Categorie: Filosofie

  • HOW – 1.1. Iets

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.1. Iets

    De eerste keuze is deze: is werkelijkheid afhankelijk van ervaring, of bestaat zij ook zonder toeschouwer? Volgens één positie bestaat ‘werkelijkheid’ alleen voor zover zij verschijnt in ervaring. De illustratie daarvan is de omvallende boom in het woud: zonder toehoorder geen geluid. Dat kan verdedigbaar zijn, maar het is geen goede ingang voor dit deel. Het maakt ‘werkelijkheid’ afhankelijk van een analyse van ervaring, terwijl dit deel juist probeert te beginnen vóór de ervaring. Daarom kies ik dat uitgangspunt niet; ik begin bij de andere mogelijkheid.

    Aan het bestaan van ‘werkelijkheid’ leg ik een eenvoudiger vertrekpunt ten grondslag: ‘Er is iets’. Dat is geen mening en geen conclusie; het is een werkbaar vertrekpunt waarmee ik verder kan. Vandaaruit volgt de rest stap voor stap.

    “Er is iets.”

    Het ‘iets’ waar ik het over heb, is geen afgeleide van theorie, geen product van taal en geen bijvangst van waarneming. ‘Iets’ hoeft geen ding te zijn. Het hoeft nog geen vorm te hebben en het hoeft nog niet geplaatst te zijn in ruimte of tijd. Er is één logische eis: het ‘iets’ mag niet volstrekt leeg zijn. Met minimaal één eigenschap is het al ‘iets’.

    Dat werkelijkheid ook zonder toeschouwer bestaat, is een minimale aanname. Die aanname zegt niet wat werkelijkheid is, hoe zij eruitziet, of hoe wij haar kennen. Die aanname zegt alleen: wij zijn niet de scheppers van het geheel.

    De mens komt pas in latere delen in beeld: ervaring, taal en maatschappij. Vooralsnog blijft de toeschouwer buiten beeld. Dit hoofdstuk houdt het bij ‘iets’ alleen. Pas daarna volgen verdere stappen. Dit eerste deel vertrekt vóór de toeschouwer verschijnt. Het uitgangspunt blijft: er is iets, ongeacht of het wordt waargenomen. Daarna volgt wat deze aanname minimaal impliceert.

    Je kunt trachten het standpunt te verdedigen dat werkelijkheid niet bestaat. Dat zou, naar mijn oordeel, alleen kunnen via een bewijs uit het ongerijmde. Die route laat ik hier rusten. Wat volgt is geen meting of theorie, maar stappen in taal en alledaagse logica. Het betoog is abstract en methodisch opgezet. Het vertrekt niet vanuit de fysica, maar vanuit minimale consequenties. Wat ‘er is iets’ minimaal impliceert, komt in de hoofdstukken hierna aan bod.

    Terzijde: je kunt opmerken dat ‘Er is iets’ een zin van drie woorden is en dat die woorden en hun samenhang extra veronderstellingen meebrengen. Bijvoorbeeld dat ‘er’ al een ‘ergens’ (ruimte) suggereert en dat ‘is’ ook een ‘nu’ (tijd) introduceert. Die discussie parkeer ik hier, omdat ik ‘iets’ hier alleen gebruik als aanduiding voor een minimaal vertrekpunt, vóór tijd en vóór ruimte.

  • HOW – 1.0. Inleiding

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    1.0. Inleiding

    Waarschuwing: dit eerste deel is gortdroog. Het is een oefening in abstract denken. Als je daar geen zin in hebt, kun je ook beginnen bij Deel II en later terugkomen wanneer je merkt dat je een fundament mist.

    Deel I veronderstelt zo min mogelijk. Daarom bevat het geen beschrijvingen van herkenbare dingen, geen voorbeelden met objecten, geen natuurkundige termen en geen formules. Ook geen menselijke maatvoering: geen meetlat, geen kalender, geen coördinatenstelsel, geen definities op afspraak.

    Dit deel werkt met woorden en alledaagse logica. Het behandelt ‘werkelijkheid’ nog niet als ‘de wereld die wij zien’, maar als datgene wat nodig is om over een buitenwereld te kunnen spreken zonder haar al in te vullen.

