Tag: Semantiek

  • HOW2 – 1.2. Iets (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Iets in de taal

    Taal dwingt ons ‘iets’ vrijwel altijd ergens onder te brengen. In zinnen als ‘er ligt iets op tafel’ verschijnt ‘iets’ binnen een bekende structuur: context, plek en een factor die daarin een rol speelt. ‘Er staat iets tussen ons in’ suggereert een obstakel, letterlijk of figuurlijk. Het onbepaalde zit niet in het ontbreken van een domein, maar in het openlaten van wat het is binnen dat domein.

    Die reflex is begrijpelijk, maar wordt een valkuil zodra je over de meest fundamentele laag wilt spreken: taal trekt ‘iets’ snel een gedeelde context in. In hoofdstuk 1 merkte ik op dat ‘iet’, de bron van ‘iets’, letterlijk naar een ding verwees; maar het minimale ‘iets’ hoeft geen ding of object te zijn. Een minimaal ‘iets’ is geen stoel, steen of ster, en ook niet noodzakelijk een gedachte, afspraak of verwachting. Wie het woord automatisch als object leest, importeert een pakket impliciete veronderstellingen: grenzen, vormen, functies.

    Om die valkuil te vermijden, vat ik ‘iets’ voorlopig op als drager van verschil: geen substantie, maar een rol waarvoor het verschil geldt.

    De drager kan uiteenlopende gedaanten hebben zonder dat de uiteindelijke aard vastligt. Een eerste mogelijkheid is een toestand: er is ‘iets’ zodra een toestand verschilt van een andere toestand. Een tweede mogelijkheid is een verhouding: het verschil ligt in een relatie, niet in één drager. Een derde mogelijkheid is het verschil tussen kunnen en niet-kunnen: een niet-triviaal onderscheid tussen ‘dit kan’ en ‘dit kan niet’.

    In al deze gevallen is ‘iets’ geen meubelstuk van de kosmos, maar een functie in de structuur: drager van verschil. Taal laat zien dat we die dragerrol in ons spreken niet kunnen vermijden: eigenschappen, gebeurtenissen en mogelijkheden komen ‘van’ of ‘in’ iets. De vraag is niet wát die drager is, maar welke minimale voorwaarden bij die rol horen zodat ‘iets’ niet leeg wordt. Dat expliciteert de logica in de volgende paragraaf: welke minimale vorm de uitspraak ‘er is iets’ moet hebben.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Iets alledaags

    In alledaagse zinnen staat ‘iets’ zelden kaal. Meestal draagt het een kader mee. Wie zegt dat er ‘iets’ in de lucht hangt, wijst vaak op spanning, verwachting of een onuitgesproken conflict. ‘Er is iets met hem’ suggereert dat zijn gedrag of conditie afwijkt van wat normaal is. ‘Er is iets’ betekent meestal: er is iets dat telt binnen een bepaald kader, al blijft open wat het is.

    Ook wanneer ‘iets’ een vaststelling is (‘er ligt iets op de mat’, ‘er staat iets voor de deur’), blijft het gebruik concreet. Het woord benoemt niet wát er ligt of staat, maar verwijst wél naar iets met contouren dat je in principe kunt aanwijzen of oppakken. Alledaags ‘iets’ is daarmee een verzamelterm voor een bundel kenmerken: vorm, plaats, betekenis en mogelijke gevolgen. Daarvan abstraheert Deel I zoveel mogelijk. Dat gewone gebruik is hier niet verkeerd, maar te zwaar voor het doel van Deel I. Het vult ‘iets’ meteen in. Voor Deel I is juist het omgekeerde interessant: een ‘iets’ dat breed genoeg is om binnen elk denkbaar kader te passen, maar zo minimaal dat geen enkel specifiek kader het al invult. Welke minimale rest blijft over als je bijna alles wegdenkt, zodat het woord ‘iets’ nog contrast met ‘niets’ behoudt? De rest van het hoofdstuk probeert die rest vrij te maken door te beginnen bij wat taal met ‘iets’ doet.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Niets logisch

    Als we ‘niets’ logisch benaderen, kijken we naar wat we daarmee in zinnen en redeneringen zeggen, niet naar ‘absolute leegte’. In veel zinnen is ‘niets’ geen aanduiding van een ‘toestand’, maar een verkorte vorm van ‘Er is niets dat …’ binnen een bepaald domein.

    Dat domein blijft vaak impliciet: ‘Er is niets’ betekent in de praktijk meestal ‘Er is niets dat voldoet aan de onbenoemde criteria’. Logisch gezegd bestaat binnen een afgebakend domein geen enkel geval van X dat aan die impliciete eis voldoet. ‘Niets’ is hier een verkorte ontkenning met een weggelaten aanvulling.

    Het verschil wordt scherp als je kijkt naar het bereik van de ontkenning. ‘Niet’ ontkent een bewering; ‘geen/niemand/niets’ ontkent bestaan binnen een domein. ‘Ik heb iets niet gezegd’ betekent: één bepaald punt heb ik niet genoemd. ‘Ik heb niets gezegd’ betekent: er is in het geheel niets gezegd. In het tweede geval ontken je het bestaan van elke mogelijke uitlating binnen dat domein.

    Daarmee wordt duidelijk waarom ‘niets’ zo gemakkelijk ‘iets-achtig’ kan klinken. We behandelen het grammaticaal als iets waarover je kunt spreken (‘het niets’, ‘niets is …’), terwijl het semantisch meestal neerkomt op ‘er bestaat binnen dit domein geen enkel X’. Kort gezegd: ‘niets’ is ‘geen enkel X binnen dit domein’. ‘Niets’ is dan geen object, maar een ontkennende vorm die een mogelijkheid uitsluit binnen een specifiek kader. Die afwezigheid kun je dus heel precies uitdrukken, maar altijd relatief: als afwezigheid van iets binnen een domein.

