Tag: schikken

  • De kosten van gelijk (1): van rekensom naar slijtageslag

    De procesrealiteit is dat kosten en kostenrisico het civiele proces sturen.

    Gelijk kan duur zijn

    Onlangs had een cliënt zijn zaak compleet en overtuigend gewonnen. Het belang was relatief klein en de kosten waren relatief hoog. De wederpartij was een draagkrachtige particulier die niet voor redelijke argumenten vatbaar was; hij wilde hoe dan ook zijn zin doordrammen en was bereid daarvoor te betalen. Dat hij ondanks zijn dure advocaat in eerste aanleg volledig had verloren, gaf al aan hoe weinig kansrijk hij in hoger beroep zou zijn, maar hij zette dit toch door. Mijn cliënt had gezien dat hij de eerder gewonnen zaak toch met een financiële verliespost moest afsluiten en dat in hoger beroep, zelfs bij winst, nog hogere kosten zouden volgen. Dit deed hem besluiten om toch maar te schikken. Een ijzersterke zaak werd op die manier verloren, eenvoudigweg vanwege het kostenrisico.

    Daar zit de vraag die onder veel civiele dossiers doorloopt: in welke mate bepaalt kostenrisico het gedrag, en wie houdt dat vol?

    Geld als rekeneenheid, kostenrisico als stuurknop

    In het civiele recht ligt een stille maar bepalende aanname onder vrijwel alles: het belang van partijen is uiteindelijk in geld uit te drukken. Niet omdat alles ‘om geld gaat’, maar omdat het systeem een rekeneenheid nodig heeft om claims vergelijkbaar en hanteerbaar te maken. Een verbod, bevel, verklaring voor recht of rectificatie, zelfs ‘eerherstel’ krijgt in de praktijk een prijskaartje, al is het maar indirect. Via de waarde van het geschil, het procesrisico, de te verwachten schade, en de kosten die aan het traject kleven.

    Die meetlat heeft een keerzijde: wat zich slecht laat prijzen raakt uit beeld en wat zich goed laat prijzen wordt een stuurknop. Wie de rekeneenheid beheerst, stuurt het gesprek, soms door helderheid te bieden. Soms door een rookgordijn te bouwen van termen die officieel klinken en dreigend voelen. ‘Proceskosten’. ‘Buitengerechtelijke kosten’. ‘Nakosten’. Je hoeft niet eens te liegen om druk te zetten. Onbegrip doet vaak al genoeg werk. Wie die vertaling beheerst, bepaalt niet alleen de inhoud, maar ook de rekensom: wat doorzetten kost, wat stoppen kost, en wat schikken kost.

    Daar hoort ook het griffierecht bij. Het griffierecht is de eerste harde drempel: een bedrag dat je vooraf moet betalen om überhaupt binnen te komen.

    Het stelsel op papier en de rekening in het echt

    Op papier oogt het proceskostenstelsel gematigd. De verliezer betaalt, maar veel posten volgen tabellen en het salaris van de advocaat wordt niet één-op-één vergoed, maar via een standaardbedrag per processtap. Op papier klinkt dat als een rem op escalatie. In de praktijk voelt het anders, juist omdat het stelsel twee waarheden tegelijk bevat. De eerste waarheid: kosten kunnen worden verhaald. De tweede waarheid: het verhalen dekt zelden de werkelijke rekening. Daardoor ontstaat een structurele kostenkloof. Zelfs wie wint, betaalt zelf.

    Dat maakt de opbrengst-kostenafweging meer dan een rekenoefening. Het gaat niet alleen om de hoogte van de vordering, maar om de verhouding tussen inzet en uitputting. Een procedure kan inhoudelijk principieel zijn en financieel slecht uitpakken. Een procedure kan inhoudelijk twijfelachtig zijn en toch lonen als drukmiddel. En een procedure kan inhoudelijk helder zijn, maar toch stranden omdat niemand de tijd en het risico wil dragen. Het civiele proces is dan niet alleen een route naar een uitspraak, maar ook een test: hoeveel rondes kan iemand betalen?

    Liquidatietarief: voorspelbaar, maar nooit dekkend

    Hier komt het liquidatietarief als kernmechanisme in beeld. Het is een puntensysteem: iedere stap krijgt punten en die punten leveren een vast bedrag op. Dat heeft een voordeel: snelheid en voorspelbaarheid, zonder strijd over iedere uurstaat. Maar het heeft ook een consequente schaduwzijde. Werkelijke advocaatkosten liggen vaak hoger dan die vaste tabelvergoeding, zeker bij ingewikkelde dossiers met veel overleg, veel producties, en veel heen en weer. Wie wint, krijgt dan een proceskostenveroordeling die netjes oogt, maar financieel alsnog een behoorlijk tekort laat.

