Tag: Onderscheid

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Logisch onderscheid

    Een logisch beginpunt is een domein van mogelijke gevallen, met een regel die bepaalt wanneer twee gevallen niet samenvallen. Je kunt je zo’n domein voorstellen als een bak knikkers. Als alle knikkers binnen dit schema exact hetzelfde profiel hebben, is het zinloos om te spreken over ‘verschillende knikkers’: formeel zijn ze ononderscheidbaar. Zodra één knikker afwijkt, bijvoorbeeld één rode tussen vele blauwe, is er een minimaal onderscheid. Zonder dat iemand de knikkers sorteert, geldt al: de rode valt niet samen met de blauwe.

    In de logica leg je zo’n ‘onderscheid’ vaak vast met predicaten (eigenschappen) en relaties. Een predicaat P (bijvoorbeeld ‘is rood’) splitst het domein: voor sommige elementen geldt P wel, voor andere niet. Een relatieteken R (bijvoorbeeld ‘is groter dan’) koppelt twee elementen: voor sommige paren (a, b) geldt R(a, b), voor andere paren niet. In beide gevallen ontstaat een onderscheidstructuur: een patroon van wat wel en niet samenvalt binnen het gekozen schema. Dat patroon ligt vast in de formele beschrijving, ook als niemand het uittekent of benoemt.

    Een eenvoudig voorbeeld is een klas leerlingen. Formeel noteer je elke leerling als een element van een domein D. Stel dat je een predicaat P introduceert: ‘heeft vandaag een rode trui aan’. Dan ontstaat automatisch een verdeling: de leerlingen bij wie P waar is, en de leerlingen bij wie P niet waar is. Een relatie R (‘zit vóór’) doet iets vergelijkbaars: R(l1, l2) geldt voor sommige paren leerlingen en niet voor andere paren. Zelfs als niemand expliciet onderscheid maakt, ligt er in de ordening al een structuur van ‘wel’ en ‘niet’.

    Vanuit zo’n formeel perspectief kun je ‘onderscheid’ minimaal definiëren als het bestaan van ten minste twee elementen of toestanden in een domein waarvoor niet exact dezelfde predicaten gelden, of niet exact dezelfde relaties gelden. Als a en b binnen het gekozen schema voor alle toegelaten predicaten en relaties hetzelfde patroon hebben, dan zijn ze ononderscheidbaar; er is dan geen onderscheid. Zodra één predicaat wel voor a geldt en niet voor b, is er een onderscheid, ongeacht of iemand dat vaststelt. Dat is precies het soort waarnemer-onafhankelijk onderscheid dat dit hoofdstuk probeert te isoleren.

    Deze manier van kijken legt geen zware metafysica op. Ze zegt niet dat de werkelijkheid ‘in wezen’ een verzameling elementen met predicaten is. Ze laat alleen zien wat het minimaal betekent om binnen een gegeven kader van mogelijkheden van ‘onderscheid’ te spreken; dat kader bepaalt wat überhaupt als predicaat of relatie telt. Zolang elk element in het schema exact hetzelfde profiel heeft, is er structureel geen verschil. Pas wanneer elementen of toestanden niet hetzelfde profiel hoeven te hebben (P geldt voor sommigen wel en voor anderen niet; R geldt voor sommige paren wel en voor andere paren niet) ontstaat een onderscheidstructuur. Die formele benadering maakt twee punten zichtbaar. Ten eerste: je hebt geen waarnemer nodig om van onderscheid te spreken, alleen een domein met structuur. De uitspraak ‘er is een onderscheid’ betekent dan: er zijn in dit domein elementen of toestanden die binnen het gekozen schema van elkaar verschillen. Ten tweede: elk model dat iets wil beschrijven, of dat nu logisch, wiskundig of wetenschappelijk is, veronderstelt minstens één onderscheidstructuur. Zonder enige onderscheidbare toestand of verhouding heeft een theorie niets om te beschrijven. In die zin schuift logica de alledaagse vraag een stap door: van ‘wie maakt dat onderscheid en waarom?’ naar ‘waar in de structuur van mogelijkheden ligt het verschil?’ De volgende paragrafen onderzoeken hoe wetenschap en filosofie die vraag concreet invullen.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (3/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    3. Taalkundig onderscheid

    Taal duwt ons vaak in de richting van een denkend en handelend subject. Werkwoorden als ‘onderscheiden’ en ‘categoriseren’ roepen bijna vanzelf een handelend individu op, zoals een keurmeester die goedgekeurd van afgekeurd scheidt. Zelfs wanneer het onderwerp abstract is (‘de wet onderscheidt drie categorieën’), sluipen handeling en bedoeling het beeld in: alsof er een instantie is die de grens trekt.

