve uitwerking. Wat betekent het dat er verschillen zijn ‘zonder waarnemer’, zonder iemand die ze benoemt of ervaart? Welke vormen van onderscheid zijn dan nog zinvol en waar ligt de grens voordat een ‘wereld’ in beeld komt? Met die vragen opent het volgende hoofdstuk.

  • HOW2 – 1.2. Iets (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Iets metafysisch

    Als je alle invullingen wegdenkt, blijft dit over: een minimaal ‘iets’ kan een verschil alleen dragen binnen een ‘waarbinnen’, een domein waarin een kenmerk ‘van’ iets kan zijn. Formeel gezegd: een eigenschap veronderstelt zo’n domein. Dat domein hoeft nog niet ingevuld te zijn als wereld, ruimte of veld; zonder dit minimum wordt ‘iets’ een lege term. Binnen dit schema is dat precies wat ‘minimale aanwezigheid’ betekent: genoeg domein om ‘iets’ van ‘niets’ te onderscheiden.

    Daarmee ontstaat een tweesprong: denk je alle achtergrond weg, dan verdwijnt het domein; vul je het direct in, dan wordt het te zwaar. Dan val je terug in het absolute niets uit het vorige hoofdstuk: geen ruimte, tijd, structuur of mogelijkheden. Maar als je het domein wél direct invult als ruimte-tijd, bewustzijn of een fysisch veld, neem je meer mee dan bij een minimaal ‘iets’ past. Je neemt ongemerkt al veel meer aan, terwijl het hier juist gaat om wat logisch voorafgaat aan elke wereldbeschrijving.

    Een uitweg is om ‘domein’ hier als formeel bereik te gebruiken, niet als substantie. Domein is hier de naam voor het formele bereik waarbinnen een verschil kán gelden, niet voor de invulling ervan. In die zin zegt ‘er is een domein’ niet dat er al een universum, een geest of een informatiestructuur gegeven is, maar alleen dat ‘iets’ en ‘niets’ binnen dat domein niet langer samenvallen. Verschillende ontologieën kunnen later een eigen invulling van dat domein voorstellen. Deze tekst legt die keuze niet vast; hij noteert alleen dat een verschil zonder domein binnen dit schema ophoudt een verschil te zijn. (Terzijde: ook als je ‘drager’ herleidt tot ‘kenmerk’ blijven ‘waarvoor’ en ‘waarbinnen’ nodig; een vormen- of ideeënleer verschuift vooral waar je het domein situeert.)

    Je kunt het zo samenvatten: een minimaal ‘iets’ bestaat niet in het luchtledige. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, bestaat er impliciet een kader waarin dat kenmerk verschijnt. Dat kader hoeft nog geen uitgewerkte wereldstructuur te zijn; het is eerder een formeel minimum dat alleen aangeeft dát er verschillen mogelijk zijn. Denk je dit minimum weg, dan val je terug in het ondenkbare niets; vul je het te snel in, dan specificeer je te veel.

    Metafysisch gezien is het minimale ‘iets’ daarom ingebed in een minimaal domein, hoe mager ook.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (8/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    8. Iets mythologisch

    In veel scheppingsverhalen is het veronderstelde ‘niets’ geen absolute leegte, maar een oertoestand: kloof, oeroceaan, duisternis of vormloze massa. Het eerste ‘iets’ verschijnt vaak niet als een los object, maar als verschil. Dat eerste onderscheid functioneert als ‘drager’: grens of scheiding. Twee voorbeelden maken die functie zichtbaar.

    Neem Genesis: in het verhaal begint de wereld met duisternis over de oervloed, totdat een scheppingswoord licht onderscheidt van het duister. Lees dit als narratief motief: een eerste markering. Dat licht is geen steen of planeet, maar de markering van een eerste onderscheid: licht tegenover donker, dag tegenover nacht.

    In het Enuma Elish ontstaat orde wanneer hemel en aarde uit één oermassa ‘uit elkaar’ worden gezet. Ook daar is het eerste ‘iets’ geen voorwerp, maar het ‘uit elkaar zetten’ zelf, waardoor ‘hemel’ en ‘aarde’ als onderscheiden polen kunnen gelden.

    In deze context werken zulke beelden als spiegel, niet als verslag van hoe de wereld werkelijk is begonnen. Het kleinste ‘iets’ ís de dragerrol van een verschil, verbeeld als scheiding of grens die dat verschil draagt.

    Mythen vullen het ‘waarbinnen’ beeldend in en veronderstellen daarmee een kader nog vóórdat een eerste verschil kan gelden. Als je de beelden wegdenkt, blijft de metafysische vraag: wat is de minimale status van dat ‘waarbinnen’, het domein waarop een verschil betrekking kan hebben.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (7/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    7. Iets religieus

    Religieuze taal vult het minimale schema vrijwel meteen in: ‘iets’ krijgt de vorm van ‘zijn’ of ‘aanwezigheid’ en fungeert als naam voor een eerste beginsel (‘prima causa’) dat onderscheid mogelijk maakt. In zulke taal verschuift ‘drager’ van rolaanduiding naar oorsprongstaal: niet alleen ‘waarvoor’ het onderscheid geldt, maar ook ‘waaruit’ het voortkomt. Dat ‘eerste beginsel’ is hier geen extra ‘ding’, maar taal voor ‘grond’ of ‘bron’ waarbinnen onderscheid kan gelden.

