Tag: middenoplossing

  • Polderen in de rechtszaal

    Waarom ‘redelijkheid’ soms je grootste tegenstander is

    De procedurele werkelijkheid duwt regelmatig richting schikking. Dat wordt tijdens comparities en mondelinge behandelingen concreet: de zaak moet hanteerbaar worden, onzekerheid moet omlaag en ergens moet een knoop worden doorgehakt. Die pragmatische druk hoeft niet cynisch te zijn; die kan ook verantwoordelijk zijn. Maar voor de partij met het sterkste juridische gelijk betekent het dat je niet alleen tegen je wederpartij procedeert, maar ook tegen de zuiging naar ‘een oplossing waarin niemand volledig verliest’.

    Veel mensen zijn grootgebracht met het idee dat conflicten uiteindelijk oplosbaar zijn als je maar lang genoeg praat, nuanceert en elkaar een beetje tegemoetkomt. Dat is het poldermodel op z’n vriendelijkst: niemand krijgt alles, iedereen houdt iets over. Wie veel procedeert, herkent iets vergelijkbaars in de rechtspraktijk. Niet als expliciet doel (‘de rechter móét beide partijen gelijk geven’), maar als terugkerend patroon: de rechter zoekt niet zelden naar een uitkomst die het conflict beëindigt, verdedigbaar is en maatschappelijk aanvaardbaar voelt. En precies dáár zit een spanning die je niet moet onderschatten.

    Het ongemakkelijke punt is dit: zelfs met een juridisch sterke zaak kan ‘redelijkheid’, gevoed door open normen, ruimte creëren voor een ‘tussenoplossing’ waarin de wederpartij toch iets krijgt. De rechter doet dat zelden uit onwil, maar omdat hij moet beslissen met onvolledige informatie: de feiten zijn rommelig, het procesdossier is onvolledig en proportionaliteit biedt houvast.

    Wie wil voorkomen dat ongelijk toch een beetje gelijk wordt, moet daarom niet alleen gelijk hébben in praktische én juridische zin, maar het ook zó presenteren dat ‘redelijke middens’ niet aantrekkelijk of zelfs niet beschikbaar zijn.

    Waarom de rechter vaak richting het midden wordt getrokken

    Rechtspraak is geen wiskunde. Weinig dossiers lenen zich voor een zuiver ja of nee. Zelfs wanneer de rechtsregel helder is, zijn de feiten dat zelden. Getuigen kunnen onbetrouwbaar zijn, e-mails zijn vatbaar voor meerdere uitleg, afspraken zijn mondeling gemaakt, administratie is onvolledig en emoties kleuren alles. In die mist is ‘redelijkheid’ een houvast. Het Nederlandse privaatrecht kent bovendien open normen die uitnodigen tot proportionaliteit, zoals ‘redelijkheid en billijkheid’ en matigings- en toerekeningsregels. Die instrumenten zijn bedoeld om harde uitkomsten te verzachten waar dat gerechtvaardigd is. Maar die normen hebben een bijwerking: wie geen sterke hoofdregel heeft, kan toch proberen te landen op een zachte uitzonderingsgrond.

    De misvatting: de rechter wil iedereen een beetje gelijk geven

    Dit misverstand is nuttig: rechters ‘willen’ niet per se een Salomonsoordeel. Ze willen wel een beslissing die in het recht past en uitlegbaar is. Alleen: als het dossier ruimte laat, is een gematigde uitkomst vaak makkelijker te motiveren dan een harde afwijzing. Zeker wanneer er aan beide kanten iets te zeggen valt, of wanneer totaalverlies maatschappelijk onrechtvaardig oogt. Dan ontstaat het poldermoment: niet omdat het recht dat dicteert, maar omdat het dossier het toelaat.

    En dat is de kern. Niet de redelijkheid van de rechter is het probleem, maar de kwetsbaarheid van de partij met het sterkste gelijk voor die redelijkheid. Als die deur openstaat, wordt het midden al snel aantrekkelijk.

    Redelijkheid als vluchtroute

    Een tegenwerping is logisch: open normen en matiging zijn juist bedoeld om onrecht te corrigeren. Ze voorkomen dat harde regels onredelijk uitpakken in uitzonderlijke situaties. Als je het besliskader te strak trekt, kan je de menselijke maat wegduwen en verander je het recht in een rekenmodel.

    Maar dat is niet het punt hier. Het punt is dat open normen geen neutrale ‘bonusruimte’ zijn waar een juridisch zwakke zaak automatisch op mag landen. Als er een uitzondering wordt ingeroepen, moet die gedragen worden door concrete feiten en een herkenbare maatstaf. Anders wordt redelijkheid geen correctie, maar een vluchtroute.

