Tag: kritisch denken

  • Tien drogredenen in discussie

    Sommige manoeuvres in een gesprek lijken op argumenten, maar verplaatsen het gesprek van inhoud naar status, groepsdruk, emotie of druk. Voor de bühne werkt dat vaak snel, maar het maakt de discussie slechter: het is minder duidelijk wat er waar is, en de partijen raken sneller in rolgedrag.

    Onderstaande lijst is bedoeld als naslag. Per punt volgt een korte definitie, hoe je het kunt herkennen, één controlevraag (die het gesprek terugbrengt naar inhoud) en een nettere variant (wat je zou kunnen doen zonder het gesprek te laten ontsporen).

    Inhoud

    1. Beroep op gezag
    2. Beroep op meerderheid
    3. Op de persoon
    4. Valse consensus
    5. Beroep op medelijden
    6. Afleidingsmanoeuvre
    7. Stropop
    8. Standpunt vertekenen
    9. Vals dilemma
    10. Dreigement

    A. Beroep op gezag (argumentum ad verecundiam)

    Definitie: iemand gebruikt een titel, instituut of ‘de wetenschap’ als vervanging van onderbouwing. Bijvoorbeeld: “Dat vindt de regering ook”, “De geleerden zijn het erover eens dat…”, “Het is wetenschappelijk bewezen dat…”.

    Herkenningspunten:
    – de bron wordt als eindpunt gepresenteerd, niet als startpunt;
    – tegenspraak voelt ineens als ongepast, omdat het tegen ‘iemand’ zou zijn.

    Controlevraag: welke reden blijft overeind als je de naam, titel of instantie weghaalt?

    Nette variant: verwijs naar de concrete reden of bron, en zeg erbij hoe zeker het is en wat het zou kunnen weerleggen.

    B. Beroep op meerderheid (argumentum ad maioritatem)

    Definitie: een moreel standpunt wordt buiten de discussie gesteld omdat ‘de meerderheid’ het vindt. Bijvoorbeeld: “Een meerderheid in Nederland is tegen biotechnologie bij dieren, dus…”.

    Herkenningspunten:
    – ‘veel mensen vinden’ wordt ingezet als ‘dus is het juist’;
    – twijfel wordt neergezet als elitair of wereldvreemd.

    Controlevraag: waarom zou meerderheid hier een criterium voor waarheid of moraal zijn?

    Nette variant: benoem meerderheidssteun als politiek of sociaal feit en geef aan waar dat op is gebaseerd, maar geef daarna ook de inhoudelijke redenen waarom het standpunt te verdedigen is.

    C. Op de persoon (argumentum ad hominem)

    Definitie: kritiek op argumenten wordt vervangen door kritiek op de persoon. Bijvoorbeeld: “Wetenschappers zijn zo verblind door hun wens om belangrijke ontdekkingen te doen, dat…”.

    Herkenningspunten:
    – karakter, afkomst, rol of motief vervangt de plaats van de stelling;
    – de inhoudelijke stap ontbreekt: waarom volgt uit die aanval dat de stelling onwaar is?

    Controlevraag: welke concrete bewering weerleg je nu, en op basis waarvan?

    Nette variant: als belangen of prikkels relevant zijn, maak ze expliciet en koppel ze aan controleerbare punten (data, methode, aannames). Blijf bij de inhoud.

    D. Valse consensus en wij-zij (argumentum ad populum)

    Definitie: tegenargumenten worden buiten de discussie geplaatst doordat ‘de ander’ tot buitenstaander of vijand wordt gemaakt. (Ook in de vorm van: “Iedereen is het hier al over eens, jij loopt achter”.)

    Herkenningspunten:
    – “wij” zijn redelijk en “zij” zijn per definitie verkeerd;
    – de verwijzing naar ‘iedereen’ wordt niet verduidelijkt of afgebakend.

    Controlevraag: wie is ‘iedereen’ precies, en welk inhoudelijk argument van de minderheid wordt hier niet besproken?

    Nette variant: als er consensus is, definieer de scope (waar, onder welke groep, op basis waarvan) en noem ook de inhoudelijke tegenwerpingen.

    E. Beroep op medelijden (argumentum ad misericordiam)

    Definitie: een beroep op medelijden vervangt een inhoudelijk argument. Bijvoorbeeld: “Nadat ik er zo lang op heb zitten zwoegen, moet ik wel een voldoende krijgen…”.

