Categorie: Schrijven

  • Intermezzo: Sisyphus

    Hoofdstuk 2 is af. Nog acht te gaan in Deel I. Het onderwerp vind ik nog steeds leuk, maar het productiedeel begint een moeizame routine te worden: outline, research, schrijven, strak trekken. Het gezegde ‘1% inspiration, 99% perspiration’ is zeker van toepassing. De vraag is vooral hoe ik dit deel leerzaam houd, en niet alleen maar taai.

    Het lastige is niet het zweet. Dat hoort erbij. Het lastige is dat de horde in het begin leerzaam was en dat het nu vooral herhaling wordt. Een hoofdstuk invullen is één ding. Nog acht hoofdstukken, elk met tien paragrafen, zijn nodig voor het eindproduct, maar schrijftechnisch is het herhalen: je wordt sneller, maar je leert weinig nieuws.

    Ik merk dat ik zoek naar een manier om er weer ontdekking in te krijgen. Niet kunstmatig, niet door ‘trucjes’, maar door mezelf weer iets te laten ontdekken. Want als ik alleen maar produceer, leer ik vooral hoe ik kan blijven produceren. Dat is nuttig, maar het is niet waarom ik hiermee ben begonnen.

    Wat deze fase me wél heeft geleerd: als de structuur er niet staat vóórdat je gaat schrijven, betaal je later dubbel. Niet met nadenken, maar met herschikken. Herschikken betekent herschrijven. Dat is geen ‘revisie’ meer, dat is schadeherstel. Het voelt als verloren tijd, ook als je er soms betere zinnen aan overhoudt.

    Het verschil met columns en essays wordt hier pijnlijk helder. Die formaten kan ik hebben: een claim, een boog, een klikslot. Boeklengte is iets anders. Daar moet je niet alleen goed schrijven; je moet ook een lange adem organiseren. En daar breekt het me een beetje op. Deel I kan ik in principe uitrollen, maar juist dat uitrollen vind ik nogal taai. Zelfs met een hoofdstuk per week duw ik hetzelfde rotsblok nog wekenlang dezelfde heuvel op.

    Mijn aandacht verschuift intussen naar Deel II en III, omdat daar de keuzes nog open liggen. Daar zit meer onzekerheid, dus meer ruimte om scherp te kiezen. Alleen: er zijn te veel routes. Iedere keuze sluit alternatieven af, en ik voel die afslag als verlies nog vóórdat ik weet wat ik ervoor terugkrijg. Dat is een luxeprobleem, maar wel een echte.

    Ik ga ook beknopter schrijven, waarschijnlijk om de productie beheersbaar te houden. Ergens is dat vooruitgang: korter, helderder, minder opsmuk. Alleen: het wordt ook sneller droog. Overzichtelijker, ja. Maar minder levendig.

    En dan sluipt er een meta-twijfel in: dit onderwerp wordt gaandeweg theoretischer, terwijl ik het juist niet academisch wil maken. Ik wilde voetnoten en bronapparaat vermijden. Het doel was leesbaarheid zonder versimpeling. Ik wil precies zijn zonder te doen alsof ik een artikel voor een tijdschrift schrijf.

    Misschien is dat de werkelijke uitdaging van dit project: niet ‘minder theorie’, maar theorie die het geheel tot leven brengt. Hoofdstuk 3 moet daarom niet alleen af, het moet me ook iets nieuws leren.

  • Intermezzo: If at first…

    Bijna twee weken verder: hoofdstuk 1 is af, en ik snap nu beter wat een boek van je eist. Het nieuwe plan werkte, maar het bleef vlak. Daarom heb ik de structuur opnieuw aangepast en Deel IV in Deel I opgenomen. Dat geeft de droge begrippen meer achtergrond. Deel I wordt daardoor minder kaal, maar ook meteen veel breder dan ik hem in eerste instantie in gedachten had.

    Die ingreep heeft een direct gevolg: hoofdstuk 1 is topzwaar geworden. In boekvorm zit hoofdstuk 1 al snel rond de dertig pagina’s. Daarmee wordt de schaal ineens zichtbaar. Als dit gewicht de norm wordt, is het geen ‘boekje’ meer en duurt dit project veel langer dan bedoeld.

