Tag: Ontologie

  • HOW2 – 1.2. Iets (10/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    10. Conclusie

    Een minimaal ‘iets’ is datgene waarvoor binnen een domein ten minste één onderscheidbaar kenmerk geldt. Het hoeft geen volle wereld of kant-en-klaar ding te zijn. Zodra elk kenmerk wegvalt, is er binnen dit schema geen verschil meer met het absolute ‘niets’ uit het vorige hoofdstuk. Een minimale aanwezigheid is dus geen extra laag bovenop een leegte, maar de ondergrens waaronder ‘iets’ zijn betekenis verliest. Er is daarmee geen overgang vanuit absoluut ‘niets’, maar hoogstens het moment waarop minimaal onderscheid binnen een domein wordt verondersteld.

    In de route van dit hoofdstuk blijft dezelfde ondergrens zichtbaar. De variatie zit in invulling en beeld. Domein en drager blijven het minimum.

    Dat domein is hier zo mager mogelijk gehouden om geen ontologie mee te nemen; het is het formele minimum, de tabula rasa, waarbinnen ‘iets’ en ‘niets’ niet meer samenvallen. Een ‘rasa’ is leegte aan invulling op een tabula: die leegte veronderstelt een formeel bereik, niet de afwezigheid van een domein.

    ‘Iets’ betekent hier in eerste instantie ‘drager’: een rolaanduiding voor datgene waarop het verschil betrekking heeft. Het kan een toestand, verhouding, structuur of mogelijkheid zijn. Zonder zo’n dragerrol blijven termen als ‘eigenschap’ en ‘verschil’ in het luchtledige hangen en wordt ‘iets’ opnieuw leeg.

    Ten opzichte van Hoofdstuk 1 verschuift de vraag van ‘niets’ naar de minimale voorwaarden voor ‘er is iets’. Het vorige hoofdstuk betoogde dat een zuiver ‘niets’ in deze benadering geen zinvol beginpunt is: zodra je het probeert te denken, maak je er al ‘iets’ van. Dit hoofdstuk heeft dat impliciete ‘iets’ binnen dit schema uitgekleed: tot drager van minimaal verschil. De uitspraak ‘iets uit niets’ verliest daarmee haar schijnbare vanzelfsprekendheid. De rest van Deel I werkt dit verder uit via ‘onderscheid’.

    Tot nu toe is dat onderscheid vooral negatief getekend: het valt niet samen met het absolute ‘niets’ en is niet identiek aan elke andere mogelijke toestand. In het volgende hoofdstuk krijgt ‘onderscheid’ een positieve uitwerking. Wat betekent het dat er verschillen zijn ‘zonder waarnemer’, zonder iemand die ze benoemt of ervaart? Welke vormen van onderscheid zijn dan nog zinvol en waar ligt de grens voordat een ‘wereld’ in beeld komt? Met die vragen opent het volgende hoofdstuk.

  • HOW2 – 1.2. Iets (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Iets metafysisch

    Als je alle invullingen wegdenkt, blijft dit over: een minimaal ‘iets’ kan een verschil alleen dragen binnen een ‘waarbinnen’, een domein waarin een kenmerk ‘van’ iets kan zijn. Formeel gezegd: een eigenschap veronderstelt zo’n domein. Dat domein hoeft nog niet ingevuld te zijn als wereld, ruimte of veld; zonder dit minimum wordt ‘iets’ een lege term. Binnen dit schema is dat precies wat ‘minimale aanwezigheid’ betekent: genoeg domein om ‘iets’ van ‘niets’ te onderscheiden.

    Daarmee ontstaat een tweesprong: denk je alle achtergrond weg, dan verdwijnt het domein; vul je het direct in, dan wordt het te zwaar. Dan val je terug in het absolute niets uit het vorige hoofdstuk: geen ruimte, tijd, structuur of mogelijkheden. Maar als je het domein wél direct invult als ruimte-tijd, bewustzijn of een fysisch veld, neem je meer mee dan bij een minimaal ‘iets’ past. Je neemt ongemerkt al veel meer aan, terwijl het hier juist gaat om wat logisch voorafgaat aan elke wereldbeschrijving.