    Herkenningspunten:
    – inzet verschuift van criteria naar zieligheid of inspanning;
    – je voelt dat ‘nee’ ineens klinkt als een moreel tekortschieten.

    Controlevraag: welke reden is er, los van medelijden, om de conclusie te trekken?

    Nette variant: erken omstandigheden, maar scheid ze van de beoordeling. Als omstandigheden wél relevant zijn, maak het criterium expliciet (denk aan: de mogelijkheid tot herkansing, coulancebeleid of overmacht).

    F. Afleidingsmanoeuvre (red herring)

    Definitie: het onderwerp wordt verlegd zodat het lastige punt niet meer besproken wordt.

    Herkenningspunten:
    – er verschijnt ineens een ‘ander probleem’ dat ook belangrijk is;
    – de oorspronkelijke vraag blijft onbeantwoord.

    Controlevraag: welke vraag probeerden we net te beantwoorden, en wat is het korte antwoord daarop?

    Nette variant: parkeer het zijspoor (“dat is een goed punt, waar we later op kunnen terugkomen”), en keer terug naar de kernvraag. Als het zijspoor echt bepalend is, leg uit waarom.

    G. Stropop (straw man)

    Definitie: een karikatuur van het standpunt van de ander wordt aangevallen in plaats van het echte standpunt.

    Herkenningspunten:
    – je herkent je eigen standpunt niet in de samenvatting;
    – de kritiek is opvallend makkelijk te winnen.

    Controlevraag: waar heb ik dat precies gezegd?

    Nette variant: begin met een korte herformulering van het standpunt van de ander, en vraag bevestiging voordat je het bekritiseert.

    H. Standpunt vertekenen

    Definitie: iemand legt de ander woorden in de mond of rekt het standpunt op tot iets extremers. Bijvoorbeeld: “Dus jij vindt dat regels helemaal moeten verdwijnen”.

    Herkenningspunten:
    – een kleine nuance wordt omgezet in een grote, extreme claim;
    – het gesprek gaat ineens over een punt dat niemand verdedigt.

    Controlevraag: welk deel van het standpunt citeer je nu letterlijk, en wat voeg je zelf toe?

    Nette variant: citeer één zin of één concrete stelling, en bespreek precies die stelling. Niet de extreme uitvergroting.

    I. Vals dilemma (valse tweedeling)

    Definitie: doen alsof er maar twee opties zijn, waardoor iemand in een hoek wordt gezet. Bijvoorbeeld: “Of je steunt dit plan, of je bent tegen vooruitgang”.

    Herkenningspunten:
    – een ‘of-of’-optie wordt gepresenteerd als complete kaart van de omstandigheden;
    – nuance wordt geïnterpreteerd als zwakte of sabotage.

    Controlevraag: welke derde optie, tussenoptie of combinatie is hier realistisch?

    Nette variant: maak de keuzecriteria expliciet (wat is het doel, wat zijn randvoorwaarden) en bespreek meerdere routes naar dat doel.

    J. Dreigement (argumentum ad baculum)

    Definitie: iemand oefent druk uit met impliciete of expliciete dreiging. Bijvoorbeeld: “Als jij dit blijft beweren, kun je een promotie wel vergeten”.

    Herkenningspunten:
    – de conclusie wordt gekoppeld aan straf, statusverlies of uitsluiting;
    – het gaat niet meer over waar of onwaar, maar over gevolgen voor jou.

    Controlevraag: is dit een inhoudelijk argument, of een poging om mij te laten zwijgen?

    Nette variant: als er echte consequenties zijn, benoem ze als feitelijk risico los van de waarheid van de claim, en bespreek daarna de inhoud op de eigen merites.

  • Quotegezag

    Een quote met een markante naam eronder is zelden een gedachte op eigen benen; het is gezag dat zich als argument verkleedt.

    Je ziet het in sierlijke typografie boven een vrolijke stockfoto: “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.” – Pippi Langkous. Het is een bekende misser: Astrid Lindgren heeft dit nooit geschreven. Dat Pippi Langkous dit niet heeft gezegd, is een detail dat vooral hinderlijk is. Wie corrigeert, is de stoorzender.