    Hoe je voorkomt dat ongelijk toch een beetje gelijk wordt

    Er zit nog een praktische consequentie aan dit alles: het midden dichtschrijven kost disproportioneel veel werk. Het is relatief eenvoudig om de hoofdklacht te bestrijden. Het is aanzienlijk meer werk om ook alle ‘beetje wel’-varianten te ontzenuwen, omdat je dan elke vluchtweg, omweg en insinuatie vooraf moet zien aankomen en juridisch moet dichttimmeren.

    Wie wil voorkomen dat de wederpartij iets toegekend krijgt, moet het midden uit het dossier schrijven. Niet met retoriek, maar met drie vormen van discipline: kader, feiten en narratief.

    Kader: maak de hoofdregel onontkoombaar en sluit de vluchtroutes af. Breng de zaak terug tot een simpele kernvraag waarop de rechtsregel hard is. Hoe minder bijzin, hoe beter. ‘Was er een overeenkomst?’ ‘Is er tijdig geklaagd?’ En behandel daarna de verwachte vluchtroutes niet als bijlage, maar als hoofdfront. Leg uit waarom dit geen uitzonderingssituatie is. Benoem waarom matiging hier juist onredelijk zou zijn, bijvoorbeeld omdat het voorspelbaarheid ondermijnt, opportunisme beloont of het contractuele risico verschuift.

    Dat betekent niet dat je nooit een terugvaloptie moet hebben. Het punt is dat je niet het ongedefinieerde ‘midden’ moet laten bestaan waar de rechter zelf iets in kan vullen. Als je een terugvaloptie wilt, definieer die zelf smal en controleerbaar, als een bewuste subsidiaire route die nog steeds past binnen het besliskader.

    Feiten: disciplineer het dossier en maak het midden onwerkbaar. Redelijkheid gedijt op onzekerheid. Dus: tijdlijn, stukkenlogica, consistente terminologie, één verhaal. Niet meer argumenten, maar minder ruis. Maak vervolgens expliciet waarom een compromisuitkomst juridisch of praktisch niet functioneert. Bijvoorbeeld omdat het intern tegenstrijdig wordt (‘als A, dan ook B’), omdat het een perverse prikkel creëert, of omdat het afbreuk doet aan een noodzakelijke norm. De rechter hoeft niet overtuigd te worden dat jouw positie sympathiek is; hij moet inzien dat ook het midden geen stand houdt.

    Narratief: neutraliseer sympathie en wees hard over grenzen. Wie inhoudelijk zwak staat, speelt vaak op billijkheid en gevoel. Als jij alleen reageert met ‘maar het recht zegt’, blijft er ruimte voor een redelijke correctie. Neutraliseer dat door het systeemargument expliciet te maken: wie betaalt de rekening, en waarom is dat juist? Laat zien dat generaliseren precedentwerking heeft en een uitnodiging wordt voor vergelijkbare beroepen. En let op je eigen concessies. Natuurlijk moet je eerlijk blijven, maar eerlijkheid is niet hetzelfde als je eigen positie ondergraven. Elke concessie kan veranderen in een opstapje naar een polderuitkomst.

    De paradox: je moet redelijkheid juist expliciet maken

    Als je je tegen ‘de redelijkheid van de rechter’ wilt wapenen, helpt het om redelijkheid niet te vermijden, maar te claimen. Juist omdat redelijkheid soms echt moet corrigeren, moet je laten zien waarom die correctie hier niet aan de orde is. Niet door te zeggen dat je ‘redelijk’ bent (dat zegt iedereen), maar door te laten zien dat precies jouw uitkomst de redelijke uitkomst is omdat zij consistent is met het systeem: voorspelbaarheid, gelijkheid van gevallen, contractsvrijheid, bescherming tegen opportunisme, bewijslastverdeling. Dan wordt jouw harde uitkomst niet hard, maar noodzakelijk. En de wederpartij staat dan niet meer voor ‘een menselijk verhaal’, maar voor een poging om via sentiment te krijgen wat juridisch niet gedragen wordt.

    Conclusie

    Het Nederlandse rechtssysteem is geen onderhandeling, maar het kent wel polderdruk: als het dossier ruimte laat, wordt een gematigde, uitlegbare middenoplossing verleidelijk. Wie wil voorkomen dat ongelijk toch gedeeltelijk gelijk wordt, moet dus niet alleen gelijk hébben, maar de omstandigheden creëren waarin een middenuitkomst juridisch en praktisch onaantrekkelijk is. Dat is geen cynisme; het is procesrealiteit.

    In de rechtszaal wint niet alleen wie gelijk heeft, maar wie de regie houdt over wat nog als ‘midden’ kan gelden.