    Dat verschil tussen liquidatietarief en werkelijke kosten is de plek waar het uithoudingsspel concreet wordt. Voor een eiser betekent het dat ‘winnen’ meestal nog steeds geld kost. Voor een gedaagde betekent het dat ‘rekken’ niet automatisch leidt tot het betalen van alle schade die je veroorzaakt door tijd. De inzet van een ronde is niet alleen juridisch, maar ook financieel. En voor wie meer draagkracht heeft betekent het dat tijd een wapen kan zijn. De reden is dat je de optelsom langer kunt dragen, terwijl je de werkelijke rekening niet volledig vergoed krijgt.

    Het uithoudingsspel: waar ‘gelijk’ verschuift naar volhouden

    Het is niet de karikatuur waarin iedereen bluft, maar de werkelijkheid waarin kostenrisico en uithoudingsvermogen meebeslissen. Partijen spelen erop in, of houden er ten minste rekening mee. Je ziet het in het tempo van brieven, in het aanbod van schikkingen, in de keuze voor extra rondes, en in de manier waarop hoger beroep als dreiging wordt neergelegd.

    Bedrijven: reeksen, precedent en de logica van schaal

    Een bedrijf handelt in beginsel rationeel, het gaat om wat er onderaan de streep overblijft. De kosten aan bedrijfszijde zijn al snel hoger. In tegenstelling tot particulieren kost bij een bedrijf iedere minuut geld. Veel bedrijven huren gespecialiseerde derden in die ook gewoon voor alles een factuur schrijven. Kosten bedragen dus al snel een paar honderd euro. Wat is dan de rationele keuze als het geschil om een gering bedrag gaat? Ook voor een bedrijf kan het ‘principieel’ zijn in verband met de boodschap die het uitdraagt (precedentwerking). Sommige grote spelers kiezen er daarom voor om zelfs over een tientje te procederen. Dan gaan de kosten niet over die specifieke, per definitie verlieslijdende zaak, maar om deze zaak als onderdeel van een reeks zaken. Zolang het bedrijf de overtuiging heeft dat het over de hele breedte minder kost dan het oplevert, zal het ook de kleinste vordering doorzetten.

    De advocaat en de budgetwaarheid

    De advocaat zit midden in die spanning. Niet als boeman, maar als professional met een dubbel mandaat. Een advocaat is er om de cliënt te helpen winnen, maar ook om de cliënt te behoeden voor slechte investeringen. Die twee lopen vaak samen, maar niet altijd. Sommige procedures zijn inhoudelijk sterk, maar financieel ongunstig. Andere procedures zijn inhoudelijk onzeker, maar financieel te dragen, bijvoorbeeld omdat de schade van ‘niets doen’ groter is dan de kosten van procederen. In beide gevallen moet iemand het gesprek voeren dat cliënten liever vermijden: wat is het doel, wat is het budget, en wanneer is stoppen verstandig?

    Daar wordt het ongemakkelijk. Juristen zijn getraind om het inhoudelijke te zien: wat er ontbreekt, wat zwak is onderbouwd, en welke aanval in hoger beroep kansrijk kan zijn. Cliënten voelen de tijd en de rekening. Dat verschil in ervaring kan een zaak scheef trekken. Niet door kwade wil, maar door perspectief. Als iemand zegt: ‘nog één ronde’, klinkt dat als gerechtigheid. Het klinkt ook als: nog één factuur. Het uithoudingsspel dwingt professionals om dat tweede hardop te blijven zeggen, ook als het niet leuk is om te horen. Anders wordt het budget geen randvoorwaarde, maar een verrassing.

    Rechtsbijstand en verzekeraars: macht door dekking en regie

    Rechtsbijstand maakt die asymmetrie scherper. Wie een advocaat per uur betaalt, voelt iedere stap direct. Wie procedeert met rechtsbijstandverzekering voelt vooral het eigen risico, de polisvoorwaarden en de regie van de verzekeraar. Wie procedeert met gesubsidieerde rechtsbijstand voelt vooral de eigen bijdrage en de grenzen van het systeem. Die verschillen zijn niet alleen boekhoudkundig. Zij bepalen hoeveel druk iemand kan verdragen, hoeveel rondes iemand kan spelen, en hoe snel schikken rationeel wordt.

