De procesrealiteit is dat kosten en kostenrisico het civiele proces sturen.
Gelijk kan duur zijn
Onlangs had een cliënt zijn zaak compleet en overtuigend gewonnen. Het belang was relatief klein en de kosten waren relatief hoog. De wederpartij was een draagkrachtige particulier die niet voor redelijke argumenten vatbaar was; hij wilde hoe dan ook zijn zin doordrammen en was bereid daarvoor te betalen. Dat hij ondanks zijn dure advocaat in eerste aanleg volledig had verloren, gaf al aan hoe weinig kansrijk hij in hoger beroep zou zijn, maar hij zette dit toch door. Mijn cliënt had gezien dat hij de eerder gewonnen zaak toch met een financiële verliespost moest afsluiten en dat in hoger beroep, zelfs bij winst, nog hogere kosten zouden volgen. Dit deed hem besluiten om toch maar te schikken. Een ijzersterke zaak werd op die manier verloren, eenvoudigweg vanwege het kostenrisico.
Daar zit de vraag die onder veel civiele dossiers doorloopt: in welke mate bepaalt kostenrisico het gedrag, en wie houdt dat vol?
Geld als rekeneenheid, kostenrisico als stuurknop
In het civiele recht ligt een stille maar bepalende aanname onder vrijwel alles: het belang van partijen is uiteindelijk in geld uit te drukken. Niet omdat alles ‘om geld gaat’, maar omdat het systeem een rekeneenheid nodig heeft om claims vergelijkbaar en hanteerbaar te maken. Een verbod, bevel, verklaring voor recht of rectificatie, zelfs ‘eerherstel’ krijgt in de praktijk een prijskaartje, al is het maar indirect. Via de waarde van het geschil, het procesrisico, de te verwachten schade, en de kosten die aan het traject kleven.
Die meetlat heeft een keerzijde: wat zich slecht laat prijzen raakt uit beeld en wat zich goed laat prijzen wordt een stuurknop. Wie de rekeneenheid beheerst, stuurt het gesprek, soms door helderheid te bieden. Soms door een rookgordijn te bouwen van termen die officieel klinken en dreigend voelen. ‘Proceskosten’. ‘Buitengerechtelijke kosten’. ‘Nakosten’. Je hoeft niet eens te liegen om druk te zetten. Onbegrip doet vaak al genoeg werk. Wie die vertaling beheerst, bepaalt niet alleen de inhoud, maar ook de rekensom: wat doorzetten kost, wat stoppen kost, en wat schikken kost.
Daar hoort ook het griffierecht bij. Het griffierecht is de eerste harde drempel: een bedrag dat je vooraf moet betalen om überhaupt binnen te komen.
Het stelsel op papier en de rekening in het echt
Op papier oogt het proceskostenstelsel gematigd. De verliezer betaalt, maar veel posten volgen tabellen en het salaris van de advocaat wordt niet één-op-één vergoed, maar via een standaardbedrag per processtap. Op papier klinkt dat als een rem op escalatie. In de praktijk voelt het anders, juist omdat het stelsel twee waarheden tegelijk bevat. De eerste waarheid: kosten kunnen worden verhaald. De tweede waarheid: het verhalen dekt zelden de werkelijke rekening. Daardoor ontstaat een structurele kostenkloof. Zelfs wie wint, betaalt zelf.
Dat maakt de opbrengst-kostenafweging meer dan een rekenoefening. Het gaat niet alleen om de hoogte van de vordering, maar om de verhouding tussen inzet en uitputting. Een procedure kan inhoudelijk principieel zijn en financieel slecht uitpakken. Een procedure kan inhoudelijk twijfelachtig zijn en toch lonen als drukmiddel. En een procedure kan inhoudelijk helder zijn, maar toch stranden omdat niemand de tijd en het risico wil dragen. Het civiele proces is dan niet alleen een route naar een uitspraak, maar ook een test: hoeveel rondes kan iemand betalen?
Liquidatietarief: voorspelbaar, maar nooit dekkend
Hier komt het liquidatietarief als kernmechanisme in beeld. Het is een puntensysteem: iedere stap krijgt punten en die punten leveren een vast bedrag op. Dat heeft een voordeel: snelheid en voorspelbaarheid, zonder strijd over iedere uurstaat. Maar het heeft ook een consequente schaduwzijde. Werkelijke advocaatkosten liggen vaak hoger dan die vaste tabelvergoeding, zeker bij ingewikkelde dossiers met veel overleg, veel producties, en veel heen en weer. Wie wint, krijgt dan een proceskostenveroordeling die netjes oogt, maar financieel alsnog een behoorlijk tekort laat.
Dat verschil tussen liquidatietarief en werkelijke kosten is de plek waar het uithoudingsspel concreet wordt. Voor een eiser betekent het dat ‘winnen’ meestal nog steeds geld kost. Voor een gedaagde betekent het dat ‘rekken’ niet automatisch leidt tot het betalen van alle schade die je veroorzaakt door tijd. De inzet van een ronde is niet alleen juridisch, maar ook financieel. En voor wie meer draagkracht heeft betekent het dat tijd een wapen kan zijn. De reden is dat je de optelsom langer kunt dragen, terwijl je de werkelijke rekening niet volledig vergoed krijgt.
Het uithoudingsspel: waar ‘gelijk’ verschuift naar volhouden
Het is niet de karikatuur waarin iedereen bluft, maar de werkelijkheid waarin kostenrisico en uithoudingsvermogen meebeslissen. Partijen spelen erop in, of houden er ten minste rekening mee. Je ziet het in het tempo van brieven, in het aanbod van schikkingen, in de keuze voor extra rondes, en in de manier waarop hoger beroep als dreiging wordt neergelegd.
