Categorie: Rechtspraktijk

  • Scenario’s winnen op bewijs

    Het mechaniek: aannemelijkheid

    Een rechtszaak is vaak een geformaliseerde keuze tussen twee scenario’s. Partij A presenteert een scenario; partij B een ander. De rechter volgt het scenario dat op beslissende punten het best door bewijs wordt onderbouwd. Wat daarbuiten valt, blijft vaak buiten beeld als bijzaak. Soms verliest iemand niet op ‘waarheid’, maar op aantoonbaarheid.

    Daarom telt wat je meebrengt. De één heeft een verhaal met wat losse stukken; de ander een uitgebreid dossier dat zichzelf kan citeren: mappen, logs, versies, beslissingen, alles met datum en herkomst. Dat verschil geeft voorsprong nog vóór de zaak inhoudelijk begint.

    Dat is ongemakkelijk, maar het is het mechaniek. Het is precies wat een rechter moet doen: onder onzekerheid beslissen. Alleen: wie begrijpt dat de uitkomst vaak een ‘bewijs-gedragen scenario’ is, ziet ook waar de gelijkheid ophoudt. Op papier is het duel gelijk, in het archief niet. En precies daar zitten twee hefboompjes met onevenredig effect.

    De belofte: gelijk op papier

    Iedere procedure begint met een geruststellend uitgangspunt: gelijkheid van procespartijen. Op papier is het een duel met gelijke wapens, een ‘equality of arms’: beide partijen krijgen spreektijd, mogen stukken indienen en reageren, en de rechter hoort dat neutraal te wegen. Dat is het morele fundament van de procedure. Maar precies daar begint de frictie: het verschil zit zelden in de formele opzet en vaak in wat partijen feitelijk kunnen waarmaken.

    Het proceskader staat vast: wetgeving, jurisprudentie, procesreglementen, stelplicht en bewijslast. Het systeem garandeert geen gelijke uitkomst, alleen gelijke toegang tot dezelfde set regels. De vraag is dus wie die ruimte het best kan benutten.

    Twee hefboompjes: scenariokwaliteit en bewijsvoorraad

    Wat je met die speelruimte doet, wordt beslist op twee plekken: in het scenario en in de bewijsvoorraad.

    Scenario: ordening, selectie en juridische kwalificatie

    De eerste factor is zichtbaar. Een goede advocaat of een handige procespartij kan ordenen, selecteren en kaderen. Belangrijker: die kan juridisch kwalificeren. Die kiest niet alleen wát er verteld wordt, maar met welke juridische bril het verhaal gelezen moet worden. Is dit een tekortkoming, of vooral uitleg en context? Gaat het om dwaling, verzuim, bewijslast of bewijsvermoeden?

    Wie die bril goed kiest, maakt van hetzelfde feitencomplex een andere juridische kwestie. Dat is geen retorische truc, maar een kernvaardigheid. Het dossier moet in het juiste juridische vakje passen. Het verhaal moet kloppen in het hoofd van de rechter: met eigen logica, sober en ordelijk. Dat is geen bijzaak. Het is het voertuig waarin het dossier de rechter bereikt; een wankel voertuig haalt zelden de eindstreep.

    Feiten: niet alleen meer laten zien, vooral beter kunnen kiezen

    De tweede factor is minder elegant, maar vaak doorslaggevend: de feitenbasis. Wie een groot archief heeft, kan niet alleen meer laten zien, maar vooral beter selecteren en bewijzen. Mailboxen, boekhouding, memo’s, logs: een voorraadkast van bewijsopties waaruit je exact die stukken trekt die jouw scenario hard maken en dat van de ander zacht. Aan de andere kant zit soms vooral een persoon met herinneringen, een paar losse documenten en wat screenshots. Dat is informatieasymmetrie.

    Bewijs is montage

    Neem een sterrenhemel. Met veel sterren kun je constellaties tekenen en ze achteraf een naam geven; met weinig sterren blijft het bij losse puntjes. Het ‘patroon’ zit dan niet in de hemel, maar in de selectie die je kunt maken.

    Zo werkt bewijs ook. Wie over veel feiten beschikt, kan kiezen, ordenen en verbinden tot een scenario dat precies op de beslissende punten draagt. Wie weinig heeft, moet werken met wat toevallig beschikbaar is en wordt sneller in een hoek geduwd. Daardoor draait een rechtszaak minder om zuivere logica en meer om welke feiten relevant worden en hoe ze worden gemonteerd. De partij met het grootste archief heeft niet automatisch gelijk, maar wel de meeste bouwmaterialen om haar lezing vanzelfsprekend te maken.

