Categorie: Organisaties

  • Termijnen en verjaring: De klok als stille partij

    Termijnen en verjaring zijn droge woorden. Daarom zijn ze gevaarlijk. Je kunt gelijk hebben, bewijs hebben en zelfs een schikking klaar hebben liggen, en toch verliezen omdat je te laat bent.

    Dat voelt alsof het recht je laat vallen over iets kleins. In werkelijkheid is het precies andersom: zonder tijdsgrenzen is het recht onwerkbaar. Als claims eindeloos blijven hangen, worden dossiers archiefkasten, wordt bewijs mist en wordt onzekerheid normaal. De klok is geen decor. De klok is de tegenpartij.

    Termijnen zijn tijdvakken met tanden. Soms staan ze in de wet, soms in een contract, soms stelt de rechter ze in het proces. De kern is steeds dezelfde vraag: wanneer begint de klok, hoe tel je, en wat gebeurt er als je eroverheen gaat?

    Startmoment

    Veel ellende zit in het beginpunt. Een termijn begint vaak niet ‘op de dag zelf’, maar op de dag erna. En een einddatum die op een weekenddag valt, schuift vaak door naar de eerstvolgende werkdag. Wie alleen ‘ergens in februari’ noteert, zet zichzelf op achterstand.

    Te laat kan fataal zijn

    De valkuil is dat mensen termijnen als administratie behandelen. Alsof je later nog wel even kunt uitleggen waarom het niet lukte. Maar veel termijnen zijn fataal. Te laat is niet ‘lastig’. Te laat is vaak: je middel weg, je recht weg, je verhaal onbesproken.

    Verjaring is geen gelijk

    Verjaring is de bekendste variant: na verloop van tijd kan de wederpartij met een beroep op verjaring zorgen dat je vordering strandt. Dat klinkt als een truc, maar het is een keuze voor rechtszekerheid. Iemand moet op een gegeven moment kunnen zeggen: dit oude dossier is klaar, dit risico is voorbij.

    Daar zit meteen het eerste misverstand. Verjaring gaat niet over gelijk, maar over wat je nog kunt afdwingen. Je kunt moreel en feitelijk gelijk hebben, en toch niets meer kunnen afdwingen omdat je vordering is verjaard.

    Onderhandelen pauzeert niets

    Het tweede misverstand is dat “We zijn nog in gesprek.” de klok zou stoppen. Onderhandelen is geen pauzeknop. Schikken is rekenen, schreef ik eerder. Dit wordt vaak vergeten: “Hoeveel tijd heb ik nog?”

    Verjaring versus verval

    En dan de derde valkuil: verjaring is iets anders dan ‘verval’. Bij verjaring is er vaak nog een reddingsboei: verjaring kun je ‘stuiten’. Stuiten onderbreekt de klok als je schriftelijk vastlegt dat je je recht blijft opeisen. Bij een vervaltermijn is het meestal simpel: voorbij is voorbij. Stuiting helpt dan niet. De term ‘termijn’ klinkt neutraal, maar het type termijn bepaalt of je nog kunt herstellen.

    Stuiten

    Stuiten is, in de praktijk, minder ingewikkeld dan mensen denken en tegelijk preciezer dan mensen hopen. Het gaat erom dat je schriftelijk en ondubbelzinnig laat weten dat je aanspraak maakt op nakoming of schadevergoeding. Niet: “We zijn het er niet over eens.” Wel: “Ik maak aanspraak op X.” of “Ik behoud mij alle rechten voor.” Ik verwacht dat dit wordt opgelost.”

    Het nuttigste instrument is het ‘parkeerbericht’. Kort, zakelijk, schriftelijk: “Ik betwist deze vordering en kom hierop terug. Ik behoud mij alle rechten voor.” Niet omdat één zin alle juridische problemen oplost, maar omdat wachten zonder schriftelijke vastlegging bijna altijd tegen je werkt.

    Wie dit doet, doet nog iets anders: je creëert bewijs. Niet alleen van jouw standpunt, maar ook van het moment waarop jij het standpunt innam. Tijd en bewijs zitten aan elkaar vast. Als je pas reageert als het pijn doet, heb je niet alleen een termijnprobleem, maar vaak ook een geloofwaardigheidsprobleem.