    In de wiskunde en logica maken nul en de lege verzameling dit onderscheid zichtbaar: afwezigheid wordt er als object binnen een formeel systeem gemodelleerd. Het verschil is dat tussen (a) ‘niets voldoet aan voorwaarde P’ (een lege verzameling binnen een gekozen domein) en (b) een ‘lege wereld’ waarin er helemaal niets is, dus ook geen ruimte, tijd of wetten. Het eerste is logisch hanteerbaar; het tweede is het metafysische grensgeval waar taal zijn houvast verliest.

    De conclusie is tweeledig: logisch is ‘niets’ hanteerbaar als ‘geen enkel X’ binnen een gekozen domein. Los van dat domein wordt het een grenswoord dat markeert waar ontkenning en bevestiging nog betekenisvol zijn. 4.7 Juist daarom kan wetenschap ‘niets’ hanteerbaar maken: zij concretiseert het domein (deeltjes, velden, energie, ruimte-tijd) en kan dan zeggen wat er ontbreekt. Daarom betekent ‘niets’ in de natuurkunde zelden totale afwezigheid. Wie wetenschappelijk over ‘niets’ spreekt, begint met de vraag wat er precies ontbreekt. Een praktisch startpunt is dan het vacuüm: een toestand zonder deeltjes, maar niet zonder structuur. Dat wetenschappelijke ‘niets’ staat centraal in de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Niets alledaags

    Als je naar een lege doos wijst en zegt: “Er zit niets in”, begrijpt iedereen je. Strikt genomen is de stelling onwaar: er zit in ieder geval lucht in. Maar de zin werkt omdat ‘niets’ hier betekent: niets van wat in deze context relevant is, bijvoorbeeld niets van wat je zoekt. Hier betekent ‘niets’ dus: ‘geen X binnen dit kader’, niet ‘totale afwezigheid’.

    De dubbelzinnigheid van ‘niets’ zie je direct in het dagelijks gebruik. Meestal betekent ‘niets’: geen X binnen een bepaald kader, niet totale afwezigheid. Dat kader blijft vaak onuitgesproken, omdat gesprekspartners doorgaans weten welke verwachting, vraag of maatstaf op dat moment geldt. De omstandigheden bepalen wat ‘X’ is, en daarmee wat ‘niets’ in die zin ontkent.

    Die twee lezingen lopen gemakkelijk door elkaar. In relatieve zin betekent ‘niets’: geen X binnen een specifiek kader. In absolute zin betekent ‘niets’: het ontbreken van alles, zonder enkel kenmerk of eigenschap. Dat is de ultieme ontkenning, maar je kunt haar alleen negatief benaderen: door op te sommen wat er niet is. Juist daarom zijn vaste uitdrukkingen bruikbaar: daar betekent ‘niets’ bijna altijd ‘ontbrekend relevant iets’.

    Wie ‘uit het niets’ zegt, bedoelt meestal ‘plotseling’. Wie zegt dat ergens ‘niets aan’ is, bedoelt ‘niet de moeite waard’. ‘Voor niets’ betekent vaak ‘zonder resultaat’ of ‘zonder tegenprestatie’, en ‘op niets uitlopen’ kan teleurstelling, minachting, geruststelling of dreiging uitdrukken. In al die gevallen verwijst ‘niets’ naar een ontbrekend relevant iets, niet naar absolute leegte.

    Pas wanneer je het woord losmaakt van zo’n kader, ontstaat de strikte lezing: ‘niets’ als totale afwezigheid. Daar begint de wrijving: vanaf hier moet je het kader expliciet maken.

    Daarom nemen we het dagelijkse ‘niets’ eerst serieus als ‘geen X’. De rest is het expliciteren van het kader. Wie niet verduidelijkt wélk kader wordt ontkend, gaat ‘niets’ al snel lezen als een toestand, en daarmee als een soort ‘iets’. De controlevraag is dan telkens: ‘niets van wát?’

    Dit is geen muggenzifterij. Het laat zien hoe ‘niets’ in het dagelijks taalgebruik vaak een verkorte ontkenning met een weggelaten aanvulling is. ‘Er is hier niets’ betekent doorgaans: het gezochte ontbreekt, of niets voldoet aan wat je verwachtte. Het woord functioneert als een negatieve verwijzing: het wijst af in plaats van aan. Het benoemt meestal geen toestand van de wereld, maar een discrepantie tussen vraag en aanbod, tussen verwachting en waarneming.

    In het alledaagse spreken betekent ‘niets’ dus doorgaans ‘geen X’. Dat is praktisch, maar het maskeert dat ‘niets’ grammaticaal als zelfstandig naamwoord optreedt, alsof het naar een entiteit verwijst. Het kan onderwerp, object of bijwoordelijk zijn. In al die gevallen gedraagt het woord zich alsof het naar ‘iets’ verwijst, terwijl de inhoud ontkennend is. Dat is functioneel (we kunnen ermee redeneren, zinnen bouwen en verantwoordelijkheid toeschrijven), maar het duwt het denken ook richting een ‘ding’: alsof ‘niets’ iets is. Daarom verschuift de blik nu van gebruik naar woordvorm: betekenis, definitie en herkomst van het woord.

    [Wordt vervolgd…]