Categorie: Drogreden

  • Sunk Cost Fallacy

    De sunk cost drogreden is zelden een rekenfout; vaker is het een ego-reflex: doorgaan voelt als consequent zijn, maar je laat het verleden de toekomst bepalen.

    Het mechanisme zie je het duidelijkst bij iets alledaags. Je koopt een bioscoopkaartje. Na twintig minuten merk je dat je vooral op je horloge zit te kijken. De juiste reactie is niet dat je blijft zitten ‘omdat je er al voor hebt betaald’. Het geld is al weg; de vraag is wat je met de rest van je avond doet.

    Die ‘sunk cost fallacy’ is de drogreden waarbij je een oud verlies probeert te rechtvaardigen door er een nieuw verlies aan toe te voegen. In het Engels heet dat ook wel ‘throwing good money after bad’.

    Zodra er tijd, geld of reputatie aan een keuze verbonden is, verschuift het gesprek. Niet naar de toekomst, maar naar het verleden: hoeveel er al in is gegaan en hoe pijnlijk het zou zijn om dat als ‘verloren’ te moeten erkennen.

    In de economie heet dat een ‘sunk cost’: gemaakte kosten die je niet kunt terugdraaien. Rationeel tel je die niet mee voor de keuze die nu voorligt, omdat ze, ongeacht je volgende stap, al zijn gemaakt. Je hoort te kijken naar de marginale kosten en baten vanaf nu: wat kost de volgende stap, en wat levert die naar verwachting op?

    In de boekhouding schrijf je een investering af om haar definitief in het verleden te plaatsen: je accepteert dat de prijs niet meer ‘te redden’ is op de balans van vandaag. Bij sunk costs hoort iets vergelijkbaars, maar dan mentaal. Het verleden is afgeschreven: pijnlijk, betaald, klaar. Als je het niet afschrijft, blijft het als drukmiddel rondzingen in elk vervolgbesluit.

    Bij tijd en aandacht werkt hetzelfde, maar stiller. Als je halverwege een boek zit dat nergens heen gaat, kun je stoppen en iets anders lezen. Doorlezen ‘omdat ik al zo ver ben’ herstelt niets; je vergroot het verlies. Hetzelfde geldt voor een serie die na een paar afleveringen nog steeds geen plezier oplevert. De drang naar afronding en het verlangen naar een vinkje zijn begrijpelijk, maar ze maken geen tijd vrij. Je verkleint het verlies niet door vol te houden; je vergroot het door er tijd aan toe te voegen.

    Op grotere schaal wordt de fout kostbaar. Een verlieslatend project krijgt een extra budgetronde ‘zodat het niet voor niets is geweest’. Een belegging die structureel tegenvalt blijft liggen “tot ik quitte speel”, terwijl ‘quitte’ vaak een psychologisch doel is: je verdraagt niet dat het verleden in het rood eindigt.

    Ook relaties kunnen op deze logica draaien: wie al jaren heeft geïnvesteerd, ervaart weggaan als het weggooien van die jaren. Hoe langer het duurt, hoe harder de klem. Het verleden wordt niet lichter, het wordt zwaarder.

    Het tegen beter weten in doorgaan met investeren in de exploitatie van de Concorde is zo bekend dat Concorde fallacy synoniem staat voor de sunk cost drogreden. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bleven het toestel financieren, mede omdat er al zo veel geld en prestige in zat en uitstappen werd politiek en juridisch vrijwel onhaalbaar gevonden.

    En dat mechanisme is niet louter historisch. In het Verenigd Koninkrijk doet zich op dit moment vrijwel dezelfde situatie voor bij een hogesnelheidsspoorproject. Bij grote infrastructuurprojecten wordt stoppen moeilijk zodra er veel geld en prestige in zit. Dan klinkt ‘doorgaan’ als consistentie, maar het is vaak reputatiebeheer.

    Doorgaan kan waarde hebben die niet in euro’s of uren is uit te drukken. Soms is afmaken discipline. Soms koop je met doorzetten tijd om te leren, een verplichting na te komen of reputatieschade te beperken. Niet elke volharding is een denkfout. De denkfout begint wanneer de reden voor doorgaan uitsluitend is dat er al veel in is geïnvesteerd, terwijl de kosten verder oplopen en de toekomstige opbrengst achterblijft. Dan is het geen argument meer, maar een dekmantel. Daarom is het een drogreden.

    Daar raakt de zaak aan ego. Stoppen voelt als toegeven dat de eerdere keuze fout was, en dat schuurt aan status en zelfbeeld. In organisaties komt daar reputatie bij: men wantrouwt bijsturen en beloont ‘doorpakken’. Daardoor wordt doorgaan een reputatie-investering, vermomd als rationaliteit. Wharton vat onderzoek samen waaruit blijkt dat zulke vertekeningen sterker zijn wanneer de CEO die de oorspronkelijke acquisitie deed nog in functie is. Het verleden is dan niet alleen boekhoudkundig, maar ook persoonlijk.