    Het meest voorkomende scenario is saai. Een factuur waarover je twijfelt. Een schadeclaim die je ‘even laat liggen’. Een e-mail waar je geïrriteerd over bent en die je daarom niet beantwoordt. In het moment voelt niet reageren als rust. In het dossier leest het als instemming, of in elk geval als verwaarlozing van je positie.

    Twee data

    De tegenzet is niet om meteen te gaan procederen. De tegenzet is twee data hard maken. Eén: wanneer begint de klok te lopen. Twee: welke datum is de laatste veilige dag om iets te doen dat de klok doorbreekt. En ‘iets doen’ betekent: schriftelijk, controleerbaar, liefst met bewijs van ontvangst.

    Je hoeft het niet groot te maken. Je hoeft alleen te voorkomen dat het klein wordt op het verkeerde moment. De meeste termijnrampen ontstaan niet door slechte argumenten, maar door uitstel dat onschuldig leek.

    Toetsvraag

    Welke datum maakt jouw gelijk waardeloos als je niets doet?

    Slot

    Wie wacht, verspeelt zijn recht.

  • Vertrouwen: Schijn bindt

    Het dagelijks verkeer draait vaak op korte signalen. ‘Is goed.’ ‘Regel ik.’ ‘Doe maar.’ Ook als niemand een handtekening zet, wordt de opdracht uitgevoerd, wordt een prijs bevestigd, of wordt een afspraak verplaatst.

    Tot het misgaat. Dan komt het zinnetje dat iedereen kent: “Die persoon was niet bevoegd.” Alsof de interne taakverdeling een bescherming biedt die je pas kunt inzetten als het fout loopt.

    Wie de eerdere stukjes over ‘rechtvaardigheid’, ‘bewijs’ en ‘schikken’ las, ziet het familieverband. Ook hier gaat het om het beteugelen van woorden die lekker klinken. Niet ‘redelijk’, niet ‘eerlijk’, niet ‘ik dacht’. De vraag is: wat mocht je aannemen, en wie draagt het risico als die aanname verkeerd blijkt?

    Praktijkcasus

    Een cliënt van ons is een adviseur. Onlangs leverde hij een gefaseerde kostenbesparingsscan aan een bedrijf. Een manager gaf daartoe opdracht, leverde informatie aan, liet een eerste fee factureren en betaalde die ook. Later zette een directeur er een streep door en weigerde hij de tweede factuur te betalen met het argument dat de manager daartoe niet bevoegd was. Juist het voortraject maakte dat verweer moeilijk houdbaar: het bedrijf had zelf de schijn gewekt dat de manager namens het bedrijf kon handelen. Voordat het tot een procedure kwam, is geschikt in het voordeel van de adviseur.

    Vertrouwen als beslisregel

    Vertrouwen is in het recht geen warm gevoel, maar een beslisregel. Als we zouden eisen dat je bij elke afspraak eerst het Handelsregister raadpleegt, een organogram opvraagt, een volmacht controleert en een bestuursbesluit laat overleggen, dan komt het maatschappelijk verkeer tot stilstand. Het recht laat dus ruimte om op signalen te varen. Maar het recht bepaalt ook wanneer dat gerechtvaardigd is.

    Gerechtvaardigd vertrouwen

    ‘Gerechtvaardigd vertrouwen’ betekent niet dat jij je zeker voelde.

    Gerechtvaardigd vertrouwen betekent dat een redelijke derde, in dezelfde situatie, uit dezelfde omstandigheden had mogen afleiden dat dit zo zat.

    Anders zou vertrouwen een vrijbrief voor gemakzucht worden.

    Schijn is jouw probleem

    Hier komt ‘schijn’ naar voren. Schijn is de buitenkant die jij laat zien: functies, e-mailadressen, visitekaartjes, de ruimte die je iemand geeft aan tafel, het feit dat je iemand wekenlang laat onderhandelen, informatie laat ophalen en zelfs een eerste factuur laat betalen zonder ooit te zeggen: “Let op, hij mag niets toezeggen.”

    Schijn is zelden kwaadwillig. Het is vaak rommel. Iedereen is druk, taken zijn verdeeld, iemand springt even bij. Maar precies die rommel kan voor de wederpartij heel overtuigend zijn. En als jij die schijn hebt gewekt of hebt laten voortbestaan, dan kan het recht de gevolgen aan jou toerekenen. Dan kom je er niet meer onderuit, ook als je intern vindt dat het ‘eigenlijk’ anders lag.