    Voor wie met verzekering procedeert zit er nog een speler aan tafel: de verzekeraar. Die partij betaalt niet alleen, maar stuurt ook. Er is een budget, er zijn voorwaarden, soms is er een voorkeur voor schikken. Dat is rationeel, want de verzekeraar heeft belang bij voorspelbaarheid en kostenbeheersing. Voor de verzekerde kan dat twee kanten op werken. Dekking maakt het makkelijker om druk te weerstaan, maar de regie kan ook betekenen dat het dossier wordt behandeld als kostenpost, niet als principe. Het uithoudingsspel krijgt dan een extra laag: je onderhandelt niet alleen met de wederpartij, maar ook met de grenzen van je eigen dekking.

    De rechter en het systeem: schikken als efficiëntie, schikken als druk

    De rechter hoort geen compromis te verzinnen, maar de inrichting van de procedure maakt de rechter wel onderdeel van het mechanisme. Er wordt gevraagd naar schikkingsbereidheid. Partijen worden uitgenodigd om buiten de zaal (‘op de gang’) te overleggen. Dat is begrijpelijk. Schikken bespaart tijd, voorkomt dat een vonnis nieuwe discussiepunten opent en verkleint de kans op een tweede ronde. Alleen: als je aan tafel zit, voelt de uitnodiging niet neutraal. Wie weigert te schikken kan vrezen dat dat als onredelijk wordt gezien, ook als niemand het zo opschrijft.

    Hier wordt het uithoudingsspel institutioneel. Niet omdat de rechter het spel speelt, maar omdat het systeem tijd schaars maakt. Wachttijd vertaalt zich in kosten. Kosten vertalen zich in druk. Het forum is dan niet alleen een plek van besluit, maar ook een machine die het conflict duurder maakt naarmate het langer duurt. Een partij die tijd kan kopen krijgt daarmee onderhandelingsruimte. Een partij die geen tijd kan kopen betaalt voor rust.

    Landing: de rekensom als conclusie

    Strikt rationeel geldt: als de zekere meerkosten hoger zijn dan de bandbreedte van een schikking, is schikken de verstandige keuze.

    Als je alles in ogenschouw neemt, schuift het kostenrisico zelfs terug tot vóór het conflict: het gaat in de prijs zitten.

    In deel 2 volgt: hoe dit mechaniek zich vertaalt naar druk, dreiging en keuzes in het dossier.

    Wie de kostenkloof onderschat, verliest vaak niet op inhoud maar op uithoudingsvermogen.

  • Proportionaliteit: net genoeg

    Proportionaliteit is het woord dat je pas hoort als iemand te zwaar heeft ingezet. Dat kan de overheid zijn met een maatregel, maar net zo goed jij met een processtap. Je neemt een middel om iets te bereiken en later blijkt dat het middel meer schade deed dan het probleem dat je wilde oplossen.

    Escalatie als schijncontrole

    Escalatie voelt als kracht. Je zet druk, je laat zien dat je het meent, je jaagt de ander uit de luwte. Maar in veel dossiers is escalatie ook een vorm van zelfbedrog. Je wekt de schijn van controle, terwijl je tegelijk de ruimte versmalt waarin het nog netjes kan worden opgelost.

    En ja: het recht heeft daar een oordeel over. Rechters wegen mee of de maatregel in verhouding staat tot het doel. Een stap kan juridisch toelaatbaar zijn en toch sneuvelen omdat de schade of druk buitensporig is. Dan krijg je geen gelijk, maar een correctie. Dat zie je scherp bij beslag: het middel dat het meest drukt is vaak ook het middel dat een rechter het eerst tempert.

    Praktijkcasus

    Een cliënt won een procedure tegen een bedrijf, maar betaling bleef uit. Formeel waren er meerdere routes om druk te zetten: beslag op bankrekeningen of beslag op onroerend goed. Het verschil zat niet in ‘kunnen’, maar in het effect. Bankbeslag, vooral rond het moment dat salarissen en belastingen betaald moeten worden, zou het bedrijf direct klem zetten. Juist daarom oordeelde de rechter dat die stap te zwaar was. Beslag op de panden mocht wel, maar het voelde minder acuut en werkte daardoor trager. Er is uiteindelijk geschikt voor een bedrag waar de cliënt mee kon leven. De keerzijde van proportionaliteit is duidelijk: wie minder druk mag zetten, krijgt vaak ook minder ruimte om het maximale eruit te halen.

    Doel, middel, schade

    De juridische insteek is simpel: doel en middel moeten bij elkaar passen. Niet alleen in theorie, maar hier: met deze mensen, deze bedragen, deze verhoudingen. Een maatregel kan op papier logisch zijn en in de praktijk toch onaanvaardbaar, omdat de schade voor de ander buitensporig is vergeleken met wat je ermee wint.

