Tag: Begrippenlijn

  • HOW2 – 1.0. Inleiding

    Het Ontstaan van Werkelijkheid (v2)

    1.0. Deel I – Universum / premenselijk – Inleiding

    1. Waar dit deel over gaat

    Deel I is een poging om zo sober mogelijk te zeggen wat er bedoeld kan worden met ‘werkelijkheid’ voordat er iemand is om dat woord uit te spreken. Daarom neem ik niet de mens, ervaring of maatschappij als vertrekpunt. Normaal gesproken begint een beschrijving van ‘de werkelijkheid’ bij onze wereld: planeten, leven, mensen, cultuur. In Deel I doe ik het omgekeerde. Ik parkeer al die bekende beelden en vraag: wat bedoel je met ‘werkelijkheid’ als je alleen uitgaat van wat er is en gebeurt, onafhankelijk van onze aanwezigheid? Het is geen kosmologie en geen natuurkundig overzicht. Het is een poging om een minimale conceptuele basis te leggen langs een begrippenlijn van ‘niets’ naar ‘iets’ naar ‘onderscheid’, en zo verder, door die begrippen één voor één te testen.

    2. Wat ‘werkelijkheid’ hier betekent

    De Introductie onderscheidde vier lagen: de fundamentele, de ervaringsmatige, de maatschappelijke en de theoretische. Deel I stelt de fundamentele (premenselijke) laag centraal; ik scherp het begrip ‘werkelijkheid’ aan voor een wereld-zonder-ons.

    In deze context gebruik ik ‘werkelijkheid’ in nauwe zin. Ik bedoel: datgene wat aan onze ervaringen en sociale ordeningen voorafgaat, in de zin dat die ervaringen en ordeningen er niet zouden zijn als dat er niet zou zijn. Maar ik leg niet vast wat dat onderliggende precies is. Ik zeg niet dat het per definitie materie is, en ook niet dat het uiteindelijk bewustzijn of informatie is.

    Hier betekent ‘werkelijkheid’ voorlopig: stabiele verschillen, patronen en regelmatigheden. Datgene wat er is en wat ook zonder waarnemer ‘gebeurt’, zonder betekenis, doel of norm. Ik gebruik woorden als ‘proces’, ‘verandering’ en ‘regelmaat’ (en ook ‘gebeuren’) als werklabels; later maak ik expliciet wat ze wél en niet mogen betekenen. Geen ervaringen, betekenissen of instituties: alleen verschillen en structuren.

    Dat klinkt abstracter dan onze dagelijkse taal, maar het gaat om processen en patronen die ook zonder organismen optreden. Het betreft het soort dingen dat ook zou blijven gebeuren als die nooit waren ontstaan: veranderingen, instabiliteit en stabiliteit. In dit deel laat ik ‘betekenis’, ‘doel’ en ‘norm’ zoveel mogelijk liggen. Die woorden veronderstellen al een waarnemer met een waardering of een maatstaf.

    Deel I legt niet de ‘drager’ vast, maar de minimale structuur die je al nodig hebt voordat je over dragers kunt spreken:
    –  dat er ‘iets’ is in plaats van helemaal niets;
    – dat er verschillen zijn;
    – dat er grenzen en patronen kunnen ontstaan;
    – dat er volgordes en samenhangen zijn die niet willekeurig lijken.

    Je kunt dit zo formuleren: de fundamentele laag is hier een werkterm. Zij betekent ‘datgene dat nodig is om überhaupt over ervaring en maatschappelijke werkelijkheid te kunnen spreken’, niet ‘de ultieme substantie waar alles uit is opgebouwd’.

    Kort gezegd: ik leg niet vast of je dit het best als materie, energie, informatie, structuur, veld of iets anders duidt.

    3. Wat dit deel bewust niet doet

    – Geen kosmologisch verslag. Ik geef geen stap-voor-stap verhaal van Big Bang, inflatie of sterrenvorming. Waar ik zulke thema’s aanstip, doe ik dat ter illustratie, niet als technisch verslag.

    – Geen nieuwe metafysische leer. Ik bied geen sluitend systeem over ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ dat andere tradities vervangt. En ik geef geen uitputtend filosofisch overzicht van alle posities over tijd, causaliteit en verwante thema’s; ik gebruik die discussies alleen waar ze een stap in de denklijn scherp maken.

    – Geen keuze voor een ‘laatste werkelijkheid’. Ik kies in dit deel geen kamp tussen materialisme, idealisme, panpsychisme, informatie-ontologie of andere stromingen. Waar zulke termen langskomen, gebruik ik ze als mogelijke beschrijvingen, niet als beslissingen over wat er uiteindelijk ‘echt’ is.