    In de joodse en christelijke traditie wordt dat vaak verbonden met Exodus 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’, Hebreeuws: ‘Ehyeh asher ehyeh’): niet als object tussen objecten, maar als ‘zijn’ dat als bron geldt. Die formulering wordt vaak gelezen als zelfbestaan door de tijd: ‘zijn’ dat niet van iets anders afhankelijk is. Ter illustratie heet die dragende rol elders ‘sat’ (‘zijn’) of ‘Dao’. Het woord ‘iets’ zelf staat vaak niet centraal; het gaat om een aanwezigheid die de dragerrol benoemt en het ‘waarbinnen’ als oorsprong markeert.

    In scheppingstaal ligt het accent niet op een sprong van niets naar iets, maar op een verhouding: Schepper–schepping, roepen–antwoord, gave–ontvangst. Zelfs waar men ‘schepping uit niets’ zegt, kan dat hier worden gelezen als ‘zonder vooraf bestaand materiaal’ en niet als ‘vanuit absoluut niets’. Daarmee verschijnt het ‘eerste’ als aangesproken onderscheid.

    Concreet wordt die minimale dragerrol meteen een beladen relatie. In zulke teksten verschijnt het eerste ‘iets’ vaak als woord of bevel (‘Er zij licht’), naam of adem: een uitgesproken onderscheid waardoor er orde, leven of licht kan gelden. Het onderscheid met ‘niets’ is hier niet alleen structureel, maar ook waardebeladen: het is ‘goed’ dat er iets is. Dat morele aspect laat ik in dit deel rusten.

    Samengevat wordt het begin zelden getekend als los ding, maar als aanwezigheid in een verhouding. Ook tradities zonder Scheppertaal kunnen het begin tekenen als complementaire polen (zoals yin/yang): niet één los ding, maar een onderscheid dat dragend wordt. Wat blijft, is de suggestie dat ‘van niets naar iets’ niet wordt gedacht als sprong van leegte naar object, maar wordt verwoord als dragende aanwezigheid (bijvoorbeeld ‘God’, ‘Dao’ of ‘Brahman’), waardoor verschil mogelijk wordt. Die intuïtie keert in mythische taal terug, waar het begin als eerste onderscheid wordt verbeeld en uitgewerkt.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Iets filosofisch

    Waar wetenschap een ‘iets’ operationaliseert binnen een model, vraagt filosofie naar de status van de voorwaarden van dat modelleren: het veronderstelde ‘waarbinnen’. Dat is de vraag die aan het eind van de vorige paragraaf openbleef. Daarom keert de vraag terug als: “Waarom is er iets en niet veeleer niets?” De inzet verschuift dan van ‘waarom is er überhaupt iets?’ naar ‘welke minimale structuur moet elk antwoord op die vraag al veronderstellen?’

    Dat minimaliseren is een veelvoorkomende filosofische beweging: eerst de minimale voorwaarden, pas daarna de invulling. De varianten verschillen, maar de beweging is herkenbaar: terug naar iets dat zo weinig mogelijk invult, zonder dat het begrip ‘iets’ oplost. Dat is ook de achtergrond van de bezwaren die nu volgen. Hoofdstuk 1 maakte ‘niets’ onwerkbaar als vertrekpunt; dit hoofdstuk maakt zichtbaar welke minimale structuur ‘er is iets’ al veronderstelt.

    Een eerste bezwaar ligt voor de hand: dit hoofdstuk lijkt vooral taal en logica te ordenen. Het vat ‘iets’ op als minimale drager van verschil en constateert dat absolute leegte geen bruikbare categorie is. Maar zegt dat wel iets over werkelijkheid, of alleen over onze manier van spreken? Het antwoord is nuchter: binnen deze benadering impliceert elke uitspraak over ‘ontstaan’ al minimaal onderscheid. Wie zegt dat ‘de wereld uit niets is ontstaan’, veronderstelt al een onderscheid tussen ‘niets’ en ‘er is iets’, en een grens waar ‘niets’ ophoudt en ‘er is iets’ begint. Dit maakt expliciet wat anders vaak impliciet blijft. Als die minimale stap intern tegenstrijdig is, kunnen ook de rijkere verhalen wankelen die erop steunen.