    Niet alleen werkwoorden; ook naamwoorden als ‘verschil’, ‘grens’, ‘categorie’ en ‘tegenstelling’ nemen die bagage mee. Ze suggereren meestal twee al afgebakende polen: rijk tegenover arm, mens tegenover dier, vriend tegenover vijand. In het Nederlands krijgt ‘verschil’ vaak de vorm: verschil tussen A en B. Taal presenteert onderscheid als iets dat tussen reeds bestaande dingen ligt, alsof de dingen er eerst waren en het onderscheid pas later is aangebracht. Daarmee komen impliciete vooronderstellingen mee naar binnen: het idee dat er eerst objecten zijn en pas daarna structuren van verschil.

    Je ziet dat ook in een eenvoudig tafereel: een kind dat de woorden ‘stoel’ en ‘tafel’ leert. In het begin valt alles waar je op kunt zitten samen in een vage categorie. Volwassenen wijzen en benoemen: “Dit is een stoel, dat is een tafel.” Ze benadrukken verschillen: een tafel is hoger, je zit er niet op maar zet er dingen op, stoelen horen eromheen. De woorden trekken scheidslijnen door de ervaringswereld. Vanaf dat moment ligt het voor de hand te denken dat ‘stoel’ en ‘tafel’ vaste categorieën zijn, en dat het onderscheid ertussen ‘gegeven’ is. In werkelijkheid is het onderscheid mede door taal versterkt: bepaalde verschillen zijn benoemd, andere genegeerd.

    Taal werkt hier tweeledig. Aan de ene kant maakt taal onderscheid zichtbaar: zonder namen, begrippen en grammatica zou veel van wat wij nu als duidelijke verschillen ervaren, vaag blijven. Aan de andere kant suggereert taal dat onderscheid altijd het resultaat is van een indelende blik. Grammatica zet verschil gemakkelijk neer als een operatie: iemand doet iets met ‘dit’ en ‘dat’. Zelfs zinnen zonder expliciet handelend individu (‘er is een belangrijk onderscheid tussen X en Y’) laten zich gemakkelijk herformuleren tot: ‘wie scherp kijkt, ziet een belangrijk onderscheid…’. Voor de vraag van dit hoofdstuk is die taalkundige neiging een hinderpaal. Als taal onderscheid voortdurend als handeling en als resultaat van indeling voorstelt, wordt het moeilijk om te denken aan een onderscheidstructuur die ook zou gelden zonder dat iemand die indeling maakt. Om van waarnemer-onafhankelijk onderscheid te kunnen spreken, moeten we taal tijdelijk terugbrengen tot iets formelers: een domein van mogelijke gevallen en een ‘niet-hetzelfde’-structuur daarbinnen. In de volgende paragraaf werk ik dat formeler uit met bewust eenvoudige beelden, zodat ‘onderscheid’ loskomt van de automatische koppeling aan een denkende en handelende spreker.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (2/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    2. Alledaags onderscheid

    In de eerste twee hoofdstukken wordt ‘onderscheid’ al verondersteld. Zelfs ‘iets’ trekt een lijn: ‘dit’ in plaats van ‘dat’. In het dagelijks leven verschijnt ‘onderscheid’ zelden als een kale voorwaarde. Wie zegt ‘geen onderscheid te maken tussen mensen’, bedoelt vaak iets moreels: iedereen gelijk behandelen, ongeacht afkomst, leeftijd of uiterlijk. Wie klaagt dat er ‘geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen goed en slecht werk’, wijst op een norm die aan scherpte verliest. In die gevallen is ‘onderscheid’ gekoppeld aan degene die onderscheid maakt én aan een maatstaf die het verschil betekenis geeft.

    De varianten zijn talrijk, maar het patroon is vaak hetzelfde. Als je in de supermarkt voor een schap vol pastasauzen staat, lijken de potten op elkaar, maar je selecteert op één of twee criteria: prijs, merk, ingrediënten. Hier is ‘onderscheid’ een handeling: een criterium maakt één verschil relevant binnen een vraag of doel.

    Zonder expliciet oordeel kan het relevante verschil verschuiven, afhankelijk van de vraag die je stelt. Twee identieke glazen water op tafel zijn ‘hetzelfde’ zolang je vraag algemeen blijft: ‘wat staat er op tafel?’ Tot iemand zegt: “Pas op, in één zit chloor.” Dan verandert de vraag, en daarmee het onderscheid dat relevant wordt. Iets soortgelijks geldt bij tweelingen: zolang je hen niet kent, zie je ‘twee personen’; pas als je betrokken raakt, leer je kleine verschillen in hun manier van bewegen, hun stem en gelaatsuitdrukkingen herkennen. [Alledaags onderscheid groeit met context, betrokkenheid en de precisie van de vraag die je stelt.]

