Tag: Metafysica

  • HOW2 – 1.2. Iets (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.2. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Iets metafysisch

    Als je alle invullingen wegdenkt, blijft dit over: een minimaal ‘iets’ kan een verschil alleen dragen binnen een ‘waarbinnen’, een domein waarin een kenmerk ‘van’ iets kan zijn. Formeel gezegd: een eigenschap veronderstelt zo’n domein. Dat domein hoeft nog niet ingevuld te zijn als wereld, ruimte of veld; zonder dit minimum wordt ‘iets’ een lege term. Binnen dit schema is dat precies wat ‘minimale aanwezigheid’ betekent: genoeg domein om ‘iets’ van ‘niets’ te onderscheiden.

    Daarmee ontstaat een tweesprong: denk je alle achtergrond weg, dan verdwijnt het domein; vul je het direct in, dan wordt het te zwaar. Dan val je terug in het absolute niets uit het vorige hoofdstuk: geen ruimte, tijd, structuur of mogelijkheden. Maar als je het domein wél direct invult als ruimte-tijd, bewustzijn of een fysisch veld, neem je meer mee dan bij een minimaal ‘iets’ past. Je neemt ongemerkt al veel meer aan, terwijl het hier juist gaat om wat logisch voorafgaat aan elke wereldbeschrijving.

    Een uitweg is om ‘domein’ hier als formeel bereik te gebruiken, niet als substantie. Domein is hier de naam voor het formele bereik waarbinnen een verschil kán gelden, niet voor de invulling ervan. In die zin zegt ‘er is een domein’ niet dat er al een universum, een geest of een informatiestructuur gegeven is, maar alleen dat ‘iets’ en ‘niets’ binnen dat domein niet langer samenvallen. Verschillende ontologieën kunnen later een eigen invulling van dat domein voorstellen. Deze tekst legt die keuze niet vast; hij noteert alleen dat een verschil zonder domein binnen dit schema ophoudt een verschil te zijn. (Terzijde: ook als je ‘drager’ herleidt tot ‘kenmerk’ blijven ‘waarvoor’ en ‘waarbinnen’ nodig; een vormen- of ideeënleer verschuift vooral waar je het domein situeert.)

    Je kunt het zo samenvatten: een minimaal ‘iets’ bestaat niet in het luchtledige. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, bestaat er impliciet een kader waarin dat kenmerk verschijnt. Dat kader hoeft nog geen uitgewerkte wereldstructuur te zijn; het is eerder een formeel minimum dat alleen aangeeft dát er verschillen mogelijk zijn. Denk je dit minimum weg, dan val je terug in het ondenkbare niets; vul je het te snel in, dan specificeer je te veel.

    Metafysisch gezien is het minimale ‘iets’ daarom ingebed in een minimaal domein, hoe mager ook.

    [Wordt vervolgd…]

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (9/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    9. Niets metafysisch

    In de strengst mogelijke betekenis betekent ‘niets’ totale afwezigheid. Het is niet ‘niet-iets’, maar ‘niet-alles’: het ontbreken van enig iets. Niet alleen geen objecten, maar ook geen ruimte, geen tijd, geen achtergrond, geen wetmatigheden en geen mogelijkheden. En dus ook geen logica of wiskunde, tenzij je weer een kader veronderstelt. Zelfs geen ‘leegte’, want leegte veronderstelt al ruimte. In die zin is ‘niets’ geen beperkte variant van ‘iets’, maar het volstrekte ontbreken van elke drager waarop je eigenschappen kunt projecteren.

    Vat je ‘niets’ op als leegte, vacuüm of entiteit, dan sluipt er toch weer ‘iets’ binnen. Dan begint de paradox van beschrijving.

    Zodra je het absolute niets probeert te beschrijven, moet je er kenmerken aan toekennen. Je noemt het ‘leeg’, ‘afwezig van alles’, ‘geen dit en geen dat’. Maar elk van die woorden suggereert een toestand: iets dat ‘zo en zo’ is. Zodra je ‘niets’ eigenschappen geeft, maak je er een ‘iets’ van. In die zin is het absolute ‘niets’ minder een toestandsbeschrijving dan een grenswoord: het markeert de rand van onze taal en ons denken, niet iets dat je zonder tegenspraak kunt uittekenen.

    Dat merk je ook aan een ogenschijnlijk eenvoudige zin: “Er is niets.” Je gebruikt de ‘er is…’-structuur om bestaan te ontkennen. Je kunt dat aanscherpen (“Er is geen enkel ding”), maar het probleem blijft: je spreekt over afwezigheid alsof die zelf iets is. Dat zit al in een klassieke intuïtie: ‘niet-zijn’ laat zich niet denken alsof het een soort ‘zijn’ is. Zodra je het probeert, glipt het weg of verandert het van gedaante. Zelfs dan blijft de ontkenning leunen op een impliciet domein waarbinnen je die ontkenning uitspreekt.

    Vergelijk het met de opdracht: “Denk niet aan een roze olifant.” Op het moment dat je het zegt, roep je het beeld al op. Dezelfde reflex zie je terug bij oorsprongsvragen.

    Toch blijven we ‘niets’ gebruiken als beginpunt. Daarmee behandelen we het ongemerkt als iets waaruit iets kan volgen, vooral wanneer we over oorsprong spreken. Men zegt bijvoorbeeld: “Er was niets vóór de Big Bang.” Alleen al het woord ‘vóór’ sluist een tijdskader binnen, terwijl juist dat kader ter discussie staat. Het klinkt helder, maar het werkt vaak als stopteken: hier stopt ons model. Dat onderscheid is cruciaal: “we hebben geen beschrijving meer” zegt iets over onze modellen. “Er was absoluut niets” suggereert een uitspraak over de werkelijkheid zelf.

    De meest basale stap na ‘niets’ is daarom niet ‘een wereld’, maar het ontstaan van één minimaal verschil. Zodra er één onderscheidbaar kenmerk is, is er iets. Dat is het meest fundamentele onderscheid tussen niets en iets: één enkel onderscheidbaar kenmerk dat als drager van bestaan kan gelden. Dat is genoeg: ‘iets’ is minimaal bepaalbaar en niet langer louter ontkenning.

    Daar zit de paradox: als ‘iets’ geen enkel onderscheidbaar kenmerk heeft dat het van ‘niets’ scheidt, verdwijnt het onderscheid. Dan verliest de uitspraak haar betekenis: je definieert ‘iets’ terug tot ‘niets’.

    In die zin is het absolute niets geen beschrijfbare toestand van de werkelijkheid en geen bruikbaar verklarend startpunt: elke beschrijving van ontstaan veronderstelt al ‘iets’, hoe minimaal dat ook mag zijn.

    [Wordt vervolgd…]