    Een uitweg is om ‘domein’ hier als formeel bereik te gebruiken, niet als substantie. Domein is hier de naam voor het formele bereik waarbinnen een verschil kán gelden, niet voor de invulling ervan. In die zin zegt ‘er is een domein’ niet dat er al een universum, een geest of een informatiestructuur gegeven is, maar alleen dat ‘iets’ en ‘niets’ binnen dat domein niet langer samenvallen. Verschillende ontologieën kunnen later een eigen invulling van dat domein voorstellen. Deze tekst legt die keuze niet vast; hij noteert alleen dat een verschil zonder domein binnen dit schema ophoudt een verschil te zijn. (Terzijde: ook als je ‘drager’ herleidt tot ‘kenmerk’ blijven ‘waarvoor’ en ‘waarbinnen’ nodig; een vormen- of ideeënleer verschuift vooral waar je het domein situeert.)

    Je kunt het zo samenvatten: een minimaal ‘iets’ bestaat niet in het luchtledige. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, bestaat er impliciet een kader waarin dat kenmerk verschijnt. Dat kader hoeft nog geen uitgewerkte wereldstructuur te zijn; het is eerder een formeel minimum dat alleen aangeeft dát er verschillen mogelijk zijn. Denk je dit minimum weg, dan val je terug in het ondenkbare niets; vul je het te snel in, dan specificeer je te veel.

    Metafysisch gezien is het minimale ‘iets’ daarom ingebed in een minimaal domein, hoe mager ook.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (8/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    8. Iets mythologisch

    In veel scheppingsverhalen is het veronderstelde ‘niets’ geen absolute leegte, maar een oertoestand: kloof, oeroceaan, duisternis of vormloze massa. Het eerste ‘iets’ verschijnt vaak niet als een los object, maar als verschil. Dat eerste onderscheid functioneert als ‘drager’: grens of scheiding. Twee voorbeelden maken die functie zichtbaar.

    Neem Genesis: in het verhaal begint de wereld met duisternis over de oervloed, totdat een scheppingswoord licht onderscheidt van het duister. Lees dit als narratief motief: een eerste markering. Dat licht is geen steen of planeet, maar de markering van een eerste onderscheid: licht tegenover donker, dag tegenover nacht.

    In het Enuma Elish ontstaat orde wanneer hemel en aarde uit één oermassa ‘uit elkaar’ worden gezet. Ook daar is het eerste ‘iets’ geen voorwerp, maar het ‘uit elkaar zetten’ zelf, waardoor ‘hemel’ en ‘aarde’ als onderscheiden polen kunnen gelden.

    In deze context werken zulke beelden als spiegel, niet als verslag van hoe de wereld werkelijk is begonnen. Het kleinste ‘iets’ ís de dragerrol van een verschil, verbeeld als scheiding of grens die dat verschil draagt.

    Mythen vullen het ‘waarbinnen’ beeldend in en veronderstellen daarmee een kader nog vóórdat een eerste verschil kan gelden. Als je de beelden wegdenkt, blijft de metafysische vraag: wat is de minimale status van dat ‘waarbinnen’, het domein waarop een verschil betrekking kan hebben.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (7/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    7. Iets religieus

    Religieuze taal vult het minimale schema vrijwel meteen in: ‘iets’ krijgt de vorm van ‘zijn’ of ‘aanwezigheid’ en fungeert als naam voor een eerste beginsel (‘prima causa’) dat onderscheid mogelijk maakt. In zulke taal verschuift ‘drager’ van rolaanduiding naar oorsprongstaal: niet alleen ‘waarvoor’ het onderscheid geldt, maar ook ‘waaruit’ het voortkomt. Dat ‘eerste beginsel’ is hier geen extra ‘ding’, maar taal voor ‘grond’ of ‘bron’ waarbinnen onderscheid kan gelden.

    In de joodse en christelijke traditie wordt dat vaak verbonden met Exodus 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’, Hebreeuws: ‘Ehyeh asher ehyeh’): niet als object tussen objecten, maar als ‘zijn’ dat als bron geldt. Die formulering wordt vaak gelezen als zelfbestaan door de tijd: ‘zijn’ dat niet van iets anders afhankelijk is. Ter illustratie heet die dragende rol elders ‘sat’ (‘zijn’) of ‘Dao’. Het woord ‘iets’ zelf staat vaak niet centraal; het gaat om een aanwezigheid die de dragerrol benoemt en het ‘waarbinnen’ als oorsprong markeert.