    Dat idee werkt in twee richtingen. Als je wordt geraakt door een botte maatregel, kun je de vraag stellen: was dit echt nodig, of was het vooral makkelijk? Maar als je zelf het middel kiest, geldt dezelfde discipline: helpt dit aantoonbaar, is er een minder ingrijpend alternatief, en weegt de opbrengst op tegen de schade die je veroorzaakt en ook tegen de schade die je jezelf aandoet? Dat ‘minder ingrijpend alternatief’ is subsidiariteit; in de praktijk lopen die twee bijna altijd samen: eerst de lichtste werkbare stap, en pas daarna zwaarder als het moet.

    Veel fouten ontstaan door een verkeerde definitie van het doel. Het formele doel is meestal: stoppen, herstellen, afspreken, begrenzen. De gevoelde bedoeling is: laten voelen dat jij gelijk hebt en de ander te forceren. Dat bijdoel levert een moment van voldoening op, maar het maakt je dossier vaak slechter. Het trekt de wederpartij het gevecht in en het geeft de rechter een extra onderwerp om zich aan te ergeren: waarom moest dit zo zwaar?

    Beslag als kantelpunt

    Neem beslag. Zoals in de casus: de vraag is niet alleen óf het kan, maar wélke variant je mag inzetten. Beslag kan een legitiem instrument zijn, maar het is ook de klassieker van een middel dat erger kán worden dan de kwaal. Iemand kan in één klap vastgezet worden, vaak nog voordat er inhoudelijk is gekeken. Dan is de kans groot dat het conflict niet meer over de vordering gaat, maar over de vernedering en de paniek. Wie die reactie oproept, moet ook bereid zijn het vervolg te dragen: extra kosten, meer weerstand en minder bereidheid om redelijk te schikken.

    Net genoeg

    Proportionaliteit is niet gratis: soms levert het minder op, juist omdat je minder druk mag zetten. Proportionaliteit is daarom geen zachte deugd, maar een strategie. Wie net genoeg doet om het probleem te stoppen, houdt meer opties open. Je dwingt waar nodig, maar je laat de ander een uitweg met waardigheid. Dat is geen beleefdheid. Dat is efficiënt. Het voorkomt de reflex van tegenmaatregelen, verharding, statusspel en gezichtsbehoud.

    De toets is zelden: ‘Mag het?’ De toets is meestal: ‘Is dit verstandig, nu, met deze inzet?’ Een rechtsmiddel is gereedschap. Wie een hamer heeft, ziet spijkers. Proportionaliteit is het moment waarop je even kijkt of je niet je eigen ruiten ingooit. En meestal komt meteen de tweede vraag mee: is er een minder ingrijpende stap die ook werkt?

    Slot

    Proportionaliteit is: precies genoeg.

  • Schikken is rekenen

    Je kunt een zaak winnen en toch moeten schikken. Dat klinkt als een paradox, maar het is vooral een rekenprobleem dat zich voordoet zodra ‘gelijk hebben’ niet hetzelfde is als ‘klaar zijn’.

    Kort geleden stond ik een cliënt bij in een geschil dat, kort gezegd, om EUR 140.000 draaide. In eerste aanleg was mijn cliënt eiser; zijn verzoeken werden toegewezen en de tegenverzoeken van de wederpartij werden afgewezen. De wederpartij kondigde hoger beroep aan. Mijn cliënt wilde vooral niet dat het traject nog een jaar zou voortslepen, met de daarmee verbonden extra kosten en extra tijd. Daarom deed hij een schikkingsvoorstel.

    Het wringt dat je nog moet betalen terwijl de rechter je al gelijk heeft gegeven. Daarom moet je bij een schikking terug naar de kernvraag: wat koop je precies af?

    De wederpartij vond dat ‘een middenweg’ voor de hand lag. Hun conclusie lag al klaar: mijn cliënt moest EUR 70.000 betalen om het hoger beroep in te trekken. Mijn zakelijke insteek was: maximaal EUR 25.000. Niet omdat ik star wil zijn, maar omdat ik in dit soort gevallen eerst reken en pas daarna weeg.

    Wat koop je af?

    Een schikking is geen morele uitspraak maar een prijskaartje op onzekerheid: je koopt in de kern drie posten af, namelijk financiële kosten, het risico op verlies en tijd.

    Ten eerste: financiële kosten. Een hoger beroep kost geld, ook als je wint. Die kosten bestaan in beginsel hoofdzakelijk uit advocaatkosten en proceskosten. Als je redelijk kunt inschatten wat het vervolgtraject kost, dan is dat een harde component. In mijn voorbeeld leek het vervolg grotendeels een herhaling van zetten en zou deze post onder de tienduizend euro blijven.