    Dat is bewust omslachtig, om een eenvoudige reden: veel uitspraken over werkelijkheid leunen op aannames, vaak zonder dat we het doorhebben. Iemand stelt iets en laat een hele achtergrond meeliften: dat er ruimte is; dat tijd bestaat; dat er identiteit is door verandering heen; dat het om meer dan taal gaat. Zulke aannames kunnen prima werkbaar zijn. Maar als je niet ziet wat er precies wordt aangenomen, kun je het ook niet toetsen. En zonder toetsing kun je het ook niet verantwoord meenemen in je conclusie.

    Dit deel markeert waar het fundament begint en waar het bouwen start. Het onderscheid dat ik steeds maak is simpel: wat neem ik aan, en wat volgt daar logisch uit? Daarvoor moet eerst helder zijn wat je minimaal nodig hebt voordat er überhaupt iets is om waar te nemen, te benoemen of te verdedigen. In latere delen (‘II. Ervaring’, ‘III. Maatschappij’ en ‘IV. Representatie’) ga ik laten zien hoe rijk, gelaagd en menselijk ‘werkelijkheid’ wordt zodra waarneming, taal en instituties meedoen.

    Het uitgangspunt is niet dat je met één aanname alles kunt afleiden. Hoe zuinig je ook probeert te zijn: een werkbaar fundament vraagt meerdere proposities. En elke propositie is betwistbaar. Dat is geen probleem dat ‘opgelost’ moet worden; het hoort bij elk betoog dat pretendeert ergens over te gaan. De vraag is alleen: hoeveel neem je aan, en hoe expliciet ben je daarover?

    Om dat beheersbaar te houden, bestaat Deel I uit korte, strakke stappen. Elk hoofdstuk introduceert één conceptuele stap en werkt die uit. Niet om het abstracte te vieren, maar om het aantal sprongen overzichtelijk klein te houden. Het doel is dat je als lezer kunt aanwijzen: hier wordt iets verondersteld; daar wordt iets afgeleid. Als je ergens afhaakt, moet je ook kunnen terugvinden wáár je bent afgehaakt en waarom.

    Lees dit deel daarom niet als een verhaal dat je ‘gelooft’ of ‘niet gelooft’. Lees het als een reeks minimale constructies. Het gaat erom dat je ziet welke keuzes er gemaakt worden en wat die keuzes mogelijk maken. Sommigen vinden het fundament te karig; anderen vinden het te rijk. Beide reacties zijn bruikbaar als je ze kunt herleiden tot een concrete stap in het betoog.

    De belofte van Deel I is niet dat het verklaart wat ‘werkelijkheid’ is. De belofte is bescheidener: het beperkt de aannames tot een droog minimum, en maakt zichtbaar waar ze nodig worden. Dat is de rol van dit deel. Niet om de rest te vervangen, maar om de rest verantwoord te kunnen lezen.

  • HOW – 0.2. Introductie

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    0.2. Introductie

    Deze reeks is opgezet als boek en gaat over ‘werkelijkheid’: hoe zij tot stand komt en wat we bedoelen wanneer we dat woord gebruiken. Niet als scheppingsverhaal en ook niet als kosmologische geschiedenis vanaf de Big Bang, maar als opbouwroute. Hoe ontstaat dat wat wij als ‘werkelijkheid’ aanvaarden en hanteren?

    Het eerste probleem is dat ‘werkelijkheid’ in het dagelijks taalgebruik twee kanten tegelijk heeft. Soms bedoelen we ermee hoe het is, onafhankelijk van ons. Soms bedoelen we ermee hoe het volgens ons hoort te zijn. In één zin kan het woord dus zowel beschrijvend als normatief functioneren. Dat maakt het woord krachtig, maar ook gevaarlijk rekbaar. In dit boek wil ik beide betekenissen scheiden en daarna strak naast elkaar leggen. Niet om een kunstmatige definitie op te leggen, maar om consequent te blijven. Telkens duidelijk maken welke laag wordt bedoeld.

    Daarmee hangt ook het woord ‘ontstaan’ samen. Ik gebruik ‘ontstaan’ hier niet als ‘begin van alles’, maar als ‘laagvorming’. Sommige dingen lijken onafhankelijk van ons te bestaan; andere bestaan alleen door ons, maar zijn daarom niet minder werkelijk in hun effect. Het boek volgt een route van kaal naar complex: van buitenwereld naar ervaring, maatschappij en representatie.

    De opbouw van het boek is vierledig.