    Dat voelt soms onrechtvaardig, vooral voor organisaties. Maar het is in feite een kwestie van discipline: als jij het verschil kent tussen ‘wel bevoegd’ en ‘niet bevoegd’, dan ben jij ook degene die het verschil zichtbaar kan maken. De wederpartij ziet immers alleen wat jij laat zien.

    De misvatting van de interne regel

    Interne regels zijn echt. Mandaten, limieten, dubbele handtekeningen, ‘eerst langs legal’. Het punt is alleen: ze werken vooral intern. Wie pas corrigeert zodra de factuur komt, probeert een interne regel achteraf als schild te gebruiken.

    Dit is het hardnekkige misverstand: men verwart ‘wat wij hadden afgesproken’ met ‘wat de ander had moeten begrijpen’. In het dagelijks verkeer is ‘moeten begrijpen’ geen verwijtvraag, maar een vraag naar kenbare aanwijzingen. Heb je het gezegd? Heb je het vastgelegd? Heb je het gedrag gecorrigeerd toen je de kans had?

    Wanneer vertrouwen niet meer mag

    De bescherming van vertrouwen heeft ook een rem. Niet elk vertrouwen is gerechtvaardigd. Hoe groter het belang, hoe zwaarder de onderzoeksplicht. Als een deal afwijkt van wat gebruikelijk is, als de ander aarzelt, als de voorwaarden extreem zijn, of als je merkt dat de gesprekspartner steeds wegduikt achter ‘ik moet het nog even intern afstemmen’, dan heb je de plicht om te vragen wie bevoegd is en om een duidelijke bevestiging te vragen.

    Het ongemak is dat dit precies het punt is waarop mensen sociaal willen zijn. Je wilt niet moeilijk doen. Je wilt de vaart erin houden. Maar juridisch gezien is ‘niet moeilijk doen’ geen argument. Dat wordt gezien als ‘een keuze om risico te nemen’.

    Praktische tegenzetten

    Je kunt dit probleem bijna altijd kleiner maken, aan beide kanten van de tafel.

    1) Maak aan het begin van een traject één ding expliciet: wie kan binden. Niet als juridische bijsluiter, maar als praktische afspraak. ‘Onder voorbehoud van schriftelijke bevestiging door X’ is geen wantrouwen, maar basisdiscipline in communicatie.

    2) Als je onderhandelt namens een organisatie: laat je eigen rol niet in het midden. Een e-mailhandtekening met functie, afdeling en eventueel een zin over bevoegdheid voorkomt dat de wederpartij later zegt: ‘Dat mocht ik toch aannemen?’

    3) Corrigeer ‘schijn’ onmiddellijk. Als iemand in jouw naam iets toezegt wat niet klopt, reageer dan meteen. Stilte is een signaal dat later in een conflict wordt geïnterpreteerd als instemming.

    4) Als je aan de ontvangende kant zit: vraag niet om ‘een volmacht’, vraag om een bevestiging op het juiste niveau. Een kort mailtje van de beslisser is vaak genoeg om maanden discussie te voorkomen.

    5) Voor grotere bedragen of langere verplichtingen: kies voor een vaste afsluitstap. Eén document, één akkoord, één naam. Niet omdat papier magisch is, maar omdat het de schijn en het geheugen duidelijk vastlegt.

    Toetsvraag

    Welke indruk wek je, en zou je die indruk ook willen verdedigen als het misgaat?

    Slot

    Schijn is geen bijzaak. Schijn is vaak al de handtekening.

  • Remmende voorsprong

    Later beginnen kan sneller gaan: je bouwt zonder ballast en met andermans leergeld als handleiding.

    Je wilt één ding aanpassen, een kwartier werk, en dan blijkt het een kettingreactie. Omdat er een reeks randvoorwaarden is gegroeid. Iemand zegt: “If it ain’t broke, don’t fix it.”, en een kleine ingreep wordt een project: de machine is log, haperend en wars van vernieuwing.