    In dat alledaagse spreken is ‘onderscheid’ vaak normatief en persoonsgebonden opgevat. Iemand selecteert, trekt een grens, legt een verschil vast of negeert het. Die koppeling zetten we in dit deel voorlopig tussen haakjes. De fundamentele laag wordt hier gedacht vóór personen, doelen en normen. Dit alledaagse spreken laat zien hoe snel ‘onderscheid’ als keuze- en beoordelingswerk wordt gelezen. Hier gaat het om ‘waarnemer-onafhankelijk’ onderscheid: verschil dat geldt zonder dat er iemand is die het waarneemt. Vanaf hier gaat het om ‘onderscheid’ als structuur, los van handelen en beoordeling. Er kan een verschil gelden tussen mogelijke toestanden of dragers, ook als niemand dat verschil benoemt, gebruikt of er belang bij heeft. Anders gezegd: hier gaat het niet om onderscheid dat ‘gemaakt wordt’, maar om niet-samenvallen binnen een domein. Dat vraagt afstand van de dagelijkse voorbeelden en opent de stap naar taal en logica: wat moet er minimaal gelden opdat verschil überhaupt denkbaar is.

  • HOW2 – 1.3. Onderscheid (1/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.3. Deel I – Universum / premenselijk

    1. Inleiding

    Dit hoofdstuk gaat over ‘onderscheid’ als minimale positieve structuur: het punt waarop binnen een domein van mogelijkheden niet alles samenvalt. In hoofdstuk 1 en 2 zat dat al impliciet. Zodra er ‘iets’ is, is ten minste een grens denkbaar tussen ‘dit’ en ‘niet-dit’. Hier gaat het niet meer om de vraag óf er verschil is, maar om wat ‘verschil’ minimaal moet betekenen.

     ‘Onderscheid’ klinkt al snel als iets dat mensen dóen: selecteren, beoordelen, rangschikken. Dat gebruik is relevant, maar het kan verhullen wat hier wordt gezocht. In Deel I gaat het niet om de rechtvaardiging van een grens, maar om de voorwaarde dat verschil kan gelden, ook zonder dat iemand het maakt of benoemt. Daarom loopt de route van alledaags gebruik via taal naar logica en modellen, om ‘onderscheid’ los te maken van de automatische koppeling aan een handelende waarnemer.

    De route is stapsgewijs. Ze loopt van alledaags en taalkundig onderscheid via logica (‘domein + niet-samenvallen’) naar wetenschap en filosofie, waar telkens zichtbaar wordt waar ‘verschil’ in het schema wordt geplaatst.

    Religieuze en mythologische taal voegen vervolgens iets toe dat in logica en wetenschap snel buiten beeld raakt. Ze spreken alsof onderscheid niet alleen een schema is, maar ook een beginhandeling. Dat dwingt geen conclusie af over ‘hoe het is’. Het scherpt de inzet aan: in zulke taal verschijnt verschil als iets dat mensen voorafgaat. Het hoofdstuk eindigt met ‘metafysisch onderscheid’ als werkvraag: welk deel van de onderscheidstructuur is zó minimaal dat je het niet kunt wegdenken zonder het idee van ‘werkelijkheid’ te verliezen?

  • HOW – 1.3. Begrenzing

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.3. Begrenzing

    Als er een onderscheid is tussen ‘iets’ en ‘niet-iets’, valt ‘dit’ niet samen met ‘niet-dit’. Alleen al om die tegenstelling zinvol te houden is een grens denkbaar: minimaal niet-samenvallen.

    Het onderscheid tussen ‘iets’ en ‘niet-iets’ brengt ‘aanwezigheid’ en ‘afwezigheid’ in beeld. Daarmee wordt ‘iets’ afgebakend van ‘niet-iets’. Niet alleen als taalverschil, maar als verschil tussen geval en niet-geval: ‘iets’ is niet hetzelfde als ‘niet-iets’. Die afbakening hoeft niet scherp te zijn; zij kan vaag of gradueel zijn. Er is dan een grens tussen een toestand en het ontbreken ervan.

    Tot hier is dit vooral een logische structuur. Het zegt dat verschil mogelijk is, maar nog niet hoe dat verschil zich kan voordoen. Uit ‘Er is iets’ volgt bovendien nog geen tweede ding. Het levert wel een tweedeling op: het geval en het niet-geval. En die tweedeling vraagt om een minimale invulling van onderscheidenheid, in deze zin: ‘iets’ moet zich ergens kunnen onderscheiden van ‘niet-iets’.

