Tag: rechtsstaat

  • Rechtvaardigheid is geen betrouwbaar alternatief voor rechtmatigheid

    Wat doe je als jouw gevoel voor ‘rechtvaardigheid’ botst met de uitkomst die het recht oplevert? De stelling die daaronder ligt is ongemakkelijk: als maatstaf is ‘rechtvaardigheid’ namelijk te rekbaar om beslissend te mogen zijn. Het begrip ‘rechtmatigheid’ is bedoeld om beslissingen herhaalbaar te maken en persoonlijke opvattingen te begrenzen.

    Begripsafbakening

    Rechtvaardigheid is de morele beoordeling van een uitkomst: of die eerlijk, billijk en menselijk is. Dat oordeel is vaak intuïtief en sterk, maar ook wisselend per persoon, per achtergrond, per tijd en soms zelfs per gemoedstoestand.

    Rechtmatigheid betreft de vraag of een beslissing past binnen een vooraf kenbaar en algemeen kader, en of dat kader correct is toegepast op het specifieke geval. Het gaat dan niet om wat het meest bevredigend voelt, maar om wat je kunt uitleggen als regel en reden. Niet “Ik vind dit.”, maar “Dit volgt hieruit.”

    Waarom afbakening noodzakelijk is

    Rechtvaardigheidsgevoelens vallen in de eerste plaats niet samen. In een gedeelde omgeving kan het lijken alsof er één vanzelfsprekende ‘juiste’ uitkomst is. Dat is vaak een bubbel-effect: je deelt dezelfde normen, dezelfde ergernissen, dezelfde intuïties. Zodra die gedeelde achtergrond ontbreekt, staat het begrip ‘rechtvaardig’ niet meer voor één maatstaf, maar voor een van de concurrerende maatstaven.

    In de tweede plaats heeft een samenleving regels nodig die vooraf formuleerbaar en achteraf toepasbaar zijn op heel veel verschillende gevallen. Dat vraagt om abstractie. En een algemeen toepasbare abstractie schuurt, omdat mensen hun eigen geval als uniek ervaren. Die abstractie is de prijs voor voorspelbaarheid en gelijke behandeling: zonder die stap krijg je geen duidelijke norm, maar een reeks losse beoordelingen die op elkaar lijken en toch telkens anders uitpakken.

    Ten derde omdat recht een vorm van zelfbeheersing organiseert. Goede bedoelingen of oprechte overtuigingen zijn niet genoeg. Het recht is er juist voor situaties waarin mensen overtuigd zijn van zichzelf, maar niet van elkaar. Dan heb je iets nodig dat niet afhangt van wie het luidst verontwaardigd is, het mooist vertelt, of het grootste verlies claimt.

    De afstandelijke blik van de rechter

    Als je verliest terwijl je denkt dat je gelijk hebt, voelt het al snel alsof de rechter je niet ‘ziet’. Dat is een begrijpelijke ervaring. Maar het probleem is meestal niet dat de rechter geen mens is. Het probleem is dat de rechter een andere opdracht heeft dan jouw morele intuïtie bevestigen.

    Kort gesteld moet de rechter beslissen alsof de zaak morgen opnieuw kan terugkomen. Niet dezelfde personen, wel dezelfde structuur. En hij moet kunnen uitleggen waarom hij vandaag deze keuze maakt, zó dat hij die keuze morgen ook kan verdedigen als de rollen zijn omgedraaid. Daarom zie je als buitenstaander vaak vooral de rechtvaardiging: de vertaling van oordeel naar redenen die controleerbaar zijn voor anderen.

    Het probleem van de verleidelijke oplossing

    Wanneer rechtmatigheid botst met wat ‘goed voelt’, komt de reflex: maak het recht menselijker. Geef meer ruimte aan context, aan omstandigheden, aan het unieke verhaal. Dat klinkt nobel, en soms is die ruimte ook nodig. Maar er schuilt een groot risico in.

    Als ‘rechtvaardigheid’ zonder stabiel criterium beslissend wordt, verschuift de beslissing naar projectie en smaak en persoonlijke voorkeur. Dan verschuift de vraag van ‘welke regel geldt hier, en waarom?’ naar ‘welk verhaal overtuigt, wie sympathie wekt, wie redelijk lijkt’. Dat is geen correctie op hardheid, maar een ondermijning van betrouwbaarheid.

    Je kunt dat testen met één eenvoudige gedachte: als de regel pas ná de uitkomst wordt gekozen, dan is de regel geen maatstaf maar een rechtvaardiging achteraf. Dan noem je het ‘rechtvaardig’, maar in werkelijkheid is het: “dit is de uitkomst die ik wilde, dus zoek ik er een reden bij”.

    Lakmoesproef

    Voor een beginnende student is er één vraag die je als noodrem kunt onthouden, juist op het moment dat je voelt dat iets ‘niet klopt’:

    “Wil je een uitkomst die goed voelt, of wil je een regel die ook standhoudt als jij morgen de ander bent?”

    Die vraag dwingt je om te schakelen. Niet om morele intuïtie als onzin weg te zetten, maar omdat het niet de enige beslissingsgrond mag zijn. De vraag maakt zichtbaar wat je eigenlijk vraagt: een bevredigende uitkomst voor dit geval, of een herhaalbare norm die ook werkt als jij de andere partij bent.

    Conclusie

    Rechtvaardigheid en rechtmatigheid zijn geen vijanden. Rechtmatigheid is de voorwaarde om rechtvaardigheid überhaupt bespreekbaar te houden in een pluralistische samenleving. Zonder rechtmatigheid wordt ‘rechtvaardig’ een label dat iedereen op zijn eigen voorkeur plakt.

    Binnen het kader van rechtmatigheid blijft er daarna een moeilijke vraag over: hoeveel beoordelingsruimte laat je toe, zonder willekeur te organiseren. Dat is een echte spanning, en niet op te lossen met slogans als ‘menselijker recht’. De volwassen versie van die slogan is: menselijkheid waar het kan, maar regels die standhouden als jij morgen de ander bent.