    In een gevestigd en doorontwikkeld systeem is alles verweven. Draaien aan één knopje heeft gevolgen op veel andere plekken. Voorsprong betekent: bestaande investeringen, afspraken, afhankelijkheden en risico’s. Die ene klantbelofte gijzelt nu elke vernieuwing. Die ene interne afspraak was ooit handig, maar vertraagt nu elke beslissing. Hoe meer er van die machine afhangt, hoe groter de reflex om afwijkingen te blokkeren. Met volwassen compliance en governance zie je overal beren op de weg. Er staat te veel op het spel, dus is de reflex: niet doen.

    De laatkomer heeft dat probleem meestal niet. Minder koppelingen, minder uitzonderingen, minder historie die mee moet. Zijn oplossing kan rammelen, maar hij krijgt hem wel sneller van de grond, juist omdat er minder aan vastzit en minder reputatie op het spel staat. Als het tegenvalt, is het een leermoment. Bij de gevestigde partij voelt hetzelfde tegenvallen als een schuldvraag:

    Eén toetsvraag volstaat: wat bescherm je hier eigenlijk? Een principe, een investering, een reputatie, een oude afspraak, of alleen systeemrust? ‘Rust roest’ is een cliché, maar het wordt waar op het moment dat stilstand wordt verward met zekerheid.

    Soms is het gewoon volgen. Een ander heeft het probleem al scherp gekregen en de discussie al uitgevochten. Jij hoeft de leercurve van de pionier niet meer te betalen: zijn beginnersfouten zijn jouw routekaart. Reverse engineering en nabouwen zijn makkelijker dan uitvinden. Minder romantisch ook: je hoeft geen pionier te zijn om vooruit te komen, vooral niet dezelfde afgrond in. Niet zelden wint de tweede of derde speler. Google was niet de eerste zoekmachine, en de iPhone niet de eerste smartphone. De pionier betaalt leergeld, legt de markt uit en maakt fouten in het volle licht; de volger kan meteen bouwen op wat bewezen werkt. En precies daar gaat voorsprong remmen: wat je al hebt gebouwd, verkocht en beloofd, maakt koerswijzigingen duurder dan ze technisch hoeven zijn.

    In de rechtspraktijk zie je hetzelfde bij partijen die op routine draaien. De gevestigde speler komt met het standaarddossier: alles wat ooit relevant was, gaat mee, inclusief oude aannames en oude reflexen. De laatkomer kan zich beperken tot wat de rechter nu nodig heeft, omdat veel discussiepunten in de praktijk al zijn uitgekauwd. Voorsprong levert dan geen scherpte op maar volume, en volume vertraagt.

    Die remmende voorsprong heeft een functie, maar vooral in het kleine. Lagen en checks zijn ooit toegevoegd om gedoe te voorkomen: fouten, claims, reputatieschade, politieke ellende, interne strijd. Op den duur daalt het rendement. Dan wordt het middel zwaarder dan de kwaal en krijg je de paarse krokodil: eerst een onzinnige omweg, pas daarna de oplossing. Het venijn zit in de optelsom. Wat begon als verstandige voorzichtigheid wordt vanzelfsprekendheid en wordt verward met kwaliteit: hoe meer procedure, hoe serieuzer het voelt. Vaak is het iets anders: risicomanagement dat zichzelf als werk legitimeert. Niemand wil degene zijn die de machine stilzet of een compliance-risico heeft gemist, dus krijgt ‘voorzichtig’ status los van de uitkomst.

    De voorsprong remt ook omdat er veel te verliezen valt en het zelfbeeld ervan afhangt. De organisatie die ooit pionier was, kan het zich niet permitteren om te mislukken. Dan wordt voorzichtigheid status en experimenten veranderen in theater. De voorsprong wordt een glazen vitrine: mooi om naar te kijken, lastig om open te breken. Daarom moet je durven afkoppelen.

    De uitweg is niet harder duwen op wat verstopt zit, maar afkoppelen en versimpelen waar de voorsprong remt: een parallel spoor, een proef die klein genoeg is om te falen zonder gezichtsverlies, een beslissing die de oude orde niet eerst hoeft te sparen. Dan kan de machine leren zonder zich meteen te moeten bewijzen. Schaal maakt verandering duurder en missers zichtbaarder.

    ‘Small is beautiful’ klopt omdat minder onderdelen minder frictie geven. Het verschil zit niet in inspanning, maar in frictie: minder ballast, minder reputatie om te verdedigen en soms beter gereedschap bij de start.

    De remmende voorsprong bewijst dat meer historie ook inhoudt dat er meer in de weg zit.