Bedrijven: reeksen, precedent en de logica van schaal
Een bedrijf handelt in beginsel rationeel, het gaat om wat er onderaan de streep overblijft. De kosten aan bedrijfszijde zijn al snel hoger. In tegenstelling tot particulieren kost bij een bedrijf iedere minuut geld. Veel bedrijven huren gespecialiseerde derden in die ook gewoon voor alles een factuur schrijven. Kosten bedragen dus al snel een paar honderd euro. Wat is dan de rationele keuze als het geschil om een gering bedrag gaat? Ook voor een bedrijf kan het ‘principieel’ zijn in verband met de boodschap die het uitdraagt (precedentwerking). Sommige grote spelers kiezen er daarom voor om zelfs over een tientje te procederen. Dan gaan de kosten niet over die specifieke, per definitie verlieslijdende zaak, maar om deze zaak als onderdeel van een reeks zaken. Zolang het bedrijf de overtuiging heeft dat het over de hele breedte minder kost dan het oplevert, zal het ook de kleinste vordering doorzetten.
De advocaat en de budgetwaarheid
De advocaat zit midden in die spanning. Niet als boeman, maar als professional met een dubbel mandaat. Een advocaat is er om de cliënt te helpen winnen, maar ook om de cliënt te behoeden voor slechte investeringen. Die twee lopen vaak samen, maar niet altijd. Sommige procedures zijn inhoudelijk sterk, maar financieel ongunstig. Andere procedures zijn inhoudelijk onzeker, maar financieel te dragen, bijvoorbeeld omdat de schade van ‘niets doen’ groter is dan de kosten van procederen. In beide gevallen moet iemand het gesprek voeren dat cliënten liever vermijden: wat is het doel, wat is het budget, en wanneer is stoppen verstandig?
Daar wordt het ongemakkelijk. Juristen zijn getraind om het inhoudelijke te zien: wat er ontbreekt, wat zwak is onderbouwd, en welke aanval in hoger beroep kansrijk kan zijn. Cliënten voelen de tijd en de rekening. Dat verschil in ervaring kan een zaak scheef trekken. Niet door kwade wil, maar door perspectief. Als iemand zegt: ‘nog één ronde’, klinkt dat als gerechtigheid. Het klinkt ook als: nog één factuur. Het uithoudingsspel dwingt professionals om dat tweede hardop te blijven zeggen, ook als het niet leuk is om te horen. Anders wordt het budget geen randvoorwaarde, maar een verrassing.
Rechtsbijstand en verzekeraars: macht door dekking en regie
Rechtsbijstand maakt die asymmetrie scherper. Wie een advocaat per uur betaalt, voelt iedere stap direct. Wie procedeert met rechtsbijstandverzekering voelt vooral het eigen risico, de polisvoorwaarden en de regie van de verzekeraar. Wie procedeert met gesubsidieerde rechtsbijstand voelt vooral de eigen bijdrage en de grenzen van het systeem. Die verschillen zijn niet alleen boekhoudkundig. Zij bepalen hoeveel druk iemand kan verdragen, hoeveel rondes iemand kan spelen, en hoe snel schikken rationeel wordt.
Voor wie met verzekering procedeert zit er nog een speler aan tafel: de verzekeraar. Die partij betaalt niet alleen, maar stuurt ook. Er is een budget, er zijn voorwaarden, soms is er een voorkeur voor schikken. Dat is rationeel, want de verzekeraar heeft belang bij voorspelbaarheid en kostenbeheersing. Voor de verzekerde kan dat twee kanten op werken. Dekking maakt het makkelijker om druk te weerstaan, maar de regie kan ook betekenen dat het dossier wordt behandeld als kostenpost, niet als principe. Het uithoudingsspel krijgt dan een extra laag: je onderhandelt niet alleen met de wederpartij, maar ook met de grenzen van je eigen dekking.
De rechter en het systeem: schikken als efficiëntie, schikken als druk
De rechter hoort geen compromis te verzinnen, maar de inrichting van de procedure maakt de rechter wel onderdeel van het mechanisme. Er wordt gevraagd naar schikkingsbereidheid. Partijen worden uitgenodigd om buiten de zaal (‘op de gang’) te overleggen. Dat is begrijpelijk. Schikken bespaart tijd, voorkomt dat een vonnis nieuwe discussiepunten opent en verkleint de kans op een tweede ronde. Alleen: als je aan tafel zit, voelt de uitnodiging niet neutraal. Wie weigert te schikken kan vrezen dat dat als onredelijk wordt gezien, ook als niemand het zo opschrijft.
Hier wordt het uithoudingsspel institutioneel. Niet omdat de rechter het spel speelt, maar omdat het systeem tijd schaars maakt. Wachttijd vertaalt zich in kosten. Kosten vertalen zich in druk. Het forum is dan niet alleen een plek van besluit, maar ook een machine die het conflict duurder maakt naarmate het langer duurt. Een partij die tijd kan kopen krijgt daarmee onderhandelingsruimte. Een partij die geen tijd kan kopen betaalt voor rust.
Landing: de rekensom als conclusie
Strikt rationeel geldt: als de zekere meerkosten hoger zijn dan de bandbreedte van een schikking, is schikken de verstandige keuze.
Als je alles in ogenschouw neemt, schuift het kostenrisico zelfs terug tot vóór het conflict: het gaat in de prijs zitten.
In deel 2 volgt: hoe dit mechaniek zich vertaalt naar druk, dreiging en keuzes in het dossier.
Wie de kostenkloof onderschat, verliest vaak niet op inhoud maar op uithoudingsvermogen.