Tag: Mogelijkhedenruimte

  • HOW2 – 1.2. Iets (4/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    4. Iets logisch

    In formele logica verschijnt ‘iets’ vaak als existentiële uitspraak: er bestaat ten minste één X met eigenschap P. Die notatie is geen metafysische onthulling, maar een minimale vorm: er is een domein van mogelijke gevallen en ten minste één geval waarvoor een eigenschap geldt. Dat domein, hoe mager ook, is het formele minimum (‘tabula’) waarbinnen een onderscheid kan gelden. Zonder domein en eigenschap blijft ‘er is iets’ binnen dit schema leeg.

    Voor dit deel betekent dat: een minimaal ‘iets’ is datgene waarvoor, binnen zo’n domein, ten minste één onderscheidbaar kenmerk geldt. Dat kenmerk mag vaag blijven, zolang het een minimaal onderscheid markeert tussen wat men ‘absoluut niets’ noemt en een geval waarin dat kenmerk geldt.

    Belangrijk is dat deze minimale beschrijving zegt niets over de aard van dat ‘iets’. Het hoeft geen object of deeltje te zijn; het kan een toestand zijn, een structuur, een verhouding of zelfs een pure mogelijkheid. ‘Fundamenteel’ betekent hier: niet het kleinste mogelijke ‘brokje’ materie, maar het minst gespecificeerde dat nog als drager van verschil kan dienen.

    Dat klinkt abstract, maar een analogie uit de informatica kan helpen, zonder te stellen dat werkelijkheid uit bits bestaat. Een bit lijkt het schoolvoorbeeld van ‘niets of iets’: 0 of 1. Die twee waarden vormen een minimaal domein van toestanden waarbinnen een onderscheid kan gelden. Een ‘0’ is daarin niet ‘niets’, maar één toegestane mogelijkheid.

    Zo’n domein veronderstelt een voorafgegeven mogelijkhedenruimte waarin 0 en 1 als waarden kunnen gelden. Met slechts één toegestane waarde valt er niets te onderscheiden; pas zodra er minstens twee toestanden mogelijk zijn, ontstaat een structuur van verschillen. Het ogenschijnlijke ‘van niets naar iets’ is daarom geen overgang vanuit absoluut niets, maar de stap waarin deze mogelijkhedenruimte wordt verondersteld en minimaal onderscheid geldt. Pas dan krijgt ‘er is iets’ betekenis.

    Wetenschappelijke beschrijvingen operationaliseren dit minimale schema in modellen, zonder daarmee een ontologie te kiezen. Ook daar is de ‘tabula’ het formele minimum. Dit opent een kwestie die later terugkomt: is het minimale ‘waarbinnen’ primair, of wordt het mede bepaald door wat erbinnen verschijnt?

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW – 1.4. Spectrum

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.4. Mogelijkhedenbereik (Spectrum)

    Wat overbleef na ‘Begrenzing’ was een voorwaarde: ‘anders’ kan alleen bestaan voor zover het niet identiek is. Maar die voorwaarde blijft half leeg zolang niet duidelijk is hoe verschil kan uitkomen zonder dat we fysieke ruimte of tijd veronderstellen. Daarom volgt nu een bereik van mogelijke uitkomsten.

    Met ‘mogelijkhedenbereik’ bedoel ik geen ruimte of meetkundig decor. Het is geen leegte waarin dingen ‘staan’, geen raster en geen coördinatenstelsel. Het is de naam voor het minimale kader waarin ‘niet-samenvallen’ meer is dan een tegenstelling: toestanden kunnen verschillen zonder identiek te worden.

    “Er is een spectrum van posities.”

    Met ‘spectrum’ bedoel ik de mogelijkheid van meerdere posities waarin iets kan uitkomen. Dat klinkt ruimtelijk, maar het is hier een abstractie. ‘Positie’ is hier een aanduiding voor een onderscheiden mogelijkheid van uitkomen. Later kan dit ‘ruimte’ of ‘tijd’ blijken te zijn, of iets dat we nu nog niet kunnen benoemen. De enige eis is dat twee onderscheiden toestanden niet op dezelfde positie uitkomen.

    Er wordt niets ‘geplaatst’, uitgezet of gemeten. Het spectrum is hier een minimale mogelijkheid, geen meetlat.

    Zo blijft verschil overeind zonder meteen eigenschappen op te stapelen. Als twee toestanden niet samenvallen, krijgt dat inhoud: ze nemen niet dezelfde positie in.

    ‘Dit’ is dan niet slechts een label, maar een minimale begrenzing: een positie als mogelijke uitkomst binnen variatie.

    ‘Niet-dit’ is geen tweede entiteit naast ‘dit’; het is het complement: alles wat niet die positie is. Zo wordt het onderscheid stabieler zonder ‘dingen’ of ‘plaatsen’.

    Een tweede voordeel is dat posities ook onbezet kunnen blijven. Het spectrum bevat niet alleen wat er feitelijk uitkomt, maar ook welke posities mogelijk zijn zonder gerealiseerd te worden. Dat voegt geen nieuwe werkelijkheid toe; het zegt dat ‘anders’ meer is dan één enkel geval.

    Hier krijgt ‘niet-samenvallen’ een eerste positieve invulling: variatie in positie binnen een abstract bereik. Pas als verschil kan ‘landen’, kunnen ruimte, tijd en structuur volgen.