Tag: Filosofie

  • HOW2 – 1.1. Nietsheid (6/10)

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.1. Deel I – Universum / premenselijk

    6. Niets filosofisch

    De verschuiving van natuurkunde naar filosofie is niet vreemd: de natuurkunde is historisch uit de natuurfilosofie gegroeid en later als zelfstandige empirisch-wiskundige discipline gaan functioneren. Er blijven grensvragen waarop natuurkunde en filosofie elkaar raken: interpretatie, betekenis en grondslagen. Waar de natuurkunde methodisch (vooralsnog) geen uitspraak kan doen, begint niet automatisch ‘niets’; daar begint de filosofische analyse van begrippen, aannames en mogelijkheden. Filosofie levert hier vaak niet het antwoord, maar de afbakening van de vraag. Zodra het onderscheid scherp genoeg is, kan de natuurkunde het vertalen in formalisme en experiment.

    Filosofie fungeert hier als conceptuele analyse: die legt bloot welke aannames in een vraag verstopt zitten, scherpt definities aan en test de grenzen van wat er überhaupt samenhangend gezegd kan worden. Soms gaan zulke ‘voorvragen’ vooraf aan latere wetenschappelijke precisering. Een klassiek voorbeeld is atomisme: begonnen als filosofische gedachte over ‘ondeelbare deeltjes’, pas veel later uitgewerkt tot toetsbare natuurwetenschappelijke theorieën. Ook recenter zie je dit patroon: begripsvragen lopen vaak voor op technische uitwerking.

    In de westerse traditie speelt bovendien al vroeg een hardnekkige intuïtie mee: ‘uit niets komt niets’. ‘Niets’ fungeert daar niet als ‘begintoestand’, maar als grens aan wat überhaupt als ontstaan kan gelden. Dat motief keert later terug in moderne discussies over oorsprong, omdat het een spanning blootlegt tussen denken en verhalen over ‘begin’. In dit boek is dat het contrastpunt voor één centrale vraag: wat is het minimale ‘iets’ dat nog van ‘niets’ te onderscheiden is?

    Daarmee is de inzet helder: ‘niets’ fungeert als contrastpunt, niet als begintoestand. Een bekend startpunt is Leibniz’ vraag: “Waarom is er iets en niet niets?” Leibniz bedoelde dit niet primair als een tijdvraag (‘wat was er eerst?’), maar als een metafysische verklaringsvraag: waarom is er überhaupt een wereld (‘iets’) in plaats van absolute afwezigheid (‘niets’)? Zijn inzet is het beginsel van voldoende grond: het bestaan van ‘iets’ moet te verantwoorden zijn met een reden die verder gaat dan ‘zo is het nu eenmaal’.

    De vraag naar ‘niets’ krijgt in de filosofie bovendien een eigen traditie. Wat volgt is selectief en oriënterend: drie ingangen die verschillende functies van ‘niets’ zichtbaar maken. Na Leibniz duikt de vraag expliciet op bij Heidegger, onder meer in Was ist Metaphysik? Bij Heidegger is ‘het niets’ geen ‘ding’ en ook geen natuurkundige leegte. Het verschijnt als grens-ervaring: in angst of vervreemding valt het vanzelfsprekende ‘er is’ weg, waardoor het ‘zijnde’ juist als zijnde zichtbaar kan worden. ‘Niets’ fungeert daar als contrastbegrip, niet als toestand die je kunt meten.

    Bij Sartre speelt ‘niets’ een centrale rol in L’Être et le Néant. Bij Sartre hoort ‘niets’ primair bij bewustzijn en vrijheid. Bewustzijn kan afstand nemen, ontkennen en mogelijkheden openhouden; het is niet gevuld zoals een ding, maar kan ‘nihileren’ (een tekort, gemis of ‘niet-zijn’ aan het licht brengen). Daardoor wordt ‘niets’ een structureel element in kiezen, projecteren en verantwoordelijkheid.

    In die lijn wordt ‘niets’ niet alleen opgevat als ‘lege ruimte’ of ‘afwezigheid van deeltjes’, maar ook als ‘niet-zijn’: niet als fysische toestand, maar als conceptuele of existentiële grens.

