Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)
0.2. Introductie
In het alledaagse leven is er niet één werkelijkheid; er zijn er meerdere. Sommige werkelijkheden trekken zich niets van ons aan. Andere bestaan alleen zolang wij ze samen in stand houden. Dit boek onderzoekt hoe verschillende werkelijkheden zich tot elkaar verhouden.
Dit boek is geen pleidooi voor één school. Het is geen ‘alles is objectief’-benadering en ook geen ‘alles is slechts perspectief’. Ik probeer een route uit te stippelen waarin meerdere intuïties kloppen, afhankelijk van invalshoek en focus.
Dit boek gebruikt drie bronnen: mythen en religies (als spiegel van terugkerende motieven), filosofie (als gereedschap voor begripswerk) en wetenschap (als toets en grensbewaker). In deze introductie koppel ik die bronnen aan een werkdefinitie van ‘werkelijkheid’ en ‘ontstaan’, en aan de opbouw en leesroutes.
1. Een voorlopige werkdefinitie van ‘werkelijkheid’
Dit boek begint niet met één finale definitie van werkelijkheid. Dat zou het eigenlijke werk in de eerste alinea al afsluiten. Toch is een werkbare afbakening nodig om de route te kunnen lopen. Voorlopig gebruik ik ‘werkelijkheid’ als verzamelnaam voor datgene wat ons handelen mede vormt en begrenst.
De vier lagen van werkelijkheid zijn: een fundamentele laag* (wat aan ervaring en maatschappij voorafgaat, zonder uitspraak over de aard ervan), een ervaringslaag (de wereld zoals die verschijnt), een maatschappelijke laag (systemen die een gedeelde of afgedwongen werkelijkheid vormen) en een theoretische laag (wereldbeelden waarmee we grip zoeken op het voorgaande). De theoretische laag is zelden ‘puur’ individueel. Ze is meestal ook een maatschappelijke praktijk, gedragen door taal, onderwijs, disciplines en instituties.
* Met ‘fundamenteel’ bedoel ik hier niet noodzakelijkerwijs ‘materieel’. In deze introductie laat ik expliciet open wat uiteindelijk het meest basale is; ‘fundamenteel’ is hier een werkterm voor ‘datgene dat voorafgaat aan ervaring en sociale ordening’.
Dit boek trekt die lagen niet kunstmatig uiteen, maar zet per deel één dominante laag centraal en maakt zichtbaar welke andere lagen meeliften. ‘Werkelijkheid’ is dus geen codewoord voor één domein, zoals ‘alleen het fysisch meetbare’. Het is een woord met een impliciete vraag: wat bedoelen we hier en nu als we ‘werkelijk’ zeggen?
In de praktijk lopen die lagen voortdurend door elkaar. Een rechter beslist bijvoorbeeld over de ‘feiten’: een maatschappelijk-juridische gebeurtenis. Dat oordeel baseert hij op verklaringen en bewijsmiddelen. Een natuurkundige formule lijkt te gaan over de ‘meest directe’ werkelijkheid, maar is tegelijk een model in een wetenschappelijke praktijk, ingebed in instituties en taal.
2. Waarom ‘ontstaan’?
Het tweede kernwoord in de titel is ‘ontstaan’. Dat kan op minimaal drie manieren worden opgevat.
Ten eerste historisch: er is een ontstaansgeschiedenis van het universum, een geschiedenis van het leven, een geschiedenis van menselijke samenlevingen. In die zin ‘is’ een fysische werkelijkheid ontstaan.
Ten tweede logisch-conceptueel: bepaalde begrippen lijken vóór andere te moeten komen. Je kunt nergens over spreken zonder minimaal te veronderstellen dat er ‘iets’ is. Je kunt niet over ervaring spreken zonder een waarnemer, en je kunt geen rechtssysteem bespreken zonder een idee van mensen, handelingen en gebeurtenissen. In die zin kun je een ontstaanslijn tekenen in begrippen: van ‘iets’ naar ‘onderscheid’, naar ‘grens’, naar ‘vorm’, naar ‘patroon’, naar ‘orde’, naar ‘verwachting’, naar ‘norm’, naar ‘regel’.