    In scheppingstaal ligt het accent niet op een sprong van niets naar iets, maar op een verhouding: Schepper–schepping, roepen–antwoord, gave–ontvangst. Zelfs waar men ‘schepping uit niets’ zegt, kan dat hier worden gelezen als ‘zonder vooraf bestaand materiaal’ en niet als ‘vanuit absoluut niets’. Daarmee verschijnt het ‘eerste’ als aangesproken onderscheid.

    Concreet wordt die minimale dragerrol meteen een beladen relatie. In zulke teksten verschijnt het eerste ‘iets’ vaak als woord of bevel (‘Er zij licht’), naam of adem: een uitgesproken onderscheid waardoor er orde, leven of licht kan gelden. Het onderscheid met ‘niets’ is hier niet alleen structureel, maar ook waardebeladen: het is ‘goed’ dat er iets is. Dat morele aspect laat ik in dit deel rusten.

    Samengevat wordt het begin zelden getekend als los ding, maar als aanwezigheid in een verhouding. Ook tradities zonder Scheppertaal kunnen het begin tekenen als complementaire polen (zoals yin/yang): niet één los ding, maar een onderscheid dat dragend wordt. Wat blijft, is de suggestie dat ‘van niets naar iets’ niet wordt gedacht als sprong van leegte naar object, maar wordt verwoord als dragende aanwezigheid (bijvoorbeeld ‘God’, ‘Dao’ of ‘Brahman’), waardoor verschil mogelijk wordt. Die intuïtie keert in mythische taal terug, waar het begin als eerste onderscheid wordt verbeeld en uitgewerkt.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Iets filosofisch

    Waar wetenschap een ‘iets’ operationaliseert binnen een model, vraagt filosofie naar de status van de voorwaarden van dat modelleren: het veronderstelde ‘waarbinnen’. Dat is de vraag die aan het eind van de vorige paragraaf openbleef. Daarom keert de vraag terug als: “Waarom is er iets en niet veeleer niets?” De inzet verschuift dan van ‘waarom is er überhaupt iets?’ naar ‘welke minimale structuur moet elk antwoord op die vraag al veronderstellen?’

    Dat minimaliseren is een veelvoorkomende filosofische beweging: eerst de minimale voorwaarden, pas daarna de invulling. De varianten verschillen, maar de beweging is herkenbaar: terug naar iets dat zo weinig mogelijk invult, zonder dat het begrip ‘iets’ oplost. Dat is ook de achtergrond van de bezwaren die nu volgen. Hoofdstuk 1 maakte ‘niets’ onwerkbaar als vertrekpunt; dit hoofdstuk maakt zichtbaar welke minimale structuur ‘er is iets’ al veronderstelt.

    Een eerste bezwaar ligt voor de hand: dit hoofdstuk lijkt vooral taal en logica te ordenen. Het vat ‘iets’ op als minimale drager van verschil en constateert dat absolute leegte geen bruikbare categorie is. Maar zegt dat wel iets over werkelijkheid, of alleen over onze manier van spreken? Het antwoord is nuchter: binnen deze benadering impliceert elke uitspraak over ‘ontstaan’ al minimaal onderscheid. Wie zegt dat ‘de wereld uit niets is ontstaan’, veronderstelt al een onderscheid tussen ‘niets’ en ‘er is iets’, en een grens waar ‘niets’ ophoudt en ‘er is iets’ begint. Dit maakt expliciet wat anders vaak impliciet blijft. Als die minimale stap intern tegenstrijdig is, kunnen ook de rijkere verhalen wankelen die erop steunen.

    Een tweede bezwaar richt zich op het woord ‘drager’. In dit hoofdstuk is ‘drager’ geen naam voor een aparte laag, maar een functiewoord. Wie stelt dat een minimaal ‘iets’ een drager van verschil is, kan de indruk wekken dat er toch een soort substantie wordt geïntroduceerd: een ‘ding’ dat ‘eronder ligt’ en eigenschappen zou ‘dragen’. ‘Drager’ is hier een rolaanduiding: het markeert waarop dat verschil betrekking heeft. Het helpt om in functionele termen te spreken: ‘drager’ benoemt hier een relatiepunt, geen onderlaag. In een formeel model kan dat een element van een domein zijn, maar net zo goed een toestand, een relatie of een mogelijkheid. In een latere metafysica kan het materieel, mentaal, als principe, wetmatigheid of informatie worden begrepen of iets anders zijn. Deze tekst legt niet vast wát drager is, maar wel dat een verschil zonder iets waarop het betrekking heeft leeg blijft.

