Tag: juridische werkelijkheid

  • Juridische werkelijkheid (v2)

    Vaak botsen verwachtingen over ‘waarheidsvinding’ met wat een procedure in de kern doet. Zij moet beslissen, en dat is precies haar functie.

    De kloof tussen wat er gebeurt en wat rechtens geldt, zie je in een simpel voorbeeld. Een ruzie op straat krijgt juridische betekenis wanneer zij wordt gekwalificeerd als bijvoorbeeld mishandeling of noodweer. Deze ruimte is productief, maar kan ook vervreemden. Het draait niet om wat ‘echt’ gebeurde, maar om wat als relevant en aantoonbaar overblijft.

    In de rechtszaal wordt het verleden teruggebracht tot een pakket van juridisch relevante feiten. Dat is nodig om het ‘recht’ toe te passen en tot een uitspraak te komen. Zodra de wederpartij iets betwist, is ‘waarheid’ van het verhaal geen gegeven, maar een stelling die moet worden onderbouwd. Dan liggen er twee verhalen op tafel. De rechter beslist welke versie als juridische werkelijkheid geldt. Wederzijds uitsluitende standpunten worden betwist, aan bewijs getoetst en in het licht van het dossier gewogen.

    Vertaalslagen

    Die juridische werkelijkheid ontstaat via twee vertaalslagen. De eerste is feitelijk-bewijsbaar: van gebeurtenis naar vast te stellen feit. De tweede is juridisch-ingekaderd: van vast te stellen feit naar rechtsfeit, een feit dat betekenis krijgt binnen een normenkader. Die vertalingen maken van een gebeurtenis eerst een toetsbaar feitenoverzicht. Daarna krijgt dat feitenoverzicht rechtsbetekenis.

    Eerste vertaalslag: feitelijk en onbetwist

    De eerste vertaalslag begint met een harde beperking: de rechter kan niet oordelen over de wereld ‘zoals zij was’, maar slechts over stellingen die in het geding worden gebracht en toetsbaar worden onderbouwd. In het burgerlijk procesrecht ligt de verantwoordelijkheid voor de feitenbasis primair bij partijen. Zij moeten de relevante feiten stellen, volledig en naar waarheid. Binnen het procesrecht is dat verplicht. De procedure is daarmee geen vrije vertelling, maar een gecontroleerde vorm van kennisproductie. Losse ervaringen worden omgezet in stellingen die concreet genoeg zijn om te worden betwist, bewezen en gewogen.

    Vervolgens treedt het ‘adversariële mechanisme’ in werking: partijen leggen feiten op tafel; wat na betwisting blijft staan, wordt het vertrekpunt. Wat niet of onvoldoende wordt betwist, geldt in beginsel als vaststaand. Dat is geen geloof, maar een voorschrift dat de zaak hanteerbaar maakt. De rechter hoeft geen energie te steken in feiten waarover geen verschil van mening bestaat. Het gevolg is dat ‘de werkelijkheid’ in een civiele zaak vaak minder wordt opgebouwd uit spectaculair bewijs, en meer uit stellen, betwisten en zwijgen. Zwijgen is procesrechtelijk niet altijd neutraal: het kan betekenen dat een stelling zonder verdere bewijslevering tot de vaststaande feitenbasis behoort.

    Waar wél wordt betwist, komt de bewijslastverdeling om de hoek kijken. De hoofdregel is dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, daarvan het bewijsrisico draagt. De regel is: ‘Wie stelt bewijst.’

    In het dagelijks taalgebruik staat aannemelijkheid tegenover zekerheid. In de procedure is aannemelijkheid vaak een drempel: soms volstaat plausibiliteit (bijvoorbeeld in voorlopige voorzieningen), maar in een bodemprocedure kan aannemelijkheid ook het resultaat zijn van een combinatie van bewijs dat niet sluitend is, bewijswaardering en het ontbreken van overtuigend tegenbewijs. De rechter hoeft zelden absolute zekerheid te bereiken. Hij beslist op basis van het dossier en het bewijsrisico als kennis onvolledig blijft. ‘Wie stelt bewijst’ betekent ook dat wie stelt maar niet kan bewijzen, zijn stelling ziet stranden.