Ten derde praktisch: voor individuen en samenlevingen ‘ontstaat’ werkelijkheid opnieuw. Door opvoeding, taal, onderwijs, instituties en ingrijpende gebeurtenissen. Dat is geen grote metafysische claim, maar een nuchtere observatie: wat iemand als werkelijk ervaart, is het resultaat van een lang leer- en selectieproces.
Dit boek beweegt tussen die drie betekenissen, zonder ze te vermengen. Waar ik een logische volgorde bedoel, presenteer ik die niet als natuurkundig verslag. Waar ik een historische lijn aanstip, doe ik dat zonder de pretentie van volledigheid. Waar ik inzoom op individuele of maatschappelijke ontstaansprocessen, benoem ik die expliciet.
‘Ontstaan’ is dus geen romantische mythe van een oermoment, maar een manier om te vragen: welke stappen, op welk niveau, onvermijdelijk zijn om te komen van ‘geen enkele verwoording’ naar de rijkdom aan werkelijkheden waarin we feitelijk leven?
3. Drie bronnen, drie functies
Mythen en religies gebruik ik niet als bewijs, maar als spiegel: ze laten zien hoe mensen al heel lang proberen te spreken over het geheel, over oorsprong, orde en betekenis. Filosofie gebruik ik om begrippen te scherpen en verborgen aannames bloot te leggen. Wetenschap gebruik ik waar ze kan meten, weerleggen en begrenzen. Drie tradities, drie functies: alle drie relevant, geen van drieën zelfstandig voldoende. Samen geven ze meer grip op wat we bedoelen als we ‘werkelijkheid’ zeggen.
Concreet betekent dit het volgende. Als in verschillende mythische tradities steeds weer motieven terugkeren – scheiding van licht en donker, water en land, chaos en orde – dan zegt dat niets rechtstreeks over de kosmos zelf. Het zegt veel over terugkerende patronen in menselijk denken over begin en orde. Zulke patronen gebruik ik als tegenlicht voor mijn eigen begripsvoorstellen.
Filosofie is hier vooral gereedschap om te preciseren en te begrenzen. Bepaalde discussies, bijvoorbeeld over de status van ‘niets’, over tijd, over causaliteit, zijn al zo vaak doordacht dat ik niet doe alsof alles vanaf nul begint. Ik gebruik filosofen niet als autoriteit om een debat te sluiten, maar als sparringpartner. Zij helpen markeren waar taal dubbelzinnig wordt, en waar een redenering meer veronderstelt dan die lijkt te doen.
Wetenschap fungeert hier als waarschuwingssignaal, taalbron en grensbewaker. Natuurwetenschappen richten zich methodologisch op het meetbare en het tastbare. Dat is hun kracht en tegelijk hun afbakening. Wie die afbakening voor de werkelijkheid zelf houdt, verwart methode met wereldbeeld.
4. Soorten uitspraken
Niet alles wat volgt is van hetzelfde type uitspraak. Grofweg zijn er vier typen:
- Beschrijvende uitspraken: analyses van taalgebruik of bestaande praktijken. Bijvoorbeeld: wanneer we ‘niets’ zeggen, behandelen we het vaak toch als ‘iets’.
- Conceptuele voorstellen: definities of kaderzinnen als werkhypothese, niet als dogma. Bijvoorbeeld: werkelijkheid als ‘de zekerheid in ons alledaagse leven op grond waarvan we beslissingen nemen’.
- Modeluitspraken: wanneer ik een ontstaanslijn voorstel (“je kunt de opbouw van werkelijkheid denken als…”) dan is dat een model. Dat is als heuristiek bruikbaar als het veel tegelijk inzichtelijk maakt, niet omdat het ergens ‘opgeschreven’ staat of een wetmatigheid zou zijn.
- Speculatieve uitspraken: sommige stappen zijn niet logisch af te dwingen, maar lijken nodig om verder te komen. Waar ik zo’n stap zet, benoem ik dat.
In elk hoofdstuk is duidelijk welk type uitspraak wordt gedaan om misverstanden te voorkomen. Een modelvoorstel opvatten als empirische claim is even onhandig als een taalanalyse lezen alsof die een moreel oordeel bevat.
