Tag: betwisting

  • Bewijs of lawaai

    Wat doe je als twee verhalen botsen en allebei plausibel klinken? Dan is de vraag niet wie het meest verontwaardigd is, of wie het meest sympathiek overkomt. Dan is de vraag: “Wat is toetsbaar?”

    Wie het stuk over ‘Rechtvaardigheid’ heeft gelezen, herkent het patroon. ‘Rechtvaardig’ is vaak een sterk gevoel, maar te rekbaar om beslissend te mogen zijn. Met feiten werkt het net zo. “Ik weet zeker dat het zo is!” kan oprecht zijn, en toch onbruikbaar als beslisgrond. De oplossing van een geschil kan niet leunen op iemands innerlijke zekerheid. Die moet leunen op controleerbaarheid.

    Van bewering naar betwisting

    Een bewering is een uitspraak over de werkelijkheid. “Hij heeft betaald.” “Zij heeft toestemming gegeven.” “Die afspraak is gemaakt.” Zolang de ander knikt, is er geen probleem. Het probleem begint op het moment dat de ander betwist. Dan verschuift het gesprek van ‘ik vind’ naar ‘ik kan laten zien’.

    Dat klinkt streng, maar het is in feite een vorm van beschaving. Het voorkomt dat toon, volume en reputatie beslissen. Zodra er betwisting is, moet je de bewering ontleden. Welke onderdelen staan vast, en welke worden betwist? Veel discussies blijven hangen omdat men één grote zin verdedigt, terwijl de strijd in één detail zit.

    Bewijs als toets, niet als decor

    Bewijs is alles wat een bewering uit het hoofd van de spreker haalt en op tafel legt: documenten, e-mails, tekstberichten, foto’s en verklaringen. Het punt is niet dat bewijs indruk maakt. Het punt is dat bewijs controle mogelijk maakt.

    En niet elk bewijs is gelijk. Een eigen verklaring is vaak het begin van een verhaal, niet het einde. Een bevestiging door een vriend kan helpen, maar is zelden doorslaggevend. Hoe groter het eigen belang, hoe meer je steun nodig hebt van bronnen die minder gekleurd, minder partijdig zijn. Kwaliteit zit in onafhankelijkheid, detail, verifieerbaarheid en consistentie. Een stapel papier kan nog steeds leeg zijn als hij niets vastpint.

    Bewijslast is zowel plicht als risico

    Het woord waar iedereen over struikelt is ‘bewijslast’. Bewijslast is twee dingen tegelijk: (a) een plicht – wie móét een feit onderbouwen?, en (b) een risico – wie verliest dat punt als het feit onzeker blijft?

    De vuistregel is simpel: wie iets claimt en daarvoor een feit nodig heeft, moet dat feit op tafel leggen. De eerste stap ligt meestal bij degene die iets claimt. Komt de ander met een uitzondering, dan moet hij juist aantonen waarom die uitzondering van toepassing is.

    Dat is hard, maar onvermijdelijk. Zelfs na vragen, stukken en verklaringen kan er twijfel overblijven. Dan moet je weten bij wie die twijfel blijft liggen. Ligt de bewijslast bij jou, dan is twijfel fataal: als het je niet lukt om het punt voldoende hard te maken, dan valt dat punt in jouw nadeel uit. Ligt de bewijslast bij de ander, dan hoef jij meestal niet ‘het tegendeel te bewijzen’, maar vooral te laten zien waar zijn verhaal leunt op aannames, en waar zijn bewijs gaten laat.

    Dat maakt bewijslast praktisch: het bepaalt je volgorde van werken. Het bepaalt wat je eerst moet uitzoeken, welke gaten fataal zijn, en welke gaten je nog kunt verdragen.

    De verleiding: omkering

    In het dagelijks leven is er een luie truc. Iemand doet een zware bewering en schuift de onderbouwing naar de ander. “Dat is toch bekend.” “Dat zie je toch.” “Iedereen weet hoe dit gaat.” Daarmee wordt ontkennen de hoofdtaak. Het gesprek verandert in een uitputtingsslag: degene met de meeste energie wint, niet degene met de beste grond.

    De tegenzet is saai, en juist daarom effectief: maak de bewering concreet, vraag naar de dragende feiten, vraag naar het bewijs. Niet: “bewijs maar dat het niet zo is.” Wel: “wat stel je precies, en waarop rust dat.”

    Professionele aanpak

    Hoe frustrerend het ook is: er is maar één weg door bewijs en bewijslast, en die weg is vaak omslachtig.

    1) Maak de claim zo klein en scherp mogelijk. Eén zin die je kunt aanwijzen. Niet “Hij heeft mij altijd tegengewerkt.”, maar “Op datum X is afspraak Y niet nagekomen.” of “Op moment Z is dit bericht verzonden.”

    2) Splits de bewering in deelvragen. Wat staat vast? Wat wordt betwist? En: Welke onderdelen doen er eigenlijk toe? Veel ‘bewijsproblemen’ zijn in feite selectieproblemen.

    3) Koppel per deelvraag het beste beschikbare bewijs en schrijf erbij wat ontbreekt. Als je een leegte ziet, heb je een keuze. Je zoekt beter bewijs, of je maakt je stelling kleiner, voorwaardelijk of voorlopig. Dat voelt soms als terugkrabbelen, maar het is het tegenovergestelde. Het is methodiek: je zegt alleen wat je kunt hardmaken.

    Bewijslast is een discipline: voordat je gaat verzamelen, bepaal je wie het punt móét dragen. Wie een feit nodig heeft voor zijn conclusie, moet kunnen uitleggen waarop dat feit rust en wat er gebeurt als dat niet lukt.

    Bewijslast is een discipline: voordat je gaat verzamelen, bepaal je wie het punt móét dragen. Wie een feit nodig heeft voor zijn conclusie, moet kunnen uitleggen waarop dat feit rust en wat er gebeurt als dat niet lukt.

    Toetsvraag

    Als je voelt dat je in retoriek schiet, stel jezelf één vraag: “Wat blijft er van mijn verhaal over als de lezer mijn overtuiging wegdenkt?” Het antwoord is je bewijspositie.

    Slot

    Zonder onderbouwing blijft een stelling lawaai, hoe stellig hij ook klinkt.