    Ten tweede: het risico dat je de zaak verliest. De pijn zit meestal niet in ‘kosten’, maar in ‘wat als’. Je kunt in eerste aanleg glansrijk winnen en toch in hoger beroep iets kwijtraken: door een andere waardering, nieuw tegenbewijs, een beter uitgewerkte grief of simpelweg pech. Schikken is dan een soort verzekeringspremie (een hedge): je betaalt een bedrag om de kans op een slechte uitkomst te neutraliseren. In mijn inschatting lag die kans in het voorbeeld onder de tien procent. Uiteraard is dat geen zekerheid, maar een werkhypothese op basis van het dossier, de argumentatie en een inschatting van de competentie van de (ingeschakelde) professionele partijen.

    Ten derde: tijd. Tijd is geen romantische factor, maar een zakelijke factor. Een onafgerond geschil verlamt beslissingen. Soms is dat puur ‘opportunity loss’: je kunt niet plannen, niet verder ontwikkelen, niet verkopen. Soms is het ook gemoedsrust: een slepend geschil blijft beslag leggen op de bandbreedte in je hoofd. Dat is geen juridische noodzaak, maar het mag meetellen. Noem het dan wel wat het is: je koopt rust.

    De valstrik van de ‘middenweg’

    Het woord ‘middenweg’ klinkt redelijk, maar is vaak een tactiek. Het suggereert dat de waarheid ergens in het midden ligt, simpelweg omdat er twee posities zijn. Alsof een verschil automatisch symmetrie bewijst. Dat is retoriek, geen analyse.

    Als je dat accepteert, laat je de inhoud ongemerkt verdwijnen. Dan ga je niet meer praten over de vraag wie juridisch sterk staat, maar over wie het meest bereid is om van zijn eigen gelijk af te stappen. De wederpartij zet een anker hoog neer, noemt het ‘midden’ en hoopt dat jij of je cliënt het frame overneemt.

    De tegenzet is vervelend en nuchter. Je brengt de berekening terug naar de drie posten: kosten, risico, tijd. En je vraagt door: “Welke onzekerheid wil je precies afkopen, en waarom voor dit bedrag?” Niet om de ander te overtuigen, maar om jezelf te dwingen niet in een sfeer van ‘redelijkheid’ weg te drijven van de realiteit.

    Rekenen met aannames

    Het bepalen van een schikkingsbedrag blijft lastig. Je werkt met inschattingen, niet met zekerheden. Dat is niet erg. Het wordt pas gevaarlijk als je je aannames niet benoemt en toch doet alsof het bedrag ‘gewoon redelijk’ is.

    Rekenen onder onzekerheid betekent niet dat je de waarheid in decimalen kunt uitdrukken. Het betekent dat je je aannames zichtbaar maakt. In deze casus lag mijn rekenkundige bovengrens grofweg op: verwachte extra kosten (maximaal EUR 10.000) plus de kans op verlies (maximaal 10%) maal het nadeel bij verlies (EUR 140.000). Dat komt uit op circa EUR 24.000. Ik rondde dat af naar EUR 25.000 als praktische bovengrens, omdat ronde bedragen in een onderhandeling nu eenmaal een eigen werking hebben.

    Belangrijk detail: de wederpartij moet dezelfde berekening maken. Ook zij heeft kosten en onzekerheid. Ook zij koopt tijd af. Als zij doet alsof alleen jij ‘iets afkoopt’ en zij niet, dan is dat geen argument, maar een onderhandelingstactiek.

    Wie de eerdere stukken over ‘rechtmatigheid’ en over ‘bewijs’ las, herkent het onderliggende patroon: je wilt wegblijven bij woorden die lekker klinken en terug naar wat toetsbaar is. Ook hier. Niet ‘middenweg’, maar aannames. Niet ‘redelijk’, maar dragende posten.

    Toetsvraag

    Als je merkt dat je gaat schikken op gevoel, stel jezelf één vraag: “Welke drie posten koop ik nu af, en wat betaal ik per post: (i) kosten, (ii) kans op verlies en (iii) tijd?”

    Slot

    Schikken is geen laf compromis. Het is de discipline om een prijs te hangen aan onzekerheid en vervolgens te besluiten of je die prijs het waard vindt.

    P.S. In de genoemde casus is na ampele overwegingen geschikt voor EUR 35.000, omdat de cliënt duidelijk aangaf dat zijn gemoedsrust hem meer waard was dan het rekenkundig maximum dat ik met hem deelde. Dat is een begrijpelijke afweging.