    Die informatievoorsprong werkt ook in het verweer. Wie geen ruim archief heeft, leunt sneller op aannames. De ander kan dan één stuk uit de voorraadkast trekken dat zo’n aanname onderuit haalt en daarmee het hele relaas als onbetrouwbaar wegzetten. Eén misser hoeft je overkoepelende punt niet te ontkrachten, maar het tast wel je geloofwaardigheid aan.

    Overvloed vergroot de montagevrijheid; schaarste vergroot het risico dat een verhaal ‘los’ blijft hangen. Het ongemak is dat de uitkomst dan vaak wordt beslist in de selectie: welke feiten als relevant in beeld komen, welke interpretatie ze dragen, en hoe je ze ordent tot een scenario dat op de beslissende punten draagt. Wie die selectie beheerst, kan zijn lezing vanzelfsprekend laten lijken, niet omdat hij per definitie gelijk heeft, maar omdat hij bepaalt wat nog ‘aannemelijk’ oogt.

    ‘Vraag het maar op’ is verdwalen

    Daarom is het refrein ‘vraag het maar op’ vaak een dooddoener. De reflex is dan: er zijn toch middelen om stukken te vorderen? Klopt, maar die veronderstellen precies wat vaak ontbreekt: dat je weet wat je zoekt. Zonder zicht op systemen en interne taal weet je niet welke zoekterm relevant is, welke periode beslissend is, welke map bestaat, of welke logregel betekenis heeft. Je moet gericht vragen terwijl je in het donker staat.

    In bewijsdiscussies heb je grofweg vier soorten ‘weten’: (i) ‘known knowns’ (wat je hebt en kunt aanwijzen), (ii) ‘known unknowns’ (wat je mist maar kunt benoemen), (iii) ‘unknown unknowns’ (wat je mist zonder te weten dat het bestaat) en (iv) ‘unknown knowns’ (wat de ander wel weet, maar jij niet, of wat wel bekend is maar waarvan jij de relevantie niet kunt plaatsen).

    ‘Vraag het maar op’ werkt vooral bij de tweede categorie en loopt stuk op de derde: je kunt niet gericht vorderen wat je niet kunt specificeren, omdat je niet weet dat het bestaat.

    En zelfs als er geleverd wordt, is het zelden een nette overdracht met context. Het loopt uit op discussies over proportionaliteit, privacy, geheimhouding, bewaartermijnen, technische lasten, formats, en de vraag wat een document eigenlijk bewijst zonder context. Soms krijg je een datadump. Je krijgt geen helder dossier, maar een bak losse data. Dan moet je zelf aantonen welke fragmenten tellen.

    Bovendien blijft de samenhang bij de ontvangende partij dunner dan bij de bronhouder. De bronhouder kent het systeem, de gewoontes, de afkortingen, de impliciete hiërarchieën, de ‘normale’ uitzonderingen. Jij krijgt bestanden. De ander heeft het verhaal eromheen.

    Ondertussen lopen termijnen door en gaat de aandacht naar procedureel getouwtrek. Het verhaal van de ander blijft intact, want de lijn is al getrokken en jij bent bezig de grond onder die lijn te reconstrueren.

    Noodverbanden

    Ook omkeringsregels, bewijsvermoedens en sancties bij onvoldoende openheid zijn in dit kader vaak noodverbanden. Ze kunnen het risico verschuiven. Ze kunnen pijn doen. Maar ze leveren je niet het ontbrekende inzicht. Ze vervangen geen samenhangend archief. En bovendien moet je vaak eerst aannemelijk maken dat er reden is voor zo’n correctie. Je moet het gebrek onderbouwen met materiaal dat je niet hebt.

    Slot: gelijk op papier, ongelijk in het archief

    Als je deze dynamiek eenmaal ziet, kijk je anders naar uitkomsten. Dan is de vraag niet alleen wie juridisch gelijk heeft. De vraag is ook wie een scenario kan presenteren dat eruitziet als het enige plausibele scenario. Wie genoeg feiten heeft om de richting te bepalen en uit een grote feitenbasis precies die feiten kan selecteren die het narratief strak maken.

    Vaak wint het verhaal dat op precies de juiste momenten door stukken wordt ondersteund. De procedure geeft beide partijen dezelfde regels. Het archief bepaalt wie ze kan laten werken.