    Daarbij komt dat het civiele bewijsrecht in beginsel een open toegang kent: bewijs kan door alle middelen worden geleverd en de waardering ervan is aan de rechter. Dat klinkt ruim, maar het betekent niet dat werkelijk ‘alles’ meetelt. Het betekent dat vrijwel alles als bewijsmiddel mag worden aangeboden, terwijl de overtuigingskracht niet door vaste bewijsregels wordt dichtgetimmerd. Dat vergroot de rol van selectie, presentatie en context: hetzelfde feitelijke materiaal kan in de ene zaak betekenisvol zijn en in de andere zaak niet dragend blijken, door gebrek aan onderlinge samenhang, detail, herkomst of betrouwbaarheid. De feitelijke vertaalslag is dus niet alleen: wat is er gebeurd? Zij is vooral: wat is er aantoonbaar gebeurd binnen de grenzen van dit proces, met deze stukken, deze getuigen, deze timing en deze betwisting?

    Deze eerste vertaalslag is onvermijdelijk selectief. Niet omdat de rechter de werkelijkheid niet belangrijk vindt, maar omdat in de rechtszaal een selectie plaatsvindt. Alleen feiten die er in juridische zin toe doen, vormen het ‘basismateriaal’ voor de juridische werkelijkheid. Bovendien is er een praktische beperking: tijd, aandacht, proceskosten, bewijsproblemen. Het procesrecht organiseert daarom een beslisbare versie van de werkelijkheid: een versie die voldoende houvast biedt om een knoop door te hakken. De prijs daarvan is uiteindelijk dat de juridische werkelijkheid niet per definitie samenvalt met de historische werkelijkheid. Zij is een ‘verantwoorde’ benadering, geen alwetende reconstructie.

    Tweede vertaalslag: het juridisch kader

    Dan volgt de tweede vertaalslag: de juridische inkadering. Zelfs als de feiten procesrechtelijk stevig staan, hebben zij nog geen ingebouwd rechtsgevolg. Dat ontstaat pas wanneer zij worden geplaatst binnen een juridisch kader. Die stap is geen formaliteit, maar een andere vorm van vertalen. Je neemt een feitenreeks (X deed Y met gevolg Z) en je legt daar een juridische grammatica overheen: voorwaarden en uitzonderingen die in elkaar grijpen, zoals kwalificatie, causaliteit en toerekening. Hetzelfde feitenpakket kan op die manier meerdere ‘juridische werkelijkheden’ opleveren, afhankelijk van het gekozen spoor: wanprestatie of onrechtmatige daad, eigendom of bezit, arbeidsovereenkomst of opdracht, dwaling of bedrog. Eerst kies je het juridische vakje, daarna pas je de gebeurtenis daarin.

    Die inkadering maakt ook iets anders zichtbaar: welke feiten achteraf bezien, relevant blijken. In de praktijk is er een wisselwerking. Een partij stelt de feiten met het oog op een bepaalde rechtsgrond. De wederpartij betwist gericht de feiten die binnen die rechtsgrond dragend zijn. De rechter beoordeelt vervolgens binnen het juridische kader welke feiten beslissend zijn. Het juridisch kader is dus niet slechts een label achteraf, maar het stuurt vanaf het begin welke werkelijkheid überhaupt wordt opgebouwd. Daardoor is de ‘juridische werkelijkheid’ een constructie, geen reconstructie. Zij is beschrijvend omdat zij vaststelt wat er procesrechtelijk is gebeurd en normstellend omdat zij dat ordent in termen van rechten, plichten, bevoegdheden en sancties.

    Rechtens relevante realiteit

    Dat brengt ons terug bij de oorspronkelijke stelling. Als je zegt dat alleen de bewijsbare werkelijkheid telt, zeg je in feite twee dingen. Ten eerste: waarheid in de rechtszaal is procedurele waarheid, gebonden aan regels van stelplicht, betwisting, bewijslast en bewijswaardering. Ten tweede: zelfs die procedurele waarheid is niet zelf de uitkomst; zij is grondstof die pas betekenis krijgt door juridische kwalificatie.

    Wie dit scherp ziet, begrijpt de implicatie: procederen is vertalen. Ervaring wordt toetsbare taal, en toetsbare taal krijgt rechtsbetekenis. Niet als versiering, maar als afbakening. Dat vraagt om precisie.

    De rechtszaal kan geen totale waarheid leveren, wel een verantwoorde beslissing op basis van wat partijen aantoonbaar maken en wat het recht daaraan verbindt. Zo ontstaat een virtuele realiteit: de juridische werkelijkheid.

  • Juridische werkelijkheid (v1)

    De zin “Maar zo is het echt gegaan.” duikt in rechtszaken op als laatste poging om de eigen versie van het verhaal door te drukken. De verwarring die dan volgt (“Waarom kijkt u niet naar het geheel?”) komt voort uit een verschil in verwachting. In de rechtszaal gaat het vaak niet om het hele verhaal, maar om iets anders.