    – Geen verdediging van of aanval op religieuze scheppingsverhalen. Mythen en religieuze tradities komen alleen langs waar ze raken aan de kernbegrippen van dit deel (oerchaos/leegte, scheiding, orde), als spiegel en tegenbeeld; ik geef ze kort en sober weer en ga niet uitweiden in exegese of vergelijkende godsdienst.

    – Geen herleiding van alles tot natuurkunde. Dat een premenselijke werkelijkheid mogelijk is, betekent niet dat latere lagen (ervaring, maatschappij) niets dan natuurkunde ‘zijn’. In dit deel breng ik alleen in kaart wat je minimaal moet veronderstellen voordat je daar überhaupt aan toe bent.

    Verwacht dus geen alternatief natuurkundeboek, geen nieuw scheppingsverhaal en geen definitieve metafysica. Deel I werkt met een strakke discipline: eerst de minimale stap, pas daarna de vertaling.

    4. Denkdiscipline: abstractie met rem

    De abstractie in Deel I is geen stijltruc, maar een vorm van zelfbeperking: eerst duidelijk maken welke minimale stap je zet, dan pas de verleiding toelaten om die stap in bekende beelden en voorbeelden te vertalen. Dat is de prijs van één afspraak: ik wil eerst begrippen laten werken zonder dat herkenbare scènes alvast invullen wat ze moeten betekenen.

    De discipline in Deel I is: eerst de minimale stap helder krijgen, daarna pas vertalen naar herkenbare situaties. Dat betekent:
    – Zinnen zo helder mogelijk formuleren, met expliciete signaalwoorden (“hier stel ik voor…”, “hier veronderstel ik…”, “hier loop ik tegen een grens aan…”). Geen nodeloos ingewikkelde zinnen en geen jargon waar het niet hoeft. Als een technisch woord nodig is, licht ik het meteen toe.
    – Zoveel mogelijk voorkomen dat er ongemerkt menselijk handelen of beleving in de begrippen binnenglippen.
    – Twijfel en tegenargumenten expliciet opnemen in de tekst, in plaats van ze weg te polijsten. Je hoeft het niet met elke stap eens te zijn om er iets aan te hebben; het traject is ook bedoeld om je eigen tegenwerpingen preciezer te maken.

    In de latere delen krijgt deze werktaal pas echt ‘vulling’ (ervaring en maatschappij). Deel I blijft expres bij de minimale gereedschapskist, zodat later ‘concreet’ niet stiekem ‘ononderzocht’ betekent.

    5. De begrippenlijn van Deel I

    De hoofdstukken van dit deel zijn geordend langs een begrippenlijn, niet langs een tijdlijn. Het gaat niet om “Wat gebeurde er eerst?”, maar om de vraag welke begrippen voorwaardelijk zijn voor andere. De lijn loopt van ‘niets’ naar ‘iets’, van ‘iets’ naar ‘onderscheid’, en zo verder: niet als verslag van hoe het gegaan is, maar als voorstel voor de minimale stappen die nodig zijn om überhaupt over ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken.

    In ruwe vorm ziet die lijn er zo uit:
    – Van ‘niets’ als grensbegrip → naar ‘iets’ als minimaal verschil.
    – Van ‘iets’ → naar ‘onderscheid’: er zijn verschillende ‘ietsen’, niet één amorfe massa.
    – Van ‘onderscheid’ → naar ‘grens’: een binnen en buiten, een gebied en omgeving.
    – Van ‘grens’ → naar ‘vorm’: een patroon dat herkenbaar blijft onder variatie.
    – Van ‘vorm’ → naar ‘tijd’: veranderingen en volgordes tussen toestanden.
    – Van ‘tijd’ → naar ‘ruimte’: naast-elkaar en tegelijk-bestaan, relaties tussen plaatsen.
    – Van ‘ruimte’ → naar ‘orde’ en ‘wetmatigheid’: herhaalbare patronen in hoe dingen zich ontwikkelen.
    – Van ‘orde’ → naar ‘schaal’ en ‘complexiteit’: structuren die ingewikkeld genoeg zijn om latere verschijnselen (leven, waarnemers) mogelijk te maken.

    Deel I gebruikt deze begrippen niet als afvinklijst, maar als reeks stappen die telkens wordt getest en aangescherpt. In elk hoofdstuk staat één stap centraal. Aan het eind van het deel is er geen ‘systeem’ bijgekomen, maar een set begrippen die helder genoeg is om later opnieuw te gebruiken.

    6. Brongebruik in dit deel

    Deel I gebruikt drie soorten bronnen als hulpmiddelen om begripsstappen te testen, niet om een verhaal te vertellen. Geen van deze drie krijgt de rol van ultieme scheidsrechter. Waar ze elkaar tegenspreken, is dat geen ‘eindscore’, maar een signaal dat de begripsstap scherper moet worden.