  • Juridische werkelijkheid (v2)

    Vaak botsen verwachtingen over ‘waarheidsvinding’ met wat een procedure in de kern doet. Zij moet beslissen, en dat is precies haar functie.

    De kloof tussen wat er gebeurt en wat rechtens geldt, zie je in een simpel voorbeeld. Een ruzie op straat krijgt juridische betekenis wanneer zij wordt gekwalificeerd als bijvoorbeeld mishandeling of noodweer. Deze ruimte is productief, maar kan ook vervreemden. Het draait niet om wat ‘echt’ gebeurde, maar om wat als relevant en aantoonbaar overblijft.

    In de rechtszaal wordt het verleden teruggebracht tot een pakket van juridisch relevante feiten. Dat is nodig om het ‘recht’ toe te passen en tot een uitspraak te komen. Zodra de wederpartij iets betwist, is ‘waarheid’ van het verhaal geen gegeven, maar een stelling die moet worden onderbouwd. Dan liggen er twee verhalen op tafel. De rechter beslist welke versie als juridische werkelijkheid geldt. Wederzijds uitsluitende standpunten worden betwist, aan bewijs getoetst en in het licht van het dossier gewogen.

    Vertaalslagen

    Die juridische werkelijkheid ontstaat via twee vertaalslagen. De eerste is feitelijk-bewijsbaar: van gebeurtenis naar vast te stellen feit. De tweede is juridisch-ingekaderd: van vast te stellen feit naar rechtsfeit, een feit dat betekenis krijgt binnen een normenkader. Die vertalingen maken van een gebeurtenis eerst een toetsbaar feitenoverzicht. Daarna krijgt dat feitenoverzicht rechtsbetekenis.

    Eerste vertaalslag: feitelijk en onbetwist

    De eerste vertaalslag begint met een harde beperking: de rechter kan niet oordelen over de wereld ‘zoals zij was’, maar slechts over stellingen die in het geding worden gebracht en toetsbaar worden onderbouwd. In het burgerlijk procesrecht ligt de verantwoordelijkheid voor de feitenbasis primair bij partijen. Zij moeten de relevante feiten stellen, volledig en naar waarheid. Binnen het procesrecht is dat verplicht. De procedure is daarmee geen vrije vertelling, maar een gecontroleerde vorm van kennisproductie. Losse ervaringen worden omgezet in stellingen die concreet genoeg zijn om te worden betwist, bewezen en gewogen.

    Vervolgens treedt het ‘adversariële mechanisme’ in werking: partijen leggen feiten op tafel; wat na betwisting blijft staan, wordt het vertrekpunt. Wat niet of onvoldoende wordt betwist, geldt in beginsel als vaststaand. Dat is geen geloof, maar een voorschrift dat de zaak hanteerbaar maakt. De rechter hoeft geen energie te steken in feiten waarover geen verschil van mening bestaat. Het gevolg is dat ‘de werkelijkheid’ in een civiele zaak vaak minder wordt opgebouwd uit spectaculair bewijs, en meer uit stellen, betwisten en zwijgen. Zwijgen is procesrechtelijk niet altijd neutraal: het kan betekenen dat een stelling zonder verdere bewijslevering tot de vaststaande feitenbasis behoort.

    Waar wél wordt betwist, komt de bewijslastverdeling om de hoek kijken. De hoofdregel is dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, daarvan het bewijsrisico draagt. De regel is: ‘Wie stelt bewijst.’

    In het dagelijks taalgebruik staat aannemelijkheid tegenover zekerheid. In de procedure is aannemelijkheid vaak een drempel: soms volstaat plausibiliteit (bijvoorbeeld in voorlopige voorzieningen), maar in een bodemprocedure kan aannemelijkheid ook het resultaat zijn van een combinatie van bewijs dat niet sluitend is, bewijswaardering en het ontbreken van overtuigend tegenbewijs. De rechter hoeft zelden absolute zekerheid te bereiken. Hij beslist op basis van het dossier en het bewijsrisico als kennis onvolledig blijft. ‘Wie stelt bewijst’ betekent ook dat wie stelt maar niet kan bewijzen, zijn stelling ziet stranden.