5. Abstract begin als discipline
In de eerste hoofdstukken zal de insteek vooral abstract zijn. Dat is geen kille stijlkeuze, maar een zelfopgelegde discipline. Wie het te veel inkleurt, smokkelt via een achterdeur onderdelen naar binnen die je juist probeert te beschrijven.
In Deel I spreek ik over werkelijkheid zonder de mens, de wereld of het universum als een bekend plaatje centraal te stellen. Zodra daar te snel alledaagse voorbeelden of herkenbare scènes bij worden gehaald, sluipt ‘onze wereld’ toch meteen weer als uitgangspunt naar binnen. De abstractie is dus niet bedoeld om afstandelijk te doen, maar om tijdelijk niet op bekende beelden te leunen en eerst te zeggen wat minimaal nodig is, voordat herkenbare voorbeelden het denken al sturen.
In de delen over ervaring en maatschappij wordt de toon concreter. Daar horen voorbeelden, casussen en alledaagse scènes juist wél thuis. Het boek is dus niet overal even abstract; de strengheid aan het begin is een oefening in begripsdiscipline die later opnieuw wordt ingezet, maar dan op andere niveaus.
6. De drie delen van het boek
Het boek is opgebouwd uit drie delen die op elkaar ingrijpen:
Deel I – Universum / premenselijk
Centrale vraag: wat kun je over werkelijkheid zeggen als je mens, ervaring en maatschappij nog helemaal buiten beeld laat? Hier gaat het over minimale begrippen, zoals ‘iets’, ‘onderscheid’, ‘grens’, ‘vorm’, ‘tijd’, ‘ruimte’ en ‘orde’. Mythen en religies, filosofie en natuurwetenschappen dienen hier vooral als spiegel en toetssteen voor die begrippen; filosofische en wetenschappelijke confrontaties zijn daarom in Deel I opgenomen.
Deel II – Ervaring
Centrale vraag: hoe verschijnt werkelijkheid aan ons, en wat gebeurt er met die werkelijkheid doordat wij haar willen, vrezen of verwachten? Hier komen thema’s langs als waarneming, interpretatie, illusies, framing, betekenistoekenning. Psychologie en fenomenologie spelen op de achtergrond mee, maar zo veel mogelijk zonder technisch jargon.
Deel III – Maatschappij
Centrale vraag: hoe wordt werkelijkheid gedeeld, aangeleerd en opgedrongen? Hier gaat het om normen, recht, instituties, media, economie, technologie en alledaagse gebruiken. Wie bepaalt wat ‘normaal’ is, wat ‘feitelijk’ is of welke werkelijkheid in regels en systemen wordt vastgelegd? Dit deel is concreter en raakt direct aan onderwerpen als macht, ongelijkheid en conflict.
De delen bouwen op elkaar voort, maar geen deel heeft het laatste woord. Wel is de volgorde bewust: van het premenselijke, via ervaring en maatschappij, naar de disciplines die het geheel proberen te doordenken.
7. Leesroutes
De meest voor de hand liggende leesroute is lineair, van Deel I naar Deel III. Die volgorde is niet hiërarchisch, maar wel functioneel: begrippen uit Deel I keren terug en worden verdiept. Indien je liever bij Deel II of Deel III begint: lees dan eerst alleen de inleiding van Deel I zodat de volgende delen een context hebben.
Omdat hoofdstukken ook los online verschijnen, zijn ze zo veel mogelijk zelfstandige essays. Elk hoofdstuk stelt een eigen vraag, bouwt een eigen boog op en landt met een duidelijk inzicht of open vraag. Wie alleen een enkel hoofdstuk leest, krijgt dus geen samenvatting van het hele boek, maar wel een gedachtegang over een afgebakend thema voorgeschoteld. Wie het geheel leest, ziet hoe die lijnen op elkaar inhaken. Kernbegrippen keren soms terug, maar niet zonder reden.
8. Reikwijdte van deze introductie
De concrete uitwerking en scherpere definities volgen in de hoofdstukken zelf. Daar wordt zichtbaar wat die abstracte keuzes concreet betekenen. Als je na het lezen van deze introductie weet waar je aan begint en welke pretentie het boek níét heeft, lees je het vervolg met één vaste vraag: welke laag domineert hier?