    Deel I – Het Al

    Deel I is zo strak en droog mogelijk opgezet: van het meest kale naar het complexere. Hierin zet ik op een rij welke begrippen minimaal nodig zijn om überhaupt over ‘werkelijkheid’ te kunnen spreken. Welke voorwaarden zijn nodig om een buitenwereld denkbaar te maken, zonder al menselijke afspraken binnen te smokkelen? Hier probeer ik het vocabulaire sober te houden: wel onderscheid, verandering, begrenzing en uitgestrektheid; geen metingen, geen modellen, geen verklarende theorie als startpunt.

    Deel II – Ervaring

    In het tweede deel komt de menselijke invalshoek in beeld. Niet als ruis, maar als eigen werkelijkheidslaag: verschijning, perspectief, aandacht, geheugen en interpretatie. Daar wordt zichtbaar waarom ‘dezelfde’ gebeurtenis niet noodzakelijk hetzelfde wordt ervaren. We kunnen niet vaststellen dat onze ervaringen identiek zijn, maar wel dat we in vergelijkbare situaties vergelijkbare onderscheidingen maken en daarop kunnen afstemmen. Een begrip als ‘rood’ is dan vooral een afspraak over labels en grenslijnen, niet per se een garantie dat iedereen precies hetzelfde ervaart.

    Deel III – Maatschappij

    In het derde deel verschuift de focus van individu naar interactie: de laag waarin we werkelijkheid samen in stand houden. Daar ontstaan normen, rollen, instituties, en de routines waarmee we elkaar corrigeren en afstemmen. Het is ook de laag waarin ‘werkelijkheid’ vaak als norm wordt ingezet: niet omdat we zeker weten dat we hetzelfde beleven, maar omdat het functioneel is om te doen alsof we genoeg overlap hebben om te kunnen handelen.

    Deel IV – Representatie

    In het vierde deel gaat het om indeplaatsstelling: taal, symbolen, beelden en modellen. Hier komt ook wetenschap aan bod, bewust pas hier. Veel hedendaagse gesprekken over ‘Reality’ beperken het domein tot het natuurkundig onderzochte; indrukwekkend gestructureerd en buitengewoon vruchtbaar, maar niet het hele verhaal.

    Dit boek zet wetenschap niet weg, maar plaatst haar hier als representatiesysteem dat werkelijkheid in tekens en definities vangt, zodat ze deelbaar, toetsbaar en voorspelbaar wordt. Juist daarom hoort wetenschap in dit boek bij symboliek en modelvorming. Wetenschap is niet alleen ‘vinden’, maar ook ‘vormgeven’ (definities, meetkeuzen, operationalisering, standaarden). Wetenschap is cumulatief: een samenhangend corpus van kennis dat wordt onderhouden en uitgebreid.

    Een terugkerend motief door alle delen heen is schaal. Onze waarneming speelt zich af in een praktisch middenveld: groter dan het subatomaire en in een trager tempo dan wat op microschaal fluctueert. We leven met objecten die ‘stabiel genoeg’ zijn om degelijk te lijken. Juist omdat dit een middenveld is, loont het om ook de randen van schaal mee te denken: het subatomaire, het kosmische, en alles daartussen. Dat maakt het dagelijks leven mogelijk, maar kan ook misleiden. We verwarren de stabiliteit van onze schaal gemakkelijk met stabiliteit als eigenschap van de wereld als geheel.

  • HOW – 0.1. Voorwoord

    Het Ontstaan van Werkelijkheid

    0.1. Voorwoord

    Normaal gesproken wordt een voorwoord pas geschreven als het boek klaar is; als laatste. Dit voorwoord is anders. Ik schrijf het vóór het schrijven van het ‘boek’. Ik noem het zo omdat ik deze online reeks zo aanvlieg, als boek. Dit voorwoord plak ik dus níet achteraf in het begin. Het is een plan, een belofte zo je wilt, over de manier waarop ik het boek ga schrijven: voor de lezer een voorwoord, voor mij een leidraad. Dít moet het boek worden.

    De aanleiding voor deze reeks is dat het onderwerp al mijn hele leven door mijn hoofd spookt. Het heeft inmiddels zoveel aspecten en dimensies dat het tijd wordt om ze vast te leggen en er een coherent geheel van te maken.