    Een derde bezwaar: door voorbeelden uit logica, informatica en wetenschappelijke modellering te gebruiken, lijkt het alsof de fundamentele laag simpelweg fysisch is, desnoods in een informatie-jasje. Dan zou je alsnog een keuze hebben binnengehaald, bijvoorbeeld ‘alles is informatie’. Dat risico ontstaat wanneer de voorbeelden als ontologie worden gelezen. De voorbeelden worden hier gebruikt om te laten zien wat binnen modellen ‘minimaal verschil’ en ‘toestand’ betekenen. Ze zijn didactisch: ze laten zien dat men in de praktijk niet zonder toestanden en onderscheid kan als men iets wil beschrijven of modelleren. In de inleiding van Deel I is de fundamentele laag uitdrukkelijk als werkterm geïntroduceerd, zonder keuze tussen materie, bewustzijn, informatie of structuur. Daarmee is geen ontologie gekozen.

    Een laatste bezwaar: natuurlijk moet er ‘iets’ zijn, anders is er niets. Is dat de moeite van een heel hoofdstuk waard? Het probleem is dat de schijnbare trivialiteit vaak wordt overgeslagen, waardoor hardnekkige formuleringen als ‘iets uit niets’ aannemelijk lijken. Zolang ‘niets’ niet is onderzocht en ‘iets’ niet is teruggebracht tot minimaal verschil, blijft het mogelijk om te doen alsof er een lege toestand was waaruit een wereld tevoorschijn kwam. De analyse van hoofdstuk 1 en dit hoofdstuk laat zien dat zo’n voorstelling binnen dit schema onhoudbaar is: absolute leegte is in dit schema geen denkbaar beginpunt, en het kleinst mogelijke ‘iets’ is al een gestructureerd verschil. Daarmee ligt de filosofische inzet bloot. Juist omdat dit schema zo mager is, wordt zichtbaar hoe andere kaders het meteen wél invullen. In de volgende paragraaf gaat het om hoe religieuze taal ‘iets’ invult door meteen méér te zeggen dan dit minimale schema toelaat.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (5/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    5. Iets wetenschappelijk

    Wetenschappelijke beschrijvingen beginnen meestal niet bij ‘absoluut niets’, maar bij een model: een domein van mogelijke toestanden en grootheden. Je kunt dat modelmatige domein zien als een ‘tabula’ (formeel minimum), zonder ontologische claim. Dat domein kan minimaal gespecificeerd zijn, maar het blijft het formele bereik waarbinnen verschil betekenis heeft. Zonder minimaal onderscheid valt er methodisch niets te beschrijven. Pas dan krijgt ‘minimaal iets’ in deze context inhoud.

    In zulke kaders fungeert ‘informatie’ vaak als werkterm voor ‘verschil dat ertoe doet’: een toestand die afwijkt van de andere mogelijke toestanden en daardoor een rol kan spelen in een proces. Daarmee is geen ontologie gekozen. Het is een manier om minimaal verschil binnen een model hanteerbaar te maken.

    Dat betekent niet dat de fundamentele laag van de werkelijkheid per definitie fysisch, digitaal of informatief is. De voorbeelden zijn spiegels, geen fundamenten: ze laten zien hoe het beschrijven in de praktijk via modellen verloopt. Welke ontologie je daar later op projecteert, laat ik hier bewust open. Wat blijft staan, is dat absoluut niets methodisch geen bruikbare categorie is. Wanneer wetenschap soms in losse taal spreekt over ‘iets uit niets’, is dat meestal verkorte taal voor het verschijnen van iets binnen een reeds gespecificeerd modelkader, niet voor een ontstaan uit absoluut niets. Wetenschap zegt daarmee niet wat de werkelijkheid in laatste instantie is. Zij laat zien hoe werkelijkheid zó kan worden beschreven dat verklaren en voorspellen mogelijk worden. Vanuit dat oogpunt is een minimaal ‘iets’ methodisch onvermijdelijk. Zonder toestanden en verschillen valt er niets te meten, te modelleren of te verklaren. Daarmee blijft ‘er is iets’ in wetenschappelijke taal een lege vorm. Dat is voldoende om te modelleren, maar laat één vraag open: wat is de status van het veronderstelde ‘waarbinnen’ zelf? Daar begint de filosofische inzet van de volgende paragraaf.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Iets logisch

    In formele logica verschijnt ‘iets’ vaak als existentiële uitspraak: er bestaat ten minste één X met eigenschap P. Die notatie is geen metafysische onthulling, maar een minimale vorm: er is een domein van mogelijke gevallen en ten minste één geval waarvoor een eigenschap geldt. Dat domein, hoe mager ook, is het formele minimum (‘tabula’) waarbinnen een onderscheid kan gelden. Zonder domein en eigenschap blijft ‘er is iets’ binnen dit schema leeg.

