Tag: intermezzo

  • Intermezzo: uitdagingen

    Het wekelijkse intermezzo is bijna vanzelf een soort voortgangsverslag geworden. Dat is niet gepland, maar wel logisch: als je elke dag publiceert, kun je je eigen aanpak ‘in real time’ terugzien. Wat werkt. Wat ontspoort. Wat je dacht dat je al kon, maar toch nog niet beheerst.

    Vorige week stelde ik mezelf een duidelijke opgave: een reeks, met ruimte voor variatie, maar met één herkenbare lijn. Dat klinkt overzichtelijk, maar in de praktijk bleek vooral de keuze lastig. Er waren te veel mogelijke keuzes, de thema’s waren te breed, en het gevaar is dan dat je niet kiest maar verschuift: van onderwerp naar onderwerp, van invalshoek naar invalshoek. Die keuzestress is geen randverschijnsel; dat ís de uitdaging.

    De lijst waaruit ik kon kiezen was te lang. Recht en proces. Taal en framing. Economie en prikkels. Psychologie en heuristiek. Organisaties en bureaucratie. Technologie en AI. Macht, status, reputatie. Elk thema is een eigen spoor. En elk spoor vraagt om focus, anders wordt het een stapel losse observaties zonder richting.

    Uiteindelijk besloot ik tot een reeks over ‘procesrealiteit’. Niet omdat dat het leukste onderwerp is, maar omdat het verwoorden van een mening over een feitelijke gang van zaken kwetsbaar is. Ik moest onderscheid maken tussen ‘wat waar is’ en ‘wat aantoonbaar is’, en tussen ‘wat ik bedoel’ en ‘wat er staat’.

    Tegelijkertijd was ik afgelopen week aan het puzzelen met stijl en methode. Vorige week ging ik wat korter door de bocht. Deze week werd het vooral een langere vorm. Niet alleen omdat de onderwerpen zich daarvoor leenden, maar ook als bewuste test: kan ik dezelfde scherpte vasthouden als de tekst langer wordt, of loop ik dan vol met uitleg en bijzinnen?

    Een jurist die goed kan schrijven kan spelen met de perceptie van de lezer en op die manier ‘recht’ schrijven, zelfs als het in werkelijkheid hartstikke krom is. Dat is een vaardigheid, maar het is ook een risico. Ook als de lezer er niet precies de vinger op kan leggen, kan hij zich op het verkeerde been gezet voelen, terwijl ik juist wil dat hij vertrouwen houdt.

    Experimenteren gebeurde bijna organisch. Twee onderwerpen vroegen om een uitgebreider stuk en ik heb ze vervolgens ook nog eens op twee verschillende manieren aangevlogen. In plaats van twee lange stukken te schrijven, koos ik er bij ‘asymmetrie binnen de procesvoering’ voor om de invalshoeken als twee zelfstandige stukken te publiceren. Dat werkte, maar het leek te veel op ‘gewone’ columns. Bij een ander onderwerp, ‘asymmetrie binnen het procesrecht’, heb ik juist wél één lang stuk geschreven en het vervolgens bewerkt tot deel 1 en deel 2, met als voorwaarde dat beide delen wel een zelfstandig bestaansrecht konden behouden. Dat was veel lastiger dan ik verwachtte.

    Een ander bekend onderwerp, ‘juridische werkelijkheid’, heb ik eenmaal als column en eenmaal als klein essay geschreven. Allebei vanuit een andere optiek en buiten de gebaande paden, en toch allebei anders. In de eerste beschreef ik de totstandkoming van de juridische realiteit via ‘vier filters’ en in de tweede beschreef ik die als ‘twee vertaalslagen’. Allebei verdedigbaar, maar inhoudelijk echt verschillend. Dat was een aardige schrijfoefening. Ik overweeg het ook nog eens als ‘Schrödingers vonnis’ uit te werken.

    De laatste publicatie was een los stuk over een zeer ongemakkelijke procesrealiteit: de onredelijke redelijkheid van het (Nederlandse) recht. Dit was er een waar ik mijn ei in kwijt kon. Ik heb er nog nooit eerder iets over gelezen, dus het stuk is voor mij persoonlijk en nieuw.

    Het meest leerzaam was toch de oefening om twee opvolgende delen te schrijven die toch ieder een zelfstandig bestaansrecht hebben. Een stuk opsplitsen is eenvoudig. Twee delen schrijven die elk als ‘af’ voelen, zonder dat je het grotere betoog sloopt, is een heel andere opgave. Je moet afronden zonder af te sluiten en opnieuw beginnen zonder te herhalen. Je moet doorlopen zonder te beloven dat ‘deel 2 het wel uitlegt’. Dat is precies de vaardigheid die ik nodig heb als ik ooit een boek wil schrijven dat uit hoofdstukken bestaat die elk afzonderlijk iets dragen.

    Na een paar weken achter elkaar over juridische onderwerpen te schrijven, wil ik ook wat dat betreft weer iets anders. Procesrecht is op zichzelf zowel een niche als een overkoepelend thema. Je zou er een complete blog mee kunnen vullen, waarin je afwisselend aandacht geeft aan bewijs, schikken, termijnen, processtrategie, taal, en de manier waarop instituties keuzes forceren. Alleen: ik probeer nu nog niet een niche te vinden. Ik wil leren schrijven. En daarvoor is variatie in vorm minstens zo bruikbaar als variatie in onderwerp.

    Voor nu ben ik klaar met schrijven over het recht. Ik zoek een andere kapstok. Niet omdat het recht ‘op’ is, maar omdat herhaling gemakzucht kan worden.

    Een lang stuk met delen die elk zelfstandig overeind moeten blijven, is bij uitstek een oefening om te verdiepen. Dat ga ik nu als ‘opdracht’ van meerdere weken neerzetten: één overkoepelend onderwerp dat ik op verschillende manieren aanvlieg en uitdiep, met genoeg ruimte voor persoonlijke inbreng, maar wel met een paar harde vorm-eisen. Bij elkaar zou het een klein boekje moeten kunnen worden. Ik heb het nog nooit gedaan, dus… 😉

    In ieder geval verwacht ik dat het tijdrovend zal zijn. En dat zet ook druk op mijn wens: ‘iedere dag iets publiceren’. Maar die druk is ook het punt. Dat soort uitdagingen houdt het spannend, en ik leer er ook daadwerkelijk iets van. De kans is groot dat ik er een trucje op los moet laten: wel iedere dag publiceren, maar niet per se dagelijks een hoofdstuk of paragraaf binnen het project. Een afwisseling met korte stukjes over van-alles-en-nog-wat neemt zeker niet de complete druk weg, maar wel de overdruk. En ook afwisseling is een aardige oefening. Het gaat niet alleen om leuk publiceren; het gaat om vormdiscipline onder druk.