    Het eerste hoofdstuk is nu gewijd aan ‘Niets’. Als onderwerp is dat op zichzelf al rijk genoeg voor een apart boek. Het kostte moeite om mijn aantekeningen tot een behapbaar aantal pagina’s terug te brengen. Over ‘Iets’ (hoofdstuk 2) verwacht ik aanzienlijk minder te schrijven.

    As it turns out:
    ‘nothing’ is more interesting than ‘something’.

    Ik begrijp nu beter waarom een boek niet werkt als een reeks losse stukjes. Een boek voegt een extra laag toe: schaal en structuur. In een column of essay schuif je aantekeningen zo het betoog in. In een boek wordt dat al snel structuurwerk.

    Daar wringt het: een hoofdstuk als los online ‘stukje’ blijkt onwerkbaar. Los online mist het context, en in het boek wordt het vooral herhaling. Een afzonderlijk onderdeel hangt te veel samen met de rest en moet worden aangepast zodra het als los stuk online verschijnt.

    De boekvorm kost onevenredig veel extra werk. Bij een columnvorm of mini-essay is mijn productie rond de duizend woorden per dag. In dezelfde tijd voeg ik aan een boek ongeveer de helft daarvan toe: nauwelijks meer dan één A4. Dat tempo is laag.

    Structuurwerk is in een boek bewerkelijker dan in een kort stuk. In een column of mini-essay kun je alles opnemen zolang het het betoog ondersteunt. Dan schrap je wel eens een alinea of verschuif je er één. In een boek concludeer je soms dat het bij een ander hoofdstuk hoort. Dan degradeert een onderdeel tot ‘aantekening’ en moet het later weer worden herschreven. Ook raak ik gewend aan het ‘kill your darlings’-principe: tijd investeren in iets dat later alsnog sneuvelt.

    ChatGPT begrijpt inhoudelijk nog te weinig om echt mee te denken. Taalkundig is het wel een praktische assistent om schrijffouten te ontdekken en zinnen in te korten.

    Volgende hoofdstukken moeten kaler, anders loopt dit project uit de hand. Dit is een schrijfopdracht, geen poging tot een compleet overzichtswerk. Sommige schrijfvormen liggen me beter dan andere. Fictie lijkt me een zwaardere vorm dan non-fictie. Daar durf ik me pas aan te wagen als ik een bredere basis heb. Zo blijft het een leerschool: eerst deze basis onder de knie krijgen, daarna pas fictie.

  • Intermezzo: Mission aborted, lessons learned

    Vorige week gaf ik mezelf een serieuze uitdaging, of eigenlijk meerdere. Eerder had ik er wel eens over nagedacht hoe je een boek zou moeten produceren, maar de praktijk is vooral leerzaam. Met name omdat ik nu weet wat er misging: ik begon met de verkeerde ingang.

    Eerst dacht ik aan een tiental invalshoeken op Werkelijkheid, elk met een eigen domein: van objectief wetenschappelijk via cultuurdominantie, religie en filosofie tot strikt subjectieve invalshoeken. Die eerste tien groeiden al snel uit tot tientallen categorieën met eigen subonderdelen, te veel om te overzien. Daarom ben ik gewoon gaan schrijven. Soms werkte ik in zeven hoofdstukken tegelijk, maar gaandeweg tekende zich toch een indeling af: een structuur en een schrijfplan. Tot zover ging het vanzelf. Daarna niet.

    En hier ging het mis: bij het begin. Ik besloot te beginnen met een logisch, zelfs ontologisch, eerste deel: ‘in de voetsporen van Parmenides en Heraclitus’. Maar als opening is het té abstract en té metafysisch. Het kost me veel energie en levert voorlopig te weinig houvast op. Ik had een expliciete twist in gedachten, maar een compleet deel schrijven om later één twist toe te passen is niet in verhouding. Daarom heb ik deze route afgebroken. Geen uitstel, maar een herstart.

    Daarom begin ik nu met HOW2. Ik start dichter bij wat wél beschrijfbaar is en keer pas later, als er een ruggengraat staat, terug naar de funderingsvragen. Voorlopig kies ik productiviteit en verkenning. Het schaven komt later. De winst is dat ik deze vergissing vroeg heb gemaakt. Het kostte me ongeveer een week, en het leverde vooral helderheid op.