    Een tweede bezwaar richt zich op het woord ‘drager’. In dit hoofdstuk is ‘drager’ geen naam voor een aparte laag, maar een functiewoord. Wie stelt dat een minimaal ‘iets’ een drager van verschil is, kan de indruk wekken dat er toch een soort substantie wordt geïntroduceerd: een ‘ding’ dat ‘eronder ligt’ en eigenschappen zou ‘dragen’. ‘Drager’ is hier een rolaanduiding: het markeert waarop dat verschil betrekking heeft. Het helpt om in functionele termen te spreken: ‘drager’ benoemt hier een relatiepunt, geen onderlaag. In een formeel model kan dat een element van een domein zijn, maar net zo goed een toestand, een relatie of een mogelijkheid. In een latere metafysica kan het materieel, mentaal, als principe, wetmatigheid of informatie worden begrepen of iets anders zijn. Deze tekst legt niet vast wát drager is, maar wel dat een verschil zonder iets waarop het betrekking heeft leeg blijft.

    Een derde bezwaar: door voorbeelden uit logica, informatica en wetenschappelijke modellering te gebruiken, lijkt het alsof de fundamentele laag simpelweg fysisch is, desnoods in een informatie-jasje. Dan zou je alsnog een keuze hebben binnengehaald, bijvoorbeeld ‘alles is informatie’. Dat risico ontstaat wanneer de voorbeelden als ontologie worden gelezen. De voorbeelden worden hier gebruikt om te laten zien wat binnen modellen ‘minimaal verschil’ en ‘toestand’ betekenen. Ze zijn didactisch: ze laten zien dat men in de praktijk niet zonder toestanden en onderscheid kan als men iets wil beschrijven of modelleren. In de inleiding van Deel I is de fundamentele laag uitdrukkelijk als werkterm geïntroduceerd, zonder keuze tussen materie, bewustzijn, informatie of structuur. Daarmee is geen ontologie gekozen.

    Een laatste bezwaar: natuurlijk moet er ‘iets’ zijn, anders is er niets. Is dat de moeite van een heel hoofdstuk waard? Het probleem is dat de schijnbare trivialiteit vaak wordt overgeslagen, waardoor hardnekkige formuleringen als ‘iets uit niets’ aannemelijk lijken. Zolang ‘niets’ niet is onderzocht en ‘iets’ niet is teruggebracht tot minimaal verschil, blijft het mogelijk om te doen alsof er een lege toestand was waaruit een wereld tevoorschijn kwam. De analyse van hoofdstuk 1 en dit hoofdstuk laat zien dat zo’n voorstelling binnen dit schema onhoudbaar is: absolute leegte is in dit schema geen denkbaar beginpunt, en het kleinst mogelijke ‘iets’ is al een gestructureerd verschil. Daarmee ligt de filosofische inzet bloot. Juist omdat dit schema zo mager is, wordt zichtbaar hoe andere kaders het meteen wél invullen. In de volgende paragraaf gaat het om hoe religieuze taal ‘iets’ invult door meteen méér te zeggen dan dit minimale schema toelaat.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (5/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    5. Iets wetenschappelijk

    Wetenschappelijke beschrijvingen beginnen meestal niet bij ‘absoluut niets’, maar bij een model: een domein van mogelijke toestanden en grootheden. Je kunt dat modelmatige domein zien als een ‘tabula’ (formeel minimum), zonder ontologische claim. Dat domein kan minimaal gespecificeerd zijn, maar het blijft het formele bereik waarbinnen verschil betekenis heeft. Zonder minimaal onderscheid valt er methodisch niets te beschrijven. Pas dan krijgt ‘minimaal iets’ in deze context inhoud.

    In zulke kaders fungeert ‘informatie’ vaak als werkterm voor ‘verschil dat ertoe doet’: een toestand die afwijkt van de andere mogelijke toestanden en daardoor een rol kan spelen in een proces. Daarmee is geen ontologie gekozen. Het is een manier om minimaal verschil binnen een model hanteerbaar te maken.

    Dat betekent niet dat de fundamentele laag van de werkelijkheid per definitie fysisch, digitaal of informatief is. De voorbeelden zijn spiegels, geen fundamenten: ze laten zien hoe het beschrijven in de praktijk via modellen verloopt. Welke ontologie je daar later op projecteert, laat ik hier bewust open. Wat blijft staan, is dat absoluut niets methodisch geen bruikbare categorie is. Wanneer wetenschap soms in losse taal spreekt over ‘iets uit niets’, is dat meestal verkorte taal voor het verschijnen van iets binnen een reeds gespecificeerd modelkader, niet voor een ontstaan uit absoluut niets. Wetenschap zegt daarmee niet wat de werkelijkheid in laatste instantie is. Zij laat zien hoe werkelijkheid zó kan worden beschreven dat verklaren en voorspellen mogelijk worden. Vanuit dat oogpunt is een minimaal ‘iets’ methodisch onvermijdelijk. Zonder toestanden en verschillen valt er niets te meten, te modelleren of te verklaren. Daarmee blijft ‘er is iets’ in wetenschappelijke taal een lege vorm. Dat is voldoende om te modelleren, maar laat één vraag open: wat is de status van het veronderstelde ‘waarbinnen’ zelf? Daar begint de filosofische inzet van de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]