    Iemand heeft een keer iets bedacht dat ‘klinkt als Pippi’ en haar naam erbij geplakt. Het fluisterspel van het internet doet de rest. De uitspraak duikt op in trainingen, presentaties, schoolmuren en – als je pech hebt – zelfs in semi-officiële contexten waar je hoopt dat iemand een bron controleert. Het wordt een rondzingende prestigesticker. Niet omdat het iets bewijst, maar omdat het meer gewicht krijgt zodra je er een beroemdheid aan hangt.

    Het punt is dat een quote zelden alleen een mooie zin is. Het is vaak een vermomd argument. Niet: “Dit is waar, omdat het logisch is,” maar: “Dit is waar, omdat iemand die je respecteert het gezegd heeft.” Dat is geen nuanceverschil. Het is de drogreden van het gezagsargument: inhoud maakt plaats voor status. Waar Dickens in The Pickwick Papers (1836) een hele scène nodig had om een personage ontwapenend overmoedig te laten zijn, doen wij het met één regel en één naam: klaar. Het scheelt een hoop leestijd en vooral denkwerk; het voelt dan toch alsof iets is onderbouwd.

    En ja, die Pippi-gedachte is in de context van een kinderboek sympathiek. Branie werkt als literair motorblok: het kind dat zich niet laat intimideren door volwassenen, conventies en angst. Maar zet dezelfde zin in een serieuze context, dan beginnen de waarschuwingslampjes te knipperen. “Ik heb het nog nooit gedaan” is in het echte leven vaak precies de reden om te oefenen, begeleiding te zoeken, risico’s te wegen. Als duwtje bij iets onschuldigs is het prima. Als rechtvaardiging voor beslissingen met maatschappelijke consequenties is het ronduit roekeloos.

    De draai komt wanneer je beseft dat het echte probleem niet de onjuiste toeschrijving is, maar het doel ervan. Een bekende van mij gebruikte regelmatig een andere zin om een discussie af te sluiten: “Wie jong is en niet links heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen hersenen.” Steevast met de verwijzing naar Churchill. Dat geeft het meteen het aura van een staatsman. Later bleek die verwijzing helemaal niet te kloppen. En dat toont het mechanisme in zijn pure vorm: het ging niet over idealisme en leeftijd, maar om het doordenken af te kappen met geleende autoriteit.

    Daar kun je tegenin brengen dat quotes juist helpen. Ze destilleren ervaring en maken abstracte lessen hanteerbaar. Je onthoudt een zin nu eenmaal beter dan een paragraaf. En eerlijk is eerlijk: wie maalt erom of Lindgren het letterlijk zo opschreef, als precies die oneliner iemand over zijn drempelvrees helpt? Dat is een verdedigbare gedachte. Niet alles hoeft een voetnoot te hebben om praktisch bruikbaar te zijn.

    Dat gaat goed totdat de quote niet slechts als motivatie of illustratie geldt, maar als argument wordt ingezet. Dan is de bron geen bijzaak maar de hefboom die de stelling kracht geeft. Als de zin echt op eigen benen stond, zou een onbekende bron geen probleem zijn. Sterker nog: dan zou ‘onbekend’ juist een kracht zijn, een gedachte zonder krukjes. In de praktijk zien we het omgekeerde. Het label ‘onbekend’ voelt als een tekort, dus wordt er een beroemdheid opgeplakt: Pippi, Churchill of Mark Twain als waarborg.

    Daarom is factchecken van quotes nuttig. Niet om pedant te kunnen zuchten dat Voltaire of Einstein dat helemaal niet heeft gezegd, maar omdat het je dwingt de redenering zelf te toetsen. Een beroep op gezag werkt als een aanmaakblokje: het vat meteen vlam, maar houdt geen vuur gaande. De conclusie krijg je opgedrongen, maar de route ernaartoe wordt niet inzichtelijk gemaakt.

    De eenvoudige remedie is ongemakkelijk, en precies daarom werkt hij. Denk bij elke quote eerst de naam weg. Haal Lindgren, Churchill en Einstein weg. Laat alleen de zin staan. Stel dan de vragen die sociale media consequent overslaan: Klopt dit eigenlijk wel? En wanneer niet? Onder welke omstandigheden wordt de mooie oneliner (gevaarlijke) onzin? Als je die vragen overslaat, dan ben je niet geïnspireerd; dan ben je geautoriseerd. Zo’n legitimatie is hooguit rugdekking; begrip levert ze niet.

    Een quote mag inspireren; als bewijs is hij verdacht.