    Ik had al aangegeven dat ik een trucje nodig had om iedere dag te kunnen blijven publiceren. Daarbij dacht ik vooral aan de ‘boog’ van een langer werk, juist omdat puzzelen tijd kost. Daarom publiceer ik ook inleidingen en een voorwoord. Dat geeft me ruimte om het schrijfplan bij te sturen. Het moet iets opleveren. Ofwel een product, ofwel een realisatie die ik als intermezzo kan opnemen. Anders niet.

    Door de werkdruk is mijn taal in deze producties nog niet op niveau. Als ik dit ooit als compleet werk publiceer, zal ik het grondig moeten redigeren, herschikken en soms herschrijven.

    Bij herlezen zag ik dat ik aan bijna alle eerdere stukjes verkeerd had geschaafd. Daardoor werd het resultaat eerder ‘bland’. Dat is óók een les. Teksten compacter maken gaat ten koste van de persoonlijkheid van het product. Het leest sneller, maar het wordt ook droog, staccato en saai. Controlerondes op spelling en grammatica zijn dus prima, maar een te uitgebreide controle op stijl, compactheid en flow leidt wel tot leesbaarheid, maar niet per se tot een betere column.

    Als toelichting voor mijn onderwerpkeuze liet ik de serie voorafgaan door een stukje waarin ik voor het eerst meer biografische elementen opnam. Dat was een mijlpaal. Dat krijgt nu ook een extra functie: het markeert dat bijsturen onderdeel is van dit 2026-project, zodra de gekozen route te weinig oplevert. Ook dat hoorde bij de oefening.

    Met de publicatie van mijn drijfveren verliet ik het objectieve pad. Daardoor kan ik een minder strikte stijl hanteren: geen neutrale vorm en woordkeuze meer. Het is een reflectie van de manier waarop ik de wereld beleef, inclusief Engels en verwijzingen naar The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy, if I damn well feel like doing so.

    Ik blijf schrijven zonder de tekst in zijn geheel te reviseren, ook nu. Daar moet ik aan wennen. Het is waarschijnlijk efficiënter om eerst een reeks te maken. Ik schrijf nu vanuit een herstart. De oude opbouw laat ik los; de nieuwe moet zich opnieuw al schrijvend bewijzen. Ik hoop dat deze herziening beperkt blijft tot HOW2 en dat het geen reeks How-not-to’s wordt. Mission aborted. Lessons learned. Nu verder met HOW2.

  • Intermezzo: uitdagingen

    Het wekelijkse intermezzo is bijna vanzelf een soort voortgangsverslag geworden. Dat is niet gepland, maar wel logisch: als je elke dag publiceert, kun je je eigen aanpak ‘in real time’ terugzien. Wat werkt. Wat ontspoort. Wat je dacht dat je al kon, maar toch nog niet beheerst.

    Vorige week stelde ik mezelf een duidelijke opgave: een reeks, met ruimte voor variatie, maar met één herkenbare lijn. Dat klinkt overzichtelijk, maar in de praktijk bleek vooral de keuze lastig. Er waren te veel mogelijke keuzes, de thema’s waren te breed, en het gevaar is dan dat je niet kiest maar verschuift: van onderwerp naar onderwerp, van invalshoek naar invalshoek. Die keuzestress is geen randverschijnsel; dat ís de uitdaging.

    De lijst waaruit ik kon kiezen was te lang. Recht en proces. Taal en framing. Economie en prikkels. Psychologie en heuristiek. Organisaties en bureaucratie. Technologie en AI. Macht, status, reputatie. Elk thema is een eigen spoor. En elk spoor vraagt om focus, anders wordt het een stapel losse observaties zonder richting.

    Uiteindelijk besloot ik tot een reeks over ‘procesrealiteit’. Niet omdat dat het leukste onderwerp is, maar omdat het verwoorden van een mening over een feitelijke gang van zaken kwetsbaar is. Ik moest onderscheid maken tussen ‘wat waar is’ en ‘wat aantoonbaar is’, en tussen ‘wat ik bedoel’ en ‘wat er staat’.

