Tag: schikkingsbedrag

  • Schikken is rekenen

    Je kunt een zaak winnen en toch moeten schikken. Dat klinkt als een paradox, maar het is vooral een rekenprobleem dat zich voordoet zodra ‘gelijk hebben’ niet hetzelfde is als ‘klaar zijn’.

    Kort geleden stond ik een cliënt bij in een geschil dat, kort gezegd, om EUR 140.000 draaide. In eerste aanleg was mijn cliënt eiser; zijn verzoeken werden toegewezen en de tegenverzoeken van de wederpartij werden afgewezen. De wederpartij kondigde hoger beroep aan. Mijn cliënt wilde vooral niet dat het traject nog een jaar zou voortslepen, met de daarmee verbonden extra kosten en extra tijd. Daarom deed hij een schikkingsvoorstel.

    Het wringt dat je nog moet betalen terwijl de rechter je al gelijk heeft gegeven. Daarom moet je bij een schikking terug naar de kernvraag: wat koop je precies af?

    De wederpartij vond dat ‘een middenweg’ voor de hand lag. Hun conclusie lag al klaar: mijn cliënt moest EUR 70.000 betalen om het hoger beroep in te trekken. Mijn zakelijke insteek was: maximaal EUR 25.000. Niet omdat ik star wil zijn, maar omdat ik in dit soort gevallen eerst reken en pas daarna weeg.

    Wat koop je af?

    Een schikking is geen morele uitspraak maar een prijskaartje op onzekerheid: je koopt in de kern drie posten af, namelijk financiële kosten, het risico op verlies en tijd.

    Ten eerste: financiële kosten. Een hoger beroep kost geld, ook als je wint. Die kosten bestaan in beginsel hoofdzakelijk uit advocaatkosten en proceskosten. Als je redelijk kunt inschatten wat het vervolgtraject kost, dan is dat een harde component. In mijn voorbeeld leek het vervolg grotendeels een herhaling van zetten en zou deze post onder de tienduizend euro blijven.

    Ten tweede: het risico dat je de zaak verliest. De pijn zit meestal niet in ‘kosten’, maar in ‘wat als’. Je kunt in eerste aanleg glansrijk winnen en toch in hoger beroep iets kwijtraken: door een andere waardering, nieuw tegenbewijs, een beter uitgewerkte grief of simpelweg pech. Schikken is dan een soort verzekeringspremie (een hedge): je betaalt een bedrag om de kans op een slechte uitkomst te neutraliseren. In mijn inschatting lag die kans in het voorbeeld onder de tien procent. Uiteraard is dat geen zekerheid, maar een werkhypothese op basis van het dossier, de argumentatie en een inschatting van de competentie van de (ingeschakelde) professionele partijen.

    Ten derde: tijd. Tijd is geen romantische factor, maar een zakelijke factor. Een onafgerond geschil verlamt beslissingen. Soms is dat puur ‘opportunity loss’: je kunt niet plannen, niet verder ontwikkelen, niet verkopen. Soms is het ook gemoedsrust: een slepend geschil blijft beslag leggen op de bandbreedte in je hoofd. Dat is geen juridische noodzaak, maar het mag meetellen. Noem het dan wel wat het is: je koopt rust.

    De valstrik van de ‘middenweg’

    Het woord ‘middenweg’ klinkt redelijk, maar is vaak een tactiek. Het suggereert dat de waarheid ergens in het midden ligt, simpelweg omdat er twee posities zijn. Alsof een verschil automatisch symmetrie bewijst. Dat is retoriek, geen analyse.

    Als je dat accepteert, laat je de inhoud ongemerkt verdwijnen. Dan ga je niet meer praten over de vraag wie juridisch sterk staat, maar over wie het meest bereid is om van zijn eigen gelijk af te stappen. De wederpartij zet een anker hoog neer, noemt het ‘midden’ en hoopt dat jij of je cliënt het frame overneemt.

    De tegenzet is vervelend en nuchter. Je brengt de berekening terug naar de drie posten: kosten, risico, tijd. En je vraagt door: “Welke onzekerheid wil je precies afkopen, en waarom voor dit bedrag?” Niet om de ander te overtuigen, maar om jezelf te dwingen niet in een sfeer van ‘redelijkheid’ weg te drijven van de realiteit.

    Rekenen met aannames

    Het bepalen van een schikkingsbedrag blijft lastig. Je werkt met inschattingen, niet met zekerheden. Dat is niet erg. Het wordt pas gevaarlijk als je je aannames niet benoemt en toch doet alsof het bedrag ‘gewoon redelijk’ is.

    Rekenen onder onzekerheid betekent niet dat je de waarheid in decimalen kunt uitdrukken. Het betekent dat je je aannames zichtbaar maakt. In deze casus lag mijn rekenkundige bovengrens grofweg op: verwachte extra kosten (maximaal EUR 10.000) plus de kans op verlies (maximaal 10%) maal het nadeel bij verlies (EUR 140.000). Dat komt uit op circa EUR 24.000. Ik rondde dat af naar EUR 25.000 als praktische bovengrens, omdat ronde bedragen in een onderhandeling nu eenmaal een eigen werking hebben.

    Belangrijk detail: de wederpartij moet dezelfde berekening maken. Ook zij heeft kosten en onzekerheid. Ook zij koopt tijd af. Als zij doet alsof alleen jij ‘iets afkoopt’ en zij niet, dan is dat geen argument, maar een onderhandelingstactiek.

    Wie de eerdere stukken over ‘rechtmatigheid’ en over ‘bewijs’ las, herkent het onderliggende patroon: je wilt wegblijven bij woorden die lekker klinken en terug naar wat toetsbaar is. Ook hier. Niet ‘middenweg’, maar aannames. Niet ‘redelijk’, maar dragende posten.

    Toetsvraag

    Als je merkt dat je gaat schikken op gevoel, stel jezelf één vraag: “Welke drie posten koop ik nu af, en wat betaal ik per post: (i) kosten, (ii) kans op verlies en (iii) tijd?”

    Slot

    Schikken is geen laf compromis. Het is de discipline om een prijs te hangen aan onzekerheid en vervolgens te besluiten of je die prijs het waard vindt.

    P.S. In de genoemde casus is na ampele overwegingen geschikt voor EUR 35.000, omdat de cliënt duidelijk aangaf dat zijn gemoedsrust hem meer waard was dan het rekenkundig maximum dat ik met hem deelde. Dat is een begrijpelijke afweging.