    Daarom is dit boek geen pleidooi voor één school. Zeker geen ‘alles is objectief’-benadering en ook geen ‘alles is slechts perspectief’. Ik heb geprobeerd een route uit te stippelen waarin meerdere intuïties tegelijk kunnen kloppen, afhankelijk van blik en focus. Sommige aspecten van de werkelijkheid lijken hard en onverschillig; andere bestaan alleen doordat wij ze samen overeind houden. Dat ‘samen’ is niet vrijblijvend, omdat instituties, taal en wetenschap die gezamenlijke laag stabiliseren en terugkoppelen.

    Deze reeks geeft bij uitstek de mogelijkheid om te controleren of mijn ideeën samen kunnen bestaan, of dat er paradoxen optreden. Omdat ik allergisch ben voor tegenstrijdigheden, ga ik ontdekken of die erin zitten.

    De werkelijkheid is ook een dankbaar onderwerp. Niet alleen is zij per definitie alomvattend, er zijn ook meerdere invalshoeken te bedenken. Toen het idee ontstond om aan deze reeks te beginnen, lagen er al snel tientallen onderwerpen. Dat is te veel, en veel ervan is niet voor iedereen even interessant. Daarom blijft de hoofdlijn zo basaal en overzichtelijk mogelijk. Niet alles wordt als noodzakelijk waar gepresenteerd: wat wordt beweerd en waar bewijs ontbreekt, wordt dat expliciet vermeld. En beweringen van anderen worden ontleed op bewijsbaarheid en consistentie. Geen drogredenen, geen kunstgrepen. Alleen nuchter verstand en alledaagse logica.

    De lezer hoeft hier geen voorkennis voor te hebben, maar wel ontvankelijkheid: wees bereid om datgene wat je al zeker weet even te parkeren. Iedere aanname en ieder gevolg breng ik zo simpel mogelijk over het voetlicht. Dat heeft twee redenen. Iedereen moet het kunnen begrijpen én in staat zijn om het te bekritiseren. Geef commentaar. Ik vind het irritant als dingen zo complex of algemeen worden verkondigd dat degene die het beweert zich er altijd achter kan verschuilen. Ik ga aannames expliciet maken en zo voorzichtig mogelijk zijn met begrippen die ongemerkt menselijk handelen veronderstellen. In de eerste hoofdstukken zal dat abstract en droog zijn. Dat is geen kille stijlkeuze, maar een zelfopgelegde discipline. Als je het te veel inkleurt, smokkel je via een achterdeur onderdelen naar binnen die je juist probeert te beschrijven. Dan verval je in een cirkelredenering.

    Dat ik de kern van mijn betoog zo simpel mogelijk weergeef, betekent niet dat ik alleen maar eenvoudige onderwerpen aansnijd. Je herkent meer als je weet wie Herakleitos of Douglas Adams is, maar het is niet noodzakelijk. Ik zal ervoor zorgen dat je begrippen die voorkennis vragen, gemakkelijk online kunt terugvinden als je wilt weten waar het precies over gaat. Het is echter niet noodzakelijk om mijn betoog te kunnen volgen.

    Waarneming is op veel manieren belangrijk, in de eerste plaats omdat we er dan met anderen over kunnen praten. Als we allebei grofweg hetzelfde zien, voelen, horen, ruiken en proeven, geeft dat een duidelijk fundament. Daarbovenop liggen allerlei afspraken, onder meer over hoe we het noemen. We spreken vervolgens over dé werkelijkheid, maar die is meer dan waarneming alleen. De omstandigheden binnen en buiten je eigen binnenwereld bepalen in belangrijke mate wat je opmerkt, wat je overslaat, en welke verklaringen je aannemelijk vindt. Dat besef kan mild maken: veel gedrag is minder ‘karakter’ dan context. Het kan ook hoop geven: als iemands omstandigheden veranderen, verschuift zijn wereldbeeld vaak mee. Dat maakt het woord ‘werkelijkheid’ niet eenvoudiger, maar politiek beladen.

    Als iemand ‘in werkelijkheid’ zegt, is dat zelden een neutrale aanduiding waarin een eerlijke en objectieve versie van de waarheid wordt verkondigd. De inzet varieert: “In werkelijkheid is dat slechts een excuus”, “In werkelijkheid ben je gewoon bang voor de gevolgen” of “In werkelijkheid komt dat helemaal niet door klimaatverandering”. Het alledaagse gebruik van ‘werkelijkheid’ is dus rekbaar en wordt vooral ingezet om de waargenomen werkelijkheid bij te (laten) stellen. Het woord wordt dan gebruikt om een discussie te beëindigen.

    Voordat ik echter overga op het uitwerken van werkelijkheid als ervaring of als maatschappelijk fenomeen, wil ik een zo simpel mogelijke basis leggen. Zo simpel dat het zelden expliciet zo wordt uitgeschreven. Afsluitend besteed ik aandacht aan de manier waarop men onder meer in de exacte wetenschappen omgaat met het begrip ‘werkelijkheid’. In de navolgende Introductie schets ik de opbouw van het boek. Daarin geef ik ook aan hoe de delen op elkaar aansluiten en waar bijvoorbeeld wetenschap in dit project thuishoort. Hier volsta ik met één belofte: ik probeer het woord ‘werkelijkheid’ minder metafysisch of magisch te maken door het uiteen te trekken in zijn componenten. Niet om het kapot te analyseren, maar om het bruikbaar te maken.

    Als dit boek iets moet opleveren, is het niet dat je na afloop één definitie hebt waarmee je elke discussie wint. Het is eerder dat je beter gaat zien wat er precies bedoeld wordt als het begrip ‘werkelijkheid’ wordt gebruikt. Gaat het om de buitenwereld? Om ervaring? Om sociale norm? Om model en representatie? Wie dat onderscheid kan maken, raakt minder snel verstrikt in woorden die doen alsof de discussie al beslist is.

    De werkelijkheid is onontkoombaar. Zij dringt zich aan jou op. Maar ook het omgekeerde geldt. Jij dringt jouw werkelijkheid ook aan anderen op. In die zin werkt het als zwaartekracht. Jij bent eraan onderhevig, en je hebt zelf ook een eigen zwaartekrachtveld, zij het zeer beperkt. De sociaal-maatschappelijke werkelijkheid werkt echter anders dan zwaartekracht, waarbij alleen jouw massa relevant is voor de invloed die je met jouw aanwezigheid op anderen uitoefent. In het sociaal-maatschappelijk ‘Umfeld’ kun je een onevenredige invloed op de perceptie van de werkelijkheid door anderen uitoefenen. Sommigen hebben een dermate charismatisch effect op omstanders dat van hen wordt gezegd dat zij een reality distortion field met zich meedragen.

    Graag nodig ik iedereen uit om zo veel mogelijk commentaar te leveren. Dat mag uiteraard direct onder het online stukje, maar het kan ook rechtstreeks naar mijn e-mailadres, m@stratagem.nl

  • De tragedie van de meent

    Hoe prikkels gedeelde voorzieningen voorspelbaar ondermijnen

    Zet een omheind privéveld naast een gemeenschappelijke weide en het mechanisme wordt zichtbaar. Op je eigen veld geldt een nuchter verzadigingspunt: extra vee loont alleen zolang er genoeg gras is. Zodra een extra dier het voer van je bestaande dieren opeet, stop je vanzelf. Niet uit deugd, maar omdat het je niets meer oplevert.

    Op de gemeenschappelijke weide verdwijnt die koppeling. Een extra dier levert jou de meeropbrengst op, terwijl de kosten van het extra grazen over alle gebruikers worden gespreid. Individueel blijft uitbreiden rationeel, maar collectief wordt het destructief.

    Daarin zit de ‘tragedie’: rationele, kleine keuzes die opgeteld uitmonden in een irrationeel en ongewenst eindpunt. Het probleem is niet dat iets ‘van iedereen’ is, maar dat gebruik ervan onbeperkt is en de kosten worden gedeeld. Daardoor loont nemen meer dan beheren: de opbrengst is privé, de kosten zijn voor rekening van allen, en dus schuift verantwoordelijkheid vanzelf door naar ‘iemand anders’. Dat is de kern: individuele winst op collectieve kosten heeft een voorspelbare afloop.

    Dit dilemma heet de ‘tragedie van de meent’, in het Engels ‘the tragedy of the commons’. Garrett Hardin maakte het breed bekend in zijn korte essay, waarin hij teruggrijpt op een voorbeeld uit een lezing van William Forster Lloyd (1833). Het gaat om prikkels: open toegang met een gedeelde rekening. Aristoteles signaleerde al in de ‘Politica’ (II.3) dat wat van ‘iedereen’ is, zelden door iemand echt wordt onderhouden.

    Hardin trekt die logica van gras naar andere gedeelde voorzieningen: hulpbronnen, ruimte, stilte, toegang en ook de mogelijkheid om afvalstoffen te lozen. Zijn punt is niet dat mensen slecht zijn, maar dat een oproep aan iemands geweten als bestuurlijk instrument zwak is. Als het systeem profiteert van zelfbeheersing, maar die niet beloont, wordt terughoudendheid een verliespost: wie zich inhoudt betaalt, wie doorzet wint.

    Om die reden komt Hardin in zijn essay uit bij een pijnlijk alternatief: “choose-or-acquiesce in the destruction of the commons”. Zonder begrenzing accepteer je dat vrij gebruik resulteert in de ondermijning van de voorziening. Hij stelt dat het noodzakelijk is om gebruik dwingend aan regels te binden, omdat een systeem dat leunt op vrijwillige zelfbeperking de terughoudenden straft: zij leveren opbrengst in, terwijl de ongeremden winnen. Op termijn blijven vooral ongeremden over.

    Daarom volgt bij Hardin ook de zin: “We institute and (grumblingly) support taxes and other coercive devices to escape the horror of the commons.” Belastingen, quota, toegangsbewijzen, vergunningen en boetes zijn in zijn benadering geen morele symbolen, maar noodremmen. Ze trekken een grens rond iets dat anders open blijft. Die grens beperkt vrijheid, maar voorkomt dat de voorziening door overgebruik onherstelbaar achteruit gaat.

    Hardin formuleert het cru: “Injustice is preferable to total ruin.” Dat is een diagnose, geen provocatie. Elk serieus beheer van een ‘commons’ introduceert ongelijkheid. Toegang wordt beperkt, er ontstaan quota, wachtrijen, betalingen, tijdsloten en controles. Iemand wordt uitgesloten of betaalt meer; iemand met bezit, netwerk of tijd komt makkelijker binnen. Dat voelt onrechtvaardig. Hardins stelling is dat die imperfectie te verkiezen is boven onbegrensd gebruik, dat eindigt in waardevernietiging.

    Hetzelfde mechanisme zie je waar iets ‘gratis’ lijkt. Denk aan de studenten die een nationale koeriersdienst startten op basis van een gratis OV-pas. Dat is geen verhaal over slechtheid, maar over prikkels: een persoonlijk voordeel kan worden omgezet in private winst, terwijl de kosten verspreid en onzichtbaar blijven. Wie de mogelijkheid ziet, gebruikt hem. Wie hem niet gebruikt, betaalt toch mee. Open toegang maakt creatief gebruik mogelijk en dat ontaardt snel in overgebruik.

    Dan volgt een praktisch onderscheid. Een gemeenschappelijke voorziening kan werken als de kring van gebruikers ook de kring van betalers en handhavers is, en als buitenstaanders niet onbeperkt kunnen binnenlopen. Binnen zo’n afgebakend systeem vallen baten en lasten uiteindelijk samen, soms via formele regels, soms via sociale druk. Maar zodra je een voorziening openzet voor gebruikers die niet bijdragen en wel verbruiken, verschuift de logica naar de weide van Lloyds: de individuele prikkel is dan om er meer gebruik van te maken, niet om het te onderhouden.

    Een meent hoeft niet altijd te ontsporen. Mensen kunnen samenwerken, normen vormen, elkaar aanspreken en reputatie kan disciplinerend werken. Maar dat ontkent Hardin niet. Hij laat alleen zien dat de ‘oplossing’ vaak al een vorm van begrenzing is: een duidelijke groep, herkenbare deelnemers, handhaving en een consequentie als iemand zich niet houdt aan de norm. Hardin noemt dat “mutual coercion, mutually agreed upon”. De vraag is niet óf er begrenzing komt, maar of je die vooraf organiseert of pas nadat schade ontstaat.

    De praktische consequentie is ongemakkelijk eenvoudig. Bij elke voorziening die ‘van ons allemaal’ is, zijn er drie vragen: wie mag er gebruik van maken, wie betaalt eraan mee en wie handhaaft.

    Als iemand die vragen wegwuift met een beroep op ‘vrijheid’, dan gaat het vaak minder om vrijheid dan om de vraag wie de rekening draagt. En wie onbegrensd kosteloos gebruik verwart met rechtvaardigheid, krijgt vaak precies waar Hardin voor waarschuwt: een moment waarop verdedigen niet meer loont en niemand nog iets verdedigt. Dan blijft er maar één grens over: die van het failliet.

    Wie geen grens durft te trekken, kiest er uiteindelijk voor dat het gedeelde verdwijnt.