    Een veelvoorkomende filosofische redenering luidt: het feit dat hier en nu iets bestaat, is moeilijk te verenigen met de gedachte van een absoluut niets. Als ‘absoluut niets’ ooit echt mogelijk was, is het onduidelijk hoe er ‘iets’ zou kunnen zijn. Dit is geen sluitend bewijs, maar het laat zien waar ‘absoluut niets’ wringt: je moet verklaren hoe ‘iets’ überhaupt mogelijk wordt als ‘niets’ werkelijk een optie is.

    Zelfs als je een toestand van ‘meest absolute fysische leegheid’ veronderstelt, stuit je op hetzelfde probleem: je kunt veel wegdenken, maar niet het kader waarin ‘wegdenken’ en ‘ontstaan’ betekenis krijgen.

    Dit raakt aan een breder filosofisch thema: in grote delen van de middeleeuwse traditie, teruggaand op Aristoteles, werd de mens opgevat als materie plus vorm (‘essentie’), waarbij de essentie voorafgaat aan de concrete realisatie. Sartre keert die lijn om en typeert de mens als een onbepaald en ‘leeg’ bewustzijn dat zijn inhoud moet kiezen: existentie zonder vooraf gegeven essentie. Dit ‘niets’ (die onbepaaldheid) wordt dan een voorwaarde voor bewustzijn: zonder afstand of negatie kan ‘zijn’ niet worden gekend.

    Filosofie brengt ‘niets’ tot aan de grens van wat er nog samenhangend gezegd kan worden. Religie geeft aan die grens een andere invulling: geen analyse, maar een beginpunt voor een verhaal met een strekking: oorsprongstaal. Dat levert twee klassieke bewegingen op: schepping ‘uit niets’ en ordening ‘uit chaos’. In beide gevallen blijkt ‘niets’ minder een lege toestand dan een beladen startwoord. Daarmee raakt ‘niets’ ook aan ervaring: leegte, afstand, gemis, negatie. Op dat punt verschuift de vraag van ‘wat klopt?’ naar ‘wat draagt?’. Religieuze tradities beantwoorden die verschuiving niet primair met analyse, maar met beelden, rituelen en oorsprongsverhalen. Daar krijgt ‘niets’ een nieuwe rol: als oorsprongstaal.

    [Wordt vervolgd…]

  • Alea iacta est

    Eerder gaf ik al aan dat ik het lastig vond om een onderwerp te kiezen. Uiteindelijk koos ik een alomvattend onderwerp: werkelijkheid. Ik ben me ervan bewust dat het antwoord in de ‘literatuur’ ook kortweg als ‘42’ kan worden aangeduid, maar ik ga het toch anders doen. Niet door één sluitend antwoord te beloven, maar door de puzzel die aan dat woord vastzit serieus te nemen: wat bedoelen we wanneer we het begrip ‘werkelijkheid’ gebruiken?

    Dit onderwerp laat me niet los. Het is een puzzel die ik al bijna mijn hele leven leg, en die steeds terugkomt in een andere gedaante. Ik heb er een aantal duidelijke ideeën over, maar ik heb ze nooit uitgeschreven. Dat ga ik nu wel doen. Tijdens het in kaart brengen van werkelijkheid zocht ik vaak naar beschrijvingen die standhouden. En er blijven onontgonnen gebieden over.

    Mijn vroegste herinnering aan die puzzel gaat terug tot de kleutertijd. Ik was misschien een jaar of vier, en mijn tante Corrien paste op mij. Ik was bang dat ik zó diep in gedachten kon wegzakken dat ik de weg terug niet meer zou vinden. Achteraf klinkt het melodramatisch, maar het gevoel was echt. Ik kon het nauwelijks uitleggen. Toch heb ik haar, na lang aarzelen, gevraagd of ze me kon komen halen als ik zelf de weg kwijt zou raken. Ze zei meteen ja. Lief. Maar ik zag aan haar gezicht dat ze niet begreep wat ik bedoelde.