    De uitweg is hard en simpel, en juist daarom werkt hij. Trek het verleden los van de beslissing en behandel het als lesgeld: betaald, afgeschreven, klaar. Leg dit criterium op tafel: “Als ik vandaag vanaf nul zou starten, zou ik dit dan nog doen?” Voeg er een tweede vraag aan toe die het ego omzeilt: “Wat is het beste alternatief voor tijd, geld en aandacht als ik nu stop, en is dat alternatief aantoonbaar beter?” Leg een buitenstaander uit wat er nog in moet en wat het kan opleveren, niet hoeveel er al in zit. Vraag dan: “Zou je nu instappen?” Het helpt ook als je vooraf stopcriteria definieert, zodat stoppen later geen drama is maar uitvoering van een afspraak.

    Wie het verleden niet afschrijft, betaalt dubbel.

  • Tien drogredenen in discussie

    Sommige manoeuvres in een gesprek lijken op argumenten, maar verplaatsen het gesprek van inhoud naar status, groepsdruk, emotie of druk. Voor de bühne werkt dat vaak snel, maar het maakt de discussie slechter: het is minder duidelijk wat er waar is, en de partijen raken sneller in rolgedrag.

    Onderstaande lijst is bedoeld als naslag. Per punt volgt een korte definitie, hoe je het kunt herkennen, één controlevraag (die het gesprek terugbrengt naar inhoud) en een nettere variant (wat je zou kunnen doen zonder het gesprek te laten ontsporen).

    Inhoud

    1. Beroep op gezag
    2. Beroep op meerderheid
    3. Op de persoon
    4. Valse consensus
    5. Beroep op medelijden
    6. Afleidingsmanoeuvre
    7. Stropop
    8. Standpunt vertekenen
    9. Vals dilemma
    10. Dreigement

    A. Beroep op gezag (argumentum ad verecundiam)

    Definitie: iemand gebruikt een titel, instituut of ‘de wetenschap’ als vervanging van onderbouwing. Bijvoorbeeld: “Dat vindt de regering ook”, “De geleerden zijn het erover eens dat…”, “Het is wetenschappelijk bewezen dat…”.

    Herkenningspunten:
    – de bron wordt als eindpunt gepresenteerd, niet als startpunt;
    – tegenspraak voelt ineens als ongepast, omdat het tegen ‘iemand’ zou zijn.

    Controlevraag: welke reden blijft overeind als je de naam, titel of instantie weghaalt?

    Nette variant: verwijs naar de concrete reden of bron, en zeg erbij hoe zeker het is en wat het zou kunnen weerleggen.

    B. Beroep op meerderheid (argumentum ad maioritatem)

    Definitie: een moreel standpunt wordt buiten de discussie gesteld omdat ‘de meerderheid’ het vindt. Bijvoorbeeld: “Een meerderheid in Nederland is tegen biotechnologie bij dieren, dus…”.

    Herkenningspunten:
    – ‘veel mensen vinden’ wordt ingezet als ‘dus is het juist’;
    – twijfel wordt neergezet als elitair of wereldvreemd.

    Controlevraag: waarom zou meerderheid hier een criterium voor waarheid of moraal zijn?

    Nette variant: benoem meerderheidssteun als politiek of sociaal feit en geef aan waar dat op is gebaseerd, maar geef daarna ook de inhoudelijke redenen waarom het standpunt te verdedigen is.

    C. Op de persoon (argumentum ad hominem)

    Definitie: kritiek op argumenten wordt vervangen door kritiek op de persoon. Bijvoorbeeld: “Wetenschappers zijn zo verblind door hun wens om belangrijke ontdekkingen te doen, dat…”.

    Herkenningspunten:
    – karakter, afkomst, rol of motief vervangt de plaats van de stelling;
    – de inhoudelijke stap ontbreekt: waarom volgt uit die aanval dat de stelling onwaar is?

    Controlevraag: welke concrete bewering weerleg je nu, en op basis waarvan?

    Nette variant: als belangen of prikkels relevant zijn, maak ze expliciet en koppel ze aan controleerbare punten (data, methode, aannames). Blijf bij de inhoud.

    D. Valse consensus en wij-zij (argumentum ad populum)

    Definitie: tegenargumenten worden buiten de discussie geplaatst doordat ‘de ander’ tot buitenstaander of vijand wordt gemaakt. (Ook in de vorm van: “Iedereen is het hier al over eens, jij loopt achter”.)

    Herkenningspunten:
    – “wij” zijn redelijk en “zij” zijn per definitie verkeerd;
    – de verwijzing naar ‘iedereen’ wordt niet verduidelijkt of afgebakend.

    Controlevraag: wie is ‘iedereen’ precies, en welk inhoudelijk argument van de minderheid wordt hier niet besproken?

    Nette variant: als er consensus is, definieer de scope (waar, onder welke groep, op basis waarvan) en noem ook de inhoudelijke tegenwerpingen.

    E. Beroep op medelijