Wie een keuze publiek verdedigt, klemt zichzelf vast: een afweging wordt een ego-kwestie.
Een detail dat nergens over ging bleef me bij. Lang geleden zei de vader van een vriend – intelligent, beschaafd – dat hij het wonderlijk vond dat vliegtuigen op dat kleine voorwieltje konden landen. Iemand corrigeerde hem. Hij hield toch vol dat het echt zo was. Niet omdat het technisch interessant was, maar omdat je bijna live kon zien hoe een losse opmerking in seconden verhardde tot een ingenomen positie.
Dat is de stille wet van het uitgesproken oordeel: wie eenmaal ‘A’ heeft gezegd, voelt de druk om ook ‘A1’, ‘A2’ en ‘A3’ paraat te hebben. Niet omdat de feiten veranderen, maar omdat de eerdere woorden ineens op de weegschaal liggen. Eerst was het een gedachte; nu is het iets dat bewaakt moet worden: consistent, stevig, herhaalbaar. En hoe onschuldiger de aanleiding, hoe makkelijker het misgaat: kritiek op het onderwerp voelt al snel als kritiek op jou.
Je ziet het in het klein, juist omdat het zo herkenbaar is. Je koopt iets – een telefoon, een jas, een boek – en je ontwikkelt er argumenten bij. Niet omdat dat ding ineens beter wordt, maar omdat jouw oordeel er al aan vastzit. Het product is gekocht, maar het gesprek begint pas: in je eigen hoofd, in de kleine correcties zodra iemand vraagt waarom je hiervoor ging. ‘Hier had ik gewoon zin in’ schuift ongemerkt op naar ‘dit is gewoon de beste keuze’. Een voorkeur verandert in een verdediging.
Dat mechanisme komt pas echt tot leven zodra een keuze publiek wordt. In je eentje kun je van gedachten veranderen zonder reputatieschade; met publiek erbij kan elke stap effect hebben op je status. Je bent niet meer iemand die iets probeerde, je bent iemand die ergens ‘voor’ staat. Het gesprek verschuift: het gaat niet meer om ‘klopt dit?’, maar om ‘ben jij nog dezelfde als daarnet?’. In zo’n setting wordt terugkomen op een keuze niet ervaren als leren, maar als capitulatie.
In complotdenken zie je dit soms in geconcentreerde vorm. Eén filmpje wordt een route, één plausibel gevonden verklaring wordt een identiteit: iemand die ‘tenminste vragen durft te stellen’. Het is zelden nog één bewering; het is een pad dat je niet halverwege verlaat zonder ‘gezichtsverlies’. De omgeving is dan niet alleen publiek maar ook spiegel: ze kaatst terug wie je inmiddels geworden bent. Herhaling doet het versterkende werk: dezelfde onvolledige of onjuiste informatie kan terugkeren als ‘bevestiging’ en daarmee als versteviging. Twijfel wordt geframed als verraad; nuance als zwakte. Niet langer wordt het idee verdedigd, maar jouw positie.
Daarom botst een oude wijsheid met de praktijk: “Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald.” Het klinkt rationeel, bijna opgewekt. Maar wie tijd en energie heeft geïnvesteerd, voelt iets anders: je bent ergens ‘in’ gaan zitten, dus je wilt niet halverwege toegeven dat je jezelf vooral hebt beziggehouden. Dan volgt die reflex om je dieper in te graven: nog een video, nog een thread, nog een argument—want stoppen maakt de eerdere investering niet alleen nutteloos, maar ook pijnlijk zichtbaar. De ‘sunk cost fallacy’ is dan niet alleen een denkfout, maar ook een emotioneel contract met jezelf: terugkomen voelt als dubbel verlies: ongelijk én verspilling. Je erkent dat je investering niets ‘heeft opgeleverd’ én dat je ongelijk had. Dat verlies wil je vermijden, dus maak je van je keuze een debat dat je moet winnen.
Zelfs als je ‘wint’, is het vaak een slechte deal. Op korte termijn is een discussie die je niet verliest een opluchting, omdat je positie overeind blijft. Op lange termijn kan die quick win een onevenredig grote schadepost worden: als je standpunt later onjuist blijkt, kan de ander niet alleen vertrouwen in je conclusie verliezen, maar ook in jou als beoordelaar. Het reflexmatige ‘beschermen’ van je reputatie werkt dan averechts: je hebt je gelijk verdedigd ten koste van je geloofwaardigheid.
Tegelijk is het te simpel om koerswijziging tot deugd te verheffen. Zonder een zekere mate van consistentie wordt samenwerken, plannen en vertrouwen lastig. Wie bij elke tegenwind van richting verandert, wordt onbetrouwbaar; wie elk gesprek eindigt met ‘alles is ingewikkeld’ maakt van nuance een vluchtweg. Er is dus iets te zeggen voor volhouden: keuzes hebben pas betekenis als je de gevolgen ook draagt.
Maar daar begint ook de verwisseling die zoveel gesprekken bederft. Volhouden wordt al snel: geen ongelijk hoeven bekennen. Een tegenargument is geen informatie meer, maar een aanval; niet op je idee, maar op je ego. “Dat weet ik niet.” lijkt dan een zwaktebod -door anderen en door jezelf – en precies daarom is het verleidelijk om een nieuw feit meteen aan een oud vooroordeel te hangen: het geeft rust omdat het de onzekerheid sluit. Je hoeft niet opnieuw te wegen; je mag door.
Dan gaat het niet meer om wat klopt, maar om wie wint. En dat is een dure ruil: als je later ongelijk blijkt te hebben, ben je je krediet én je bewegingsruimte kwijt.
De uitweg is niet om keuzes te mijden, maar om anders te kiezen waar je je aan bindt: niet aan een kamp, maar aan een methode. Zinnen als ‘dit is mijn voorlopige conclusie’, ‘dit was mijn beste inschatting met de informatie van nu’, ‘als die aanname niet klopt, wil ik herzien’ klinken minder stoer, maar zijn strenger: je committeert je aan toetsbaarheid in plaats van aan gelijk.
Karakter is niet volharden, maar durven herzien.