Tag: proposities

  • HOW – 1.0. Inleiding

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.0. Inleiding

    Waarschuwing: dit eerste deel is gortdroog. Het is een oefening in abstract denken. Als je daar geen zin in hebt, kun je ook beginnen bij Deel II en later terugkomen wanneer je merkt dat je een fundament mist.

    Deel I veronderstelt zo min mogelijk. Daarom bevat het geen beschrijvingen van herkenbare dingen, geen voorbeelden met objecten, geen natuurkundige termen en geen formules. Ook geen menselijke maatvoering: geen meetlat, geen kalender, geen coördinatenstelsel, geen definities op afspraak.

    Dit deel werkt met woorden en alledaagse logica. Het behandelt ‘werkelijkheid’ nog niet als ‘de wereld die wij zien’, maar als datgene wat nodig is om over een buitenwereld te kunnen spreken zonder haar al in te vullen.

    Dat is bewust omslachtig, om een eenvoudige reden: veel uitspraken over werkelijkheid leunen op aannames, vaak zonder dat we het doorhebben. Iemand stelt iets en laat een hele achtergrond meeliften: dat er ruimte is; dat tijd bestaat; dat er identiteit is door verandering heen; dat het om meer dan taal gaat. Zulke aannames kunnen prima werkbaar zijn. Maar als je niet ziet wat er precies wordt aangenomen, kun je het ook niet toetsen. En zonder toetsing kun je het ook niet verantwoord meenemen in je conclusie.

    Dit deel markeert waar het fundament begint en waar het bouwen start. Het onderscheid dat ik steeds maak is simpel: wat neem ik aan, en wat volgt daar logisch uit? Daarvoor moet eerst helder zijn wat je minimaal nodig hebt voordat er überhaupt iets is om waar te nemen, te benoemen of te verdedigen. In latere delen (‘II. Ervaring’, ‘III. Maatschappij’ en ‘IV. Representatie’) ga ik laten zien hoe rijk, gelaagd en menselijk ‘werkelijkheid’ wordt zodra waarneming, taal en instituties meedoen.

    Het uitgangspunt is niet dat je met één aanname alles kunt afleiden. Hoe zuinig je ook probeert te zijn: een werkbaar fundament vraagt meerdere proposities. En elke propositie is betwistbaar. Dat is geen probleem dat ‘opgelost’ moet worden; het hoort bij elk betoog dat pretendeert ergens over te gaan. De vraag is alleen: hoeveel neem je aan, en hoe expliciet ben je daarover?

    Om dat beheersbaar te houden, bestaat Deel I uit korte, strakke stappen. Elk hoofdstuk introduceert één conceptuele stap en werkt die uit. Niet om het abstracte te vieren, maar om het aantal sprongen overzichtelijk klein te houden. Het doel is dat je als lezer kunt aanwijzen: hier wordt iets verondersteld; daar wordt iets afgeleid. Als je ergens afhaakt, moet je ook kunnen terugvinden wáár je bent afgehaakt en waarom.

    Lees dit deel daarom niet als een verhaal dat je ‘gelooft’ of ‘niet gelooft’. Lees het als een reeks minimale constructies. Het gaat erom dat je ziet welke keuzes er gemaakt worden en wat die keuzes mogelijk maken. Sommigen vinden het fundament te karig; anderen vinden het te rijk. Beide reacties zijn bruikbaar als je ze kunt herleiden tot een concrete stap in het betoog.

    De belofte van Deel I is niet dat het verklaart wat ‘werkelijkheid’ is. De belofte is bescheidener: het beperkt de aannames tot een droog minimum, en maakt zichtbaar waar ze nodig worden. Dat is de rol van dit deel. Niet om de rest te vervangen, maar om de rest verantwoord te kunnen lezen.