    Tegelijkertijd was ik afgelopen week aan het puzzelen met stijl en methode. Vorige week ging ik wat korter door de bocht. Deze week werd het vooral een langere vorm. Niet alleen omdat de onderwerpen zich daarvoor leenden, maar ook als bewuste test: kan ik dezelfde scherpte vasthouden als de tekst langer wordt, of loop ik dan vol met uitleg en bijzinnen?

    Een jurist die goed kan schrijven kan spelen met de perceptie van de lezer en op die manier ‘recht’ schrijven, zelfs als het in werkelijkheid hartstikke krom is. Dat is een vaardigheid, maar het is ook een risico. Ook als de lezer er niet precies de vinger op kan leggen, kan hij zich op het verkeerde been gezet voelen, terwijl ik juist wil dat hij vertrouwen houdt.

    Experimenteren gebeurde bijna organisch. Twee onderwerpen vroegen om een uitgebreider stuk en ik heb ze vervolgens ook nog eens op twee verschillende manieren aangevlogen. In plaats van twee lange stukken te schrijven, koos ik er bij ‘asymmetrie binnen de procesvoering’ voor om de invalshoeken als twee zelfstandige stukken te publiceren. Dat werkte, maar het leek te veel op ‘gewone’ columns. Bij een ander onderwerp, ‘asymmetrie binnen het procesrecht’, heb ik juist wél één lang stuk geschreven en het vervolgens bewerkt tot deel 1 en deel 2, met als voorwaarde dat beide delen wel een zelfstandig bestaansrecht konden behouden. Dat was veel lastiger dan ik verwachtte.

    Een ander bekend onderwerp, ‘juridische werkelijkheid’, heb ik eenmaal als column en eenmaal als klein essay geschreven. Allebei vanuit een andere optiek en buiten de gebaande paden, en toch allebei anders. In de eerste beschreef ik de totstandkoming van de juridische realiteit via ‘vier filters’ en in de tweede beschreef ik die als ‘twee vertaalslagen’. Allebei verdedigbaar, maar inhoudelijk echt verschillend. Dat was een aardige schrijfoefening. Ik overweeg het ook nog eens als ‘Schrödingers vonnis’ uit te werken.

    De laatste publicatie was een los stuk over een zeer ongemakkelijke procesrealiteit: de onredelijke redelijkheid van het (Nederlandse) recht. Dit was er een waar ik mijn ei in kwijt kon. Ik heb er nog nooit eerder iets over gelezen, dus het stuk is voor mij persoonlijk en nieuw.

    Het meest leerzaam was toch de oefening om twee opvolgende delen te schrijven die toch ieder een zelfstandig bestaansrecht hebben. Een stuk opsplitsen is eenvoudig. Twee delen schrijven die elk als ‘af’ voelen, zonder dat je het grotere betoog sloopt, is een heel andere opgave. Je moet afronden zonder af te sluiten en opnieuw beginnen zonder te herhalen. Je moet doorlopen zonder te beloven dat ‘deel 2 het wel uitlegt’. Dat is precies de vaardigheid die ik nodig heb als ik ooit een boek wil schrijven dat uit hoofdstukken bestaat die elk afzonderlijk iets dragen.

    Na een paar weken achter elkaar over juridische onderwerpen te schrijven, wil ik ook wat dat betreft weer iets anders. Procesrecht is op zichzelf zowel een niche als een overkoepelend thema. Je zou er een complete blog mee kunnen vullen, waarin je afwisselend aandacht geeft aan bewijs, schikken, termijnen, processtrategie, taal, en de manier waarop instituties keuzes forceren. Alleen: ik probeer nu nog niet een niche te vinden. Ik wil leren schrijven. En daarvoor is variatie in vorm minstens zo bruikbaar als variatie in onderwerp.

    Voor nu ben ik klaar met schrijven over het recht. Ik zoek een andere kapstok. Niet omdat het recht ‘op’ is, maar omdat herhaling gemakzucht kan worden.

    Een lang stuk met delen die elk zelfstandig overeind moeten blijven, is bij uitstek een oefening om te verdiepen. Dat ga ik nu als ‘opdracht’ van meerdere weken neerzetten: één overkoepelend onderwerp dat ik op verschillende manieren aanvlieg en uitdiep, met genoeg ruimte voor persoonlijke inbreng, maar wel met een paar harde vorm-eisen. Bij elkaar zou het een klein boekje moeten kunnen worden. Ik heb het nog nooit gedaan, dus… 😉

    In ieder geval verwacht ik dat het tijdrovend zal zijn. En dat zet ook druk op mijn wens: ‘iedere dag iets publiceren’. Maar die druk is ook het punt. Dat soort uitdagingen houdt het spannend, en ik leer er ook daadwerkelijk iets van. De kans is groot dat ik er een trucje op los moet laten: wel iedere dag publiceren, maar niet per se dagelijks een hoofdstuk of paragraaf binnen het project. Een afwisseling met korte stukjes over van-alles-en-nog-wat neemt zeker niet de complete druk weg, maar wel de overdruk. En ook afwisseling is een aardige oefening. Het gaat niet alleen om leuk publiceren; het gaat om vormdiscipline onder druk.

  • Intermezzo: Stelling nemen

    Vorige week besloot ik een week lang één duidelijke lijn aan te houden. Een lezer heeft houvast nodig. Zonder duidelijke contouren verdwijnt de aantrekkingskracht. Daarom koos ik één kernidee: zes stukjes over beginselen van het recht. (Het werden er zeven.) Sommige stukjes kregen een praktijkhaakje. Dat werkte.

    Voortgang

    Afgelopen week leerde ik strakker te structureren. Ik ben beter in staat om te accepteren dat ‘goed’ soms ‘goed genoeg’ is. Dat is buiten het bloggen ook praktisch. Maar dit is niet de vorm die ik zoek.

    De reeks is nuttig. Het is het soort informatie dat ik zelf eerder tot mijn beschikking had willen hebben. Ondanks de praktijkhaakjes blijft het uitleg. Het is een mini-college. Dat is vlak. Ik zoek iets prikkelenders, iets uitdagenders. Dit blog is ook een persoonlijke zoektocht naar stijl.

    Het risico van stelling nemen

    De keuze waar ik eerder omheen liep is of ik een duidelijke positie wil innemen. Een opinie over actuele kwesties kan lezers wegjagen. Maar zonder positie ben ik inwisselbaar: dan lever ik samenvattingen, geen stukken. Wie niet oppervlakkig wil schrijven, moet accepteren dat een deel van de lezers afhaakt: niet iedereen heeft zin in een uitgesproken positie. Dat neem ik voor lief. Beter dat risico dan het alternatief: stukken die ‘netjes’ blijven, maar tam.

    Één stelling per dag

    Komende week ga ik terug naar de kern: één scherpe stelling die ik verdedig. Met één lijn erdoorheen, zodat de stukken samenhang krijgen. Mijn doel is: elke dag één stelling. Geen mijmering over een onderwerp, maar een stelling. Iets dat ik beweer. Dat je kunt betwisten. Vorm je eigen oordeel. Eens of oneens, allebei prima. De lijn voor de komende week is dus niet ‘meer informatie’, maar meer onderscheid.

    Koerscorrectie

    Een stukje is vermakelijk, leerzaam, prikkelend of motiverend, en soms vooral erkenning. Soms meerdere categorieën tegelijk. Mijn doelstelling blijft in de kern dezelfde: schrijven als destillatie. Het publiceren is de toets. Zodra iets publiek wordt, moet het kritiek kunnen doorstaan. Dat maakt me zorgvuldiger. Ik ben bereid om de discussie aan te gaan over wat ik vastleg en om van anderen te leren. Als we uiteindelijk concluderen dat we het oneens blijven, wil ik in ieder geval weten aan welke basisopvatting dat ligt. Dat is winst: het levert inzicht op.

    Ik wil het verschil zichtbaar maken tussen indruk en argument en tussen retoriek en reden.

    eM van de Weeromstuit

  • Intermezzo: op zoek naar een lijn

    Dagelijks publiceren dwingt je niet alleen tot schrijven, maar tot kiezen van een route voor de lezer.

    Een blog dat alleen maar een ‘step into my head’ is, leest als een ontplofte boekenkast. Alles ligt er: bruikbaar materiaal en onduidelijke stapels door elkaar. Zonder plattegrond is het verschil tussen bruikbaarheid en rommel verrassend klein.