    Voor dit deel betekent dat: een minimaal ‘iets’ is datgene waarvoor, binnen zo’n domein, ten minste één onderscheidbaar kenmerk geldt. Dat kenmerk mag vaag blijven, zolang het een minimaal onderscheid markeert tussen wat men ‘absoluut niets’ noemt en een geval waarin dat kenmerk geldt.

    Belangrijk is dat deze minimale beschrijving zegt niets over de aard van dat ‘iets’. Het hoeft geen object of deeltje te zijn; het kan een toestand zijn, een structuur, een verhouding of zelfs een pure mogelijkheid. ‘Fundamenteel’ betekent hier: niet het kleinste mogelijke ‘brokje’ materie, maar het minst gespecificeerde dat nog als drager van verschil kan dienen.

    Dat klinkt abstract, maar een analogie uit de informatica kan helpen, zonder te stellen dat werkelijkheid uit bits bestaat. Een bit lijkt het schoolvoorbeeld van ‘niets of iets’: 0 of 1. Die twee waarden vormen een minimaal domein van toestanden waarbinnen een onderscheid kan gelden. Een ‘0’ is daarin niet ‘niets’, maar één toegestane mogelijkheid.

    Zo’n domein veronderstelt een voorafgegeven mogelijkhedenruimte waarin 0 en 1 als waarden kunnen gelden. Met slechts één toegestane waarde valt er niets te onderscheiden; pas zodra er minstens twee toestanden mogelijk zijn, ontstaat een structuur van verschillen. Het ogenschijnlijke ‘van niets naar iets’ is daarom geen overgang vanuit absoluut niets, maar de stap waarin deze mogelijkhedenruimte wordt verondersteld en minimaal onderscheid geldt. Pas dan krijgt ‘er is iets’ betekenis.

    Wetenschappelijke beschrijvingen operationaliseren dit minimale schema in modellen, zonder daarmee een ontologie te kiezen. Ook daar is de ‘tabula’ het formele minimum. Dit opent een kwestie die later terugkomt: is het minimale ‘waarbinnen’ primair, of wordt het mede bepaald door wat erbinnen verschijnt?

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Iets in de taal

    Taal dwingt ons ‘iets’ vrijwel altijd ergens onder te brengen. In zinnen als ‘er ligt iets op tafel’ verschijnt ‘iets’ binnen een bekende structuur: context, plek en een factor die daarin een rol speelt. ‘Er staat iets tussen ons in’ suggereert een obstakel, letterlijk of figuurlijk. Het onbepaalde zit niet in het ontbreken van een domein, maar in het openlaten van wat het is binnen dat domein.

    Die reflex is begrijpelijk, maar wordt een valkuil zodra je over de meest fundamentele laag wilt spreken: taal trekt ‘iets’ snel een gedeelde context in. In hoofdstuk 1 merkte ik op dat ‘iet’, de bron van ‘iets’, letterlijk naar een ding verwees; maar het minimale ‘iets’ hoeft geen ding of object te zijn. Een minimaal ‘iets’ is geen stoel, steen of ster, en ook niet noodzakelijk een gedachte, afspraak of verwachting. Wie het woord automatisch als object leest, importeert een pakket impliciete veronderstellingen: grenzen, vormen, functies.

    Om die valkuil te vermijden, vat ik ‘iets’ voorlopig op als drager van verschil: geen substantie, maar een rol waarvoor het verschil geldt.

    De drager kan uiteenlopende gedaanten hebben zonder dat de uiteindelijke aard vastligt. Een eerste mogelijkheid is een toestand: er is ‘iets’ zodra een toestand verschilt van een andere toestand. Een tweede mogelijkheid is een verhouding: het verschil ligt in een relatie, niet in één drager. Een derde mogelijkheid is het verschil tussen kunnen en niet-kunnen: een niet-triviaal onderscheid tussen ‘dit kan’ en ‘dit kan niet’.