    Dat moment bleef hangen omdat ik toen voor het eerst merkte dat de belevingswereld van een ander niet samenvalt met de mijne. Hoewel ik toen nog niet in staat was om het te verwoorden, was mijn conclusie helder: wij zijn ons eigen venster op de werkelijkheid. Je kunt in dezelfde kamer zijn, maar toch in volsyrekt verschillende werelden staan. Voor een kleuter is dat even schrikken: je deelt dezelfde ruimte, maar niet hetzelfde beeld. Dat inzicht bleef; werkelijkheid verschilt per persoon.

    Die bewuste realisatie bleef als een rode draad door mijn leven lopen. Iedereen herkent zoiets, maar ik was erop gefixeerd: hoe snel ‘hetzelfde’ kan veranderen door een net andere context. Ik zag dat als een verschuiving van de werkelijkheid. Herakleitos’ rivier werd voor mij minder een citaat dan een waarschuwing: de werkelijkheid verandert voortdurend.

    Later merkte ik dat de werkelijkheid ook in mijzelf kon schommelen. Het voorbeeld dat me daarbij helder voor de geest staat, is de periode waarin ik in militaire dienst zat. Ik vond die periode buitengewoon onaangenaam. Terugkijkend zat ik in een depressieve fase: de leegheid, de routine, de desinteresse. Het dagelijks leven in militaire dienst was geestdodend. Ik ging er telkens met weerstand naartoe.

    En juist omdat ik me verveelde en tegelijk onrustig was, draaiden er voortdurend gedachten in mijn hoofd: over mensen, over macht, over economie, over hoe groepen werken, over wat mensen elkaar wijsmaken om het vol te houden. Wat me toen verraste, was niet dát ik nadacht, maar hoe mijn conclusies verschoven. In de ochtend, op weg naar de kazerne, kon ik dezelfde vraagstukken logisch uitwerken en tot een heldere conclusie komen. Maar op vrijdagmiddag, in de trein terug naar huis, leidden dezelfde feiten tot andere conclusies. Niet omdat de feiten veranderden, maar omdat mijn eigen instelling anders was. Beide conclusies voelden even ‘waar’. En dat is een vreemde constatering: je eigen logica is afhankelijk van je stemming. Mijn werkelijkheid was niet alleen persoonlijk, maar ook situationeel.

    Die ervaringen hebben mijn belangstelling voor ‘werkelijkheid’ blijvend gevoed. Ze hebben me ook voorzichtiger gemaakt met de alledaagse manier waarop we dat woord gebruiken. “In werkelijkheid…” is vaak geen neutrale observatie, maar een zet in een gesprek. We gebruiken het om de ander bij te sturen, te corrigeren, te ontmaskeren. “In werkelijkheid ben je gewoon bang.” “In werkelijkheid is dit een excuus.” “In werkelijkheid komt het helemaal niet daardoor.” Daar is ‘werkelijkheid’ geen beschrijving, maar beïnvloeding.

    Tegelijk kun je niet bij subjectiviteit blijven hangen. Je kunt niet leven alsof alles alleen maar perspectief is. Je moet kunnen handelen, beslissen en met anderen samenwerken. Er is ook een gedeelde werkelijkheid met afspraken, routines en wederzijdse verwachtingen. In die context proberen woorden naar hetzelfde te verwijzen, vaak genoeg om samen te kunnen handelen. Dat spanningsveld fascineert me: de verschillen tussen het privé-venster en die gedeelde wereld, tussen die verschillende waargenomen werkelijkheden. Niemand ziet precies hetzelfde; samenleven is leven in de overlap.

    Daarom begin ik deze reeks. Niet om met één theorie te eindigen, maar om in kaart te brengen hoe zo’n werkelijkheid laag voor laag ontstaat: als buitenwereld, als ervaring, als sociale stabiliteit, als representatie. Ik maak aannames expliciet en meld het wanneer ik veronderstel in plaats van weet.

    Dit is mijn persoonlijke startpunt. Het is een puzzel die vroeg begon, die later concreter werd, en die ik nu ga vastleggen. Niet als queeste, maar als route: om te zien waar ik al geweest ben, en om de lezer uit te nodigen een stukje mee te wandelen op hetzelfde traject. Misschien kom ik onderweg tot hardere conclusies dan ik nu kan formuleren. Misschien eindig ik met meer twijfel, maar dan wel scherper geformuleerd. In beide gevallen is dat winst. Helderheid ontstaat soms pas wanneer je het vage uitlicht.