    De rechtszaal is geen plek waar dé werkelijkheid wordt gereconstrueerd. Zij is een beslisomgeving die het verleden terugbrengt tot een beperkte set feiten die relevant zijn voor de beslissing. Die feiten komen uit het dossier: wat partijen stellen, wat wordt betwist en wat met bewijs kan worden onderbouwd.

    De rechtszaal spreekt met gezag, terwijl het verhaal zelden compleet is. En toch komt er aan het einde een vonnis, met een werkelijkheid die in nette alinea’s is samengevat. Daarom schuurt het: wat iemand als wezenlijk ervaart, verdwijnt zodra het niet hard genoeg wordt voor het dossier.

    Omdat partijen concurrerende versies van dezelfde gebeurtenissen presenteren, ontstaan er twee elkaar uitsluitende verhalen. Die verhalen worden getoetst aan juridische criteria. Wat resteert is geen volledige historische waarheid, maar een juridisch vastgestelde kern: wat voor de beslissing telt. Die versmalling kan voelen alsof ‘het recht’ tekortschiet, maar ze is onvermijdelijk. Zonder selectie en afbakening zou een zaak niet binnen redelijke tijd en volgens hanteerbare regels kunnen worden beslist.

    De rechter plaatst de vastgestelde feiten in een rechtskader en verbindt er een rechtsgevolg aan. Kort gezegd: de rechter, het feitencomplex, het rechtskader en het rechtsgevolg. Vier filters voordat een vonnis wordt gewezen.

    Filter 1: De rechter wordt wel aangeduid als een ‘black box’: er gaat iets in en er komt iets uit, maar wat er in de box gebeurt blijft grotendeels verborgen. Dat komt niet alleen door het geheim van de raadkamer, maar ook doordat een uitspraak nooit helemaal blootlegt welke relatieve gewichten de rechter aan de afzonderlijke factoren heeft toegekend.

    Alle ingrediënten zijn bekend: de stellingen, het bewijs, de juridische criteria en de relevante omstandigheden. Maar hoe de rechter alles afweegt voordat hij beslist, blijft onbekend. Met dezelfde ingrediënten maakt de ene chef een andere schotel dan de andere. De kern van de black box zit in de weging.

    Filter 2: In het geding wordt het relevante verleden geconstrueerd tot een raamwerk waarbinnen het recht kan optreden. (Het is geen volledige historische reconstructie.) Er ontstaat een parallelle werkelijkheid op basis van wat partijen stellen en betwisten. Beide partijen presenteren een narratief als beschrijving van hun werkelijkheid. Die narratieven worden naast elkaar gelegd en getoetst op bewijs en plausibiliteit. Wat standhoudt, vormt het aannemelijke fundament: het feitencomplex.

    Filter 3: Het rechtskader wordt begrensd door de rechtsgronden die partijen aanvoeren, waar nodig aangevuld met regels die de rechter ambtshalve moet toepassen. Dat vormt de zeef waar het feitencomplex doorheen gaat. Wat resteert, vormt de juridische basis voor de beoordeling.

    Filter 4: De rechter mag in beginsel niet iets anders toewijzen dan door de partijen is gevraagd. Hij beoordeelt vervolgens in welke mate de juridische basis de toewijzing kan dragen: dat is het rechtsgevolg.

    Zet je de vier filters achter elkaar, dan zie je waarom de ‘juridische werkelijkheid’ niet samenvalt met de ‘historische werkelijkheid’. Het recht produceert geen leugen, maar een juridisch bruikbare selectie. Feiten worden niet alleen gevonden, maar ook gevormd. Niet verzonnen, maar gestileerd. Ze worden geknipt op relevantie, geplakt op bewijs, gemeten volgens criteria. Dan krijgen ze gewicht, richting en gevolg. Zo wordt het verleden hard genoeg gemaakt om er een juridische conclusie aan te mogen verbinden. ‘In rechte’ bestaat eenvoudigweg niet wat niet kan worden gewogen.

    Dan is het niet juist om te zeggen dat de rechter ‘de waarheid’ heeft vastgesteld. De rechter heeft vastgesteld wat binnen de beslisomgeving voldoende aannemelijk is geworden om een vonnis te rechtvaardigen. Wie dat inziet, procedeert anders. Hoe het was is slechts een tussenstap naar hoe het in het dossier komt. Hopen dat de rechter het wel aanvoelt helpt weinig; het moet toetsbaar zijn.

    Daarom wint niet wie het ‘echt’ heeft meegemaakt, maar wie het hard krijgt in het dossier.