    Mythen en religieuze tradities fungeren hier als spiegel en tegenbeeld, en alleen waar ze raken aan de kernbegrippen van dit deel (oerchaos/leegte, scheiding, orde). Veel scheppingsverhalen beginnen met chaos, leegte of een oeroceaan; vervolgens komt er scheiding van licht en donker, water en land, boven en onder.

    Zulke motieven zeggen niet rechtstreeks hoe de kosmos ‘echt’ is ontstaan, maar wel veel over terugkerende intuïties en patronen in het menselijk denken over begin en orde. Die gebruik ik als toetssteen: ze helpen zichtbaar maken waar mijn eigen begripsvoorstellen aansluiten en waar ze tegenspraak oproepen.

    Filosofie gebruik ik vooral als gereedschap. De vragen waar Deel I om draait zijn al vroeg en grondig uitgewerkt, bijvoorbeeld bij de presocraten en in klassieke discussies over ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, en later in debatten over tijd en causaliteit. Ik haal daar niet de doctrine of de historische context uit, maar de functie: zichtbaar maken waar taal zichzelf tegenspreekt (zoals bij ‘niets’), waar een stap meer veronderstelt dan ze zegt, en welke onderscheidingen je eerst móét maken voordat je verder kunt. Af en toe noem ik één of twee namen (bijvoorbeeld Parmenides, Heraclitus, Hume of Kant) als typische sparringpartners om het probleem te markeren, niet om hun systeem uit te rollen en niet om een autoriteit aan te roepen. Ik gebruik wat nodig is om begrippen te preciseren en verborgen aannames zichtbaar te maken.

    Wetenschap ten slotte fungeert als waarschuwingssignaal, taalbron en grensbewaker. Als een manier van spreken openlijk botst met wat in grote lijnen bekend is over natuurprocessen, is dat een waarschuwing; wie beweert dat tijd ‘in werkelijkheid’ omkeerbaar is, moet zich verhouden tot elementaire fysica. Wetenschap is ook taalgever: termen als ‘symmetriebreking’, ‘ordeparameter’ of ‘emergentie’ komen alleen in globale vorm langs, en alleen als ze een begripsstap echt verduidelijken. Tegelijk markeert wetenschap haar eigen grenzen: sommige vragen van Deel I liggen buiten het bereik van empirisch onderzoek. Waar empirisch onderzoek ophoudt, zeg ik dat erbij.

    7. Wat de lezer van Deel I mag verwachten

    Deel I is bedoeld voor lezers die een stuk abstractie verdragen, omdat het je een duidelijker antwoord geeft op de vraag: “Wat veronderstel ik eigenlijk als ik ‘werkelijk’ zeg?” Je hebt geen voorkennis van filosofie of natuurkunde nodig. Wel helpt het als je zinnen desnoods een tweede keer wilt laten passeren en niet direct wegloopt als er geen voorbeeld uit het dagelijks leven wordt gegeven.

    Wie alleen Deel I leest, krijgt een taal aangereikt om scherper te zien én te benoemen wat je allemaal al veronderstelt zodra iemand ‘werkelijk’ zegt. Wie ook de andere delen leest, merkt dat dit vocabulaire later opnieuw terugkomt bij ervaring, maatschappij en theorie. Deel I staat niet ‘boven’ de rest en is geen definitief fundament; het reikt een vocabulaire aan dat later terugkomt én opnieuw wordt getoetst wanneer het over ervaring, maatschappij en theorie gaat.

    Dit deel levert geen einddefinitie, maar een eerste werkset begrippen. De latere delen zijn de stresstest: als ervaring of maatschappij deze werkset corrigeert, is dat precies de bedoeling. Zonder een eerste, ‘kale’ versie is er onvoldoende basis voor houvast. Juist die zelfbeperking maakt de stappen beter toetsbaar: je ziet waar ik een aanname doe, en dus waar je het kunt betwisten en verbeteren.

    8. Vooruitblik op hoofdstuk 1

    Het eerste hoofdstuk begint daarom bij een ogenschijnlijk leeg begrip dat zich in onze taal voortdurend als vol gedraagt: ‘niets’. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee, en wat gebeurt er zodra we het eigenschappen toekennen? In dat hoofdstuk onderzoek ik wat we doen als we ‘niets’ zeggen, en waarom we toch steeds opnieuw naar dat woord grijpen als we over oorsprong nadenken. Pas als dat beginprobleem scherp staat, heeft het zin om het te hebben over ‘iets’, ‘onderscheid’ en alles wat daarop volgt.

    Met die afspraak begint Deel I: niet met een verhaal, maar met minimale stappen die een taal voor ‘werkelijkheid’ overeind houden.