    Vorige week merkte ik dat dit project meer blootlegt dan ik vooraf verwachtte. Het is uiteraard geen dagboek, maar het komt er soms dichtbij. Niet omdat ik het als dagboek schrijf, maar omdat publiceren zichtbaar maakt wat ik doe. Ik zie ook wat ik vooruit schuif, terwijl ik het presenteer als zorgvuldigheid.

    Tot nu toe beet ik me vooral vast in de tekst zelf. Zinnen passend maken, voorbeelden net scherp genoeg, alinea’s die doen wat ze moeten doen. De vorm van het blog als geheel schoof ik vooruit. Dat is precies verkeerdom. Als je elke dag een stukje publiceert, wordt de vorm geen ding voor later. Zonder kapstok wordt zelfs de beste inhoud onvindbaar.

    Mijn terugkerende thema’s zijn herkenbaar: drogredenen, biases, fallacies en de korte routes die mensen nemen als denken inspannend wordt. Heuristieken, vuistregels en kleine ‘wetmatigheden’ interesseren me. Het zijn bruikbare kapstokken om onderwerpen systematisch uit te lichten. Voor een neutraal en generiek overzicht is er Wikipedia. Ik wil een onderwerp laten leven en toetsbaar maken. Het moet een referentie kunnen worden waar je later iets aan hebt.

    Vorige week zette ik zeven principes op een rij en werkte er elke dag eentje uit. Dat werkte omdat het de opdracht overzichtelijk genoeg maakte en er samenhang ontstond. Maar ik herken nog steeds de drang naar ‘compleetheid’: nog een overzicht, nog een lijst, nog wat context, zodat het af voelt. Dat kan nuttig zijn, maar een column is geen boek. Het biedt een concept en misschien wat ‘food for thought’.

    Die spanning zie je ook bij onderwerpkeuze. Ik zou gerust een maand over Trump kunnen schrijven, niet omdat dat verheffend is, maar omdat het eindeloos materiaal biedt voor status, groepsdenken, rationalisaties en korte routes. Maar ik geloof niet dat iemand daarop zit te wachten. De vraag is of de selectie interessant genoeg is om een belofte in te lossen. Een lijn kiezen en vasthouden, zonder jezelf in te metselen, is een noodzakelijke keuze.

    Die selectie geldt ook voor de manier waarop je schrijft. Na een week merkte ik drie dingen: stokpaardjes komen onmiddellijk boven, een blogstuk hoeft niet lang te zijn, en eindeloos schaven levert na een zeker moment vooral marginale winst op. In de juridische praktijk is perfectionisme soms een deugd, omdat het risico’s afdekt. In dit project kost het vooral tijd.

    De ambitie moet dus anders: een thema met per stuk een uitwerking van een basisgedachte en in ieder geval één interessante extra invalshoek als toegevoegde waarde. En dan doorzetten.

    Er is nog een valkuil: ergernissen. Ze zijn bruikbaar als startmotor, maar ze mogen niet ontaarden in rants. Als irritatie de brandstof is, moet de argumentatie het stuur zijn. Anders wordt het lawaai.

    Het meest praktische resultaat tot nu toe is eenvoudig: elke dag een uitdaging die diezelfde dag af moet, maakt mij efficiënter. De deadline dwingt tot keuzes, en vooral tot het laten liggen van wat niet per se nog completer hoeft te zijn. Daarom kies ik komende week een zichtbare lijn: zes rechtsprincipes die voor iedereen handig zijn om te kennen. Niet omdat zo’n lijst het doel is, maar omdat een dergelijke reeks een heldere ingang biedt. Als het goed gaat, wordt het geen stapel, maar een praktische collectie met een duidelijke lijn.

    Een lijn is gastvrijheid.

  • Intermezzo: Toetsbaarheid en keuzes

    Een week terugkijken legt patronen bloot en dwingt tot kiezen.

    Één keer per week schrijf ik een ‘intermezzo’: geen nieuw thema, geen nieuwe claim, maar een inventaris. Wat ging er goed, wat ging er stroef, wat zag ik pas achteraf?

    Pas als je een aantal stukjes achter elkaar legt, zie je waar je steeds op terugkomt, en waar je het jezelf te gemakkelijk maakt.