    Daarbij komt dat het civiele bewijsrecht in beginsel een open toegang kent: bewijs kan door alle middelen worden geleverd en de waardering ervan is aan de rechter. Dat klinkt ruim, maar het betekent niet dat werkelijk ‘alles’ meetelt. Het betekent dat vrijwel alles als bewijsmiddel mag worden aangeboden, terwijl de overtuigingskracht niet door vaste bewijsregels wordt dichtgetimmerd. Dat vergroot de rol van selectie, presentatie en context: hetzelfde feitelijke materiaal kan in de ene zaak betekenisvol zijn en in de andere zaak niet dragend blijken, door gebrek aan onderlinge samenhang, detail, herkomst of betrouwbaarheid. De feitelijke vertaalslag is dus niet alleen: wat is er gebeurd? Zij is vooral: wat is er aantoonbaar gebeurd binnen de grenzen van dit proces, met deze stukken, deze getuigen, deze timing en deze betwisting?

    Deze eerste vertaalslag is onvermijdelijk selectief. Niet omdat de rechter de werkelijkheid niet belangrijk vindt, maar omdat in de rechtszaal een selectie plaatsvindt. Alleen feiten die er in juridische zin toe doen, vormen het ‘basismateriaal’ voor de juridische werkelijkheid. Bovendien is er een praktische beperking: tijd, aandacht, proceskosten, bewijsproblemen. Het procesrecht organiseert daarom een beslisbare versie van de werkelijkheid: een versie die voldoende houvast biedt om een knoop door te hakken. De prijs daarvan is uiteindelijk dat de juridische werkelijkheid niet per definitie samenvalt met de historische werkelijkheid. Zij is een ‘verantwoorde’ benadering, geen alwetende reconstructie.

    Tweede vertaalslag: het juridisch kader

    Dan volgt de tweede vertaalslag: de juridische inkadering. Zelfs als de feiten procesrechtelijk stevig staan, hebben zij nog geen ingebouwd rechtsgevolg. Dat ontstaat pas wanneer zij worden geplaatst binnen een juridisch kader. Die stap is geen formaliteit, maar een andere vorm van vertalen. Je neemt een feitenreeks (X deed Y met gevolg Z) en je legt daar een juridische grammatica overheen: voorwaarden en uitzonderingen die in elkaar grijpen, zoals kwalificatie, causaliteit en toerekening. Hetzelfde feitenpakket kan op die manier meerdere ‘juridische werkelijkheden’ opleveren, afhankelijk van het gekozen spoor: wanprestatie of onrechtmatige daad, eigendom of bezit, arbeidsovereenkomst of opdracht, dwaling of bedrog. Eerst kies je het juridische vakje, daarna pas je de gebeurtenis daarin.

    Die inkadering maakt ook iets anders zichtbaar: welke feiten achteraf bezien, relevant blijken. In de praktijk is er een wisselwerking. Een partij stelt de feiten met het oog op een bepaalde rechtsgrond. De wederpartij betwist gericht de feiten die binnen die rechtsgrond dragend zijn. De rechter beoordeelt vervolgens binnen het juridische kader welke feiten beslissend zijn. Het juridisch kader is dus niet slechts een label achteraf, maar het stuurt vanaf het begin welke werkelijkheid überhaupt wordt opgebouwd. Daardoor is de ‘juridische werkelijkheid’ een constructie, geen reconstructie. Zij is beschrijvend omdat zij vaststelt wat er procesrechtelijk is gebeurd en normstellend omdat zij dat ordent in termen van rechten, plichten, bevoegdheden en sancties.

    Rechtens relevante realiteit

    Dat brengt ons terug bij de oorspronkelijke stelling. Als je zegt dat alleen de bewijsbare werkelijkheid telt, zeg je in feite twee dingen. Ten eerste: waarheid in de rechtszaal is procedurele waarheid, gebonden aan regels van stelplicht, betwisting, bewijslast en bewijswaardering. Ten tweede: zelfs die procedurele waarheid is niet zelf de uitkomst; zij is grondstof die pas betekenis krijgt door juridische kwalificatie.

    Wie dit scherp ziet, begrijpt de implicatie: procederen is vertalen. Ervaring wordt toetsbare taal, en toetsbare taal krijgt rechtsbetekenis. Niet als versiering, maar als afbakening. Dat vraagt om precisie.

    De rechtszaal kan geen totale waarheid leveren, wel een verantwoorde beslissing op basis van wat partijen aantoonbaar maken en wat het recht daaraan verbindt. Zo ontstaat een virtuele realiteit: de juridische werkelijkheid.