    Dat ‘iets’ niet gelijk is aan ‘niet-iets’ geeft een extra aanknopingspunt: niet-samenvallen. Niet-samenvallen betekent hier nog niet ‘ver uit elkaar’ en ook niet ‘op dezelfde plek’. Het betekent alleen dat de onderscheiden toestanden niet samenvallen. Er is dus verschil tussen ‘aanwezigheid’ en ‘afwezigheid’. Een eigenschaploos ‘iets’ draagt op dit punt geen verschil; dan valt het terug in ‘niet-iets’.

    Tot dit punt kun je het verschil volledig intern houden: misschien verschilt ‘iets’ uitsluitend in ‘inhoud’. Dan lijkt ‘positie’ overbodig. De tegenwerping is dan dat verschil-in-inhoud genoeg is. Maar ook dan veronderstelt ‘verschil’ een minimaal kader waarin het betekenis krijgt. Twee onderscheiden ‘inhouden’ kunnen alleen verschillen als er een schema mogelijk is waarin ‘niet-identiek’ kan bestaan. Je hoeft dat schema niet te specificeren; het volstaat dat ‘anders’ ergens kán landen.

    Dat ‘ergens’ is geen fysieke plek en levert dus geen ‘verschil-in-lokatie’ op. Een onderscheid kan ook ‘verschil-in-moment’ zijn, of een ander soort ‘verschil-in-staat’. Er is alleen een minimaal bereik nodig waarin verschil kan bestaan zonder samen te vallen. Het enige dat hier wordt vastgehouden is dat ‘anders’ niet betekent: identiek.

    Wat overblijft is geen plek, maar een voorwaarde: ‘anders’ kan alleen bestaan voor zover het niet identiek is. Hoe je zo’n voorwaarde kunt denken zonder het fysiek te maken, is de volgende stap.

  • HOW – 1.2. Onderscheid

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.2. Onderscheid

    Zodra je ‘Er is iets’ als startpunt neemt, ontstaan minimale, ermee samenhangende begrippen. Het betekent in ieder geval dat ‘het geval’ en ‘niet het geval’ niet samenvallen: bestaan en niet-bestaan zijn te onderscheiden. Dat zegt nog steeds niets over wat het ‘iets’ is; slechts dat verschil mogelijk is.

    “Er is onderscheid.”

    Dat kun je ook in algemene termen formuleren: zonder ‘niet-dit’ heeft ‘dit’ geen betekenis. Daarmee is ‘dit’ te onderscheiden van ‘niet-dit’, ook als er verder niets anders is. Dat gevolg is een eerste bouwsteen voor de stappen hierna.

    Daarmee komt ook ‘niets’ in beeld: niet-bestaan. ‘Niets’ kan op meerdere manieren worden opgevat. Hier is het ‘niets’ in absolute zin: geen entiteit, slechts afwezigheid. In die betekenis is ‘niets’ niet óók ‘iets’; er wordt geen tweede ‘iets’ binnengesmokkeld. Niets is geen ‘ding achter het ding’. Zodra ‘niets’ als achtergrond zou moeten bestaan, wordt het een drager en dus iets. Daarom is ‘niets’ in dit betoog geen achtergrond, geen lege ruimte, geen vacuüm; alleen afwezigheid, niet iets dat op zichzelf bestaat.

    Je kunt ‘iets’ niet volstrekt leeg laten en tegelijk doen alsof de stelling inhoud heeft. Een volledig leeg ‘iets’ heeft geen eigenschappen en dus geen enkel verschil met ‘niet-iets’. Dan valt ‘bestaan’ samen met ‘niet-bestaan’. Zonder verschil valt ‘iets’ samen met ‘niets’. Dan valt niet langer te zeggen dat er ‘iets’ is: het steekt nergens meer tegen af en heeft dus geen inhoud. De stelling ‘er is iets’ wordt dan even leeg als ‘er is niets’. Dat is de paradox: als ‘iets’ niets in zich draagt om het van ‘niets’ te onderscheiden, verdwijnt het onderscheid en daarmee de betekenis van de zin. Dan zou iets niets zijn.

    Die paradox dwingt een minimale conclusie af: ‘iets’ kan niet volstrekt leeg zijn. Niet omdat ‘niets’ daardoor ineens een entiteit wordt, maar omdat ‘iets’ alleen als begrip kan functioneren als er minimaal een verschil mogelijk is; een afbakening, al is die nog zo abstract. Als je elke mogelijkheid van ‘niet-dit’ ontkent, dan ontken je niet ‘niets’, maar de inhoud van ‘iets’. En de basisstelling was nu juist: ‘Er is iets.’

    Dit is een logisch resultaat, geen fysisch bewijs. Zodra verschil mogelijk is, dringt de vraag zich op: hoe dat verschil zich aftekent. Daarmee begint de volgende stap.