    (1) Het eerste dat opviel, was iets dat ik niet had voorzien, maar wel eenvoudig: veel stukjes bleken, op hun eigen manier, een link met ‘toetsbaarheid’ te hebben. Dat had ik niet aangekondigd en ik had er ook niet bewust voor gekozen. Het gebeurde. Dat is tegelijk het voordeel en de valkuil van dagelijks schrijven: het brengt je stokpaardjes en obsessies aan het licht. Met mijn meanderende geest is niet uit te sluiten dat dit een momentopname is, en dat een volgende obsessie een compleet ander frame biedt.

    (2) Daarbij viel op dat ik veel basisprincipes en concepten hanteer. Dat is nuttig, en ik heb me daarom voorgenomen om meer aandacht te besteden aan die basisprincipes. Wat is nu praktischer dan een arsenaal aan bruikbare concepten waarmee je de buitenwereld scherper in kaart brengt? Soms zijn het vuistregels, soms algemenere principes.

    (3) Het derde dat opviel, was kwantitatief. Ik ga al snel richting duizend woorden. Kennelijk is ‘kort’ niet iets dat vanzelf uit mijn vingers komt, maar een discipline die ik moet afdwingen. Als je elke dag publiceert, is dat geen klein detail. Dan is lengte niet alleen stijl, maar ook logistiek: tijd, aandacht, ritme. Een stelling verdient onderbouwing, maar niet iedere onderbouwing hoeft opnieuw uitgebreid te worden onderbouwd. En niet ieder gerelateerd onderwerp hoeft te worden benoemd. Het is makkelijk te denken dat het nog niet ‘af’ is en dat er ‘nog één alinea’ bij moet, terwijl je in werkelijkheid sneller voor een afkappunt moet kiezen. Ik moet beter leren bepalen wanneer het genoeg is.

    (4) En dan is er het meest tijdrovende deel: detailwerk dat zich vermomt als zorgvuldigheid. Je kunt eindeloos blijven puzzelen. Dat voelt verzorgd, maar voegt meestal weinig toe. Net als bij studeren voor een tentamen is er bij schrijven sprake van afnemende meeropbrengst.

    Ook hier duikt meteen een principe op: ‘the law of diminishing returns’. Dit onderschrijft het tweede punt. Mijn derde waarneming wordt benadrukt omdat ik een voorbeeld wil geven van de manier waarop je kunt blijven puzzelen. Neem titels: ze zijn zowel vlag als belofte, de kortste versie van de hele tekst. De alternatieve titels die ik bij ‘Kleine Winst, Groot Verlies’ bedacht, zijn: ‘Dat moet toch kunnen!’, ‘Verborgen Rekening’, ‘Samen slechter af’, ‘De Prijs van Nonchalance’ of ‘De Kosten van Gemakzucht’. Allemaal enigszins dekkend, maar toch ook weer net niet goed genoeg. Ik moet accepteren dat je niet alles in één korte titel kunt vangen. Kiezen komt neer op: iets anders buiten beeld laten. Bij schrijven is perfectie een streven, geen realiteit.

    Daar zit een moeilijke les in. Schrijven is niet alleen formuleren, maar ook laten liggen. Als je alles wilt meenemen, eindig je bijvoorbeeld met een onvoorstelbaar lange titel, of eentje die nergens echt op inzet. Ook moet ik beducht zijn voor teksten die te veel anticiperen op tegenwerpingen. Dat is verleidelijk, want indekken lijkt op nuance. Maar vaak is het een slag om de arm, en dus te weinig stellingname. En dat laatste wil ik wel.

    Komende week wil ik expliciet stilstaan bij de overkoepelende gedachten die in de stukjes van afgelopen week opdoken, zoals een uitwerking van de hindsight bias en the tragedy of the commons. Ik ben benieuwd wat dit experiment me nog meer leert over mijn eigen denken en schrijven.

    Een wekelijks ‘intermezzo’ geeft me niet alleen een inkijkje in mijn eigen functioneren, maar het biedt ook gelegenheid om dit project bij te sturen. Een manier om mijn eigen werk te beoordelen en te bevragen, zoals ik anderen vraag: klopt dit, staat dit ergens, houdt dit stand?

    Toetsbaarheid begint ook bij mezelf, bij mijn eigen zinnen.