    In al deze gevallen is ‘iets’ geen meubelstuk van de kosmos, maar een functie in de structuur: drager van verschil. Taal laat zien dat we die dragerrol in ons spreken niet kunnen vermijden: eigenschappen, gebeurtenissen en mogelijkheden komen ‘van’ of ‘in’ iets. De vraag is niet wát die drager is, maar welke minimale voorwaarden bij die rol horen zodat ‘iets’ niet leeg wordt. Dat expliciteert de logica in de volgende paragraaf: welke minimale vorm de uitspraak ‘er is iets’ moet hebben.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Iets alledaags

    In alledaagse zinnen staat ‘iets’ zelden kaal. Meestal draagt het een kader mee. Wie zegt dat er ‘iets’ in de lucht hangt, wijst vaak op spanning, verwachting of een onuitgesproken conflict. ‘Er is iets met hem’ suggereert dat zijn gedrag of conditie afwijkt van wat normaal is. ‘Er is iets’ betekent meestal: er is iets dat telt binnen een bepaald kader, al blijft open wat het is.

    Ook wanneer ‘iets’ een vaststelling is (‘er ligt iets op de mat’, ‘er staat iets voor de deur’), blijft het gebruik concreet. Het woord benoemt niet wát er ligt of staat, maar verwijst wél naar iets met contouren dat je in principe kunt aanwijzen of oppakken. Alledaags ‘iets’ is daarmee een verzamelterm voor een bundel kenmerken: vorm, plaats, betekenis en mogelijke gevolgen. Daarvan abstraheert Deel I zoveel mogelijk. Dat gewone gebruik is hier niet verkeerd, maar te zwaar voor het doel van Deel I. Het vult ‘iets’ meteen in. Voor Deel I is juist het omgekeerde interessant: een ‘iets’ dat breed genoeg is om binnen elk denkbaar kader te passen, maar zo minimaal dat geen enkel specifiek kader het al invult. Welke minimale rest blijft over als je bijna alles wegdenkt, zodat het woord ‘iets’ nog contrast met ‘niets’ behoudt? De rest van het hoofdstuk probeert die rest vrij te maken door te beginnen bij wat taal met ‘iets’ doet.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.2. Iets (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Het minste iets

    Hoofdstuk 1 liet zien waarom ‘niets’ geen bruikbaar vertrekpunt is. Zodra je het absolute niets denkt of beschrijft, ken je er al iets aan toe; dan is het geen ‘niets’ meer en dus geen beginpunt waaruit ‘iets’ kan volgen. Dat legt een minimale grens bloot: als één onderscheidbaar kenmerk geldt, is er meer dan niets. Hier draait het om dat grensgeval: het minimaalste ‘iets’ dat nog net van ‘niets’ te onderscheiden is.

    Dat er ‘iets’ is, lijkt vanzelfsprekend: anders viel er niets te zeggen. Maar wat dat ‘iets’ betekent, varieert per context. In alledaagse taal is het vaak een aanduiding van relevantie; in formele systemen verschijnt het als ‘er bestaat minstens één …’; in filosofische tradities als inzet in de vraag waarom er überhaupt ‘iets’ is en niet niets. Die spreiding dwingt tot een stap terug: eerst ordenen, dan minimaliseren.

    We komen uit bij een formeel minimum: het kleinste ‘waarbinnen’ waarin verschil nog kan gelden. Die betekenissen volgen we als route, met één doel: ‘iets’ terugbrengen tot een minimale rest. We starten bij alledaags gebruik, gaan via taal naar formele beschrijving, en toetsen de uitkomst aan filosofische, religieuze, mythologische en metafysische kaders. De leidende vraag is: wat blijft er van ‘iets’ over als je alle invullingen wegdenkt en alleen het verschil met ‘niets’ overhoudt?

    Net als in de inleiding van Deel I leg ik hiermee niets vast over de uiteindelijke aard van die fundamentele laag. Ik kies geen positie tussen materie, bewustzijn, informatie en structuur, een principe of een wetmatigheid. ‘Fundamenteel’ betekent hier: zo weinig mogelijk ingevuld, maar genoeg om een verschil met ‘niets’ mogelijk te maken. Dit hoofdstuk levert geen metafysisch systeem op, maar een minimale werkdefinitie van ‘iets’ als richtpunt bij alledaags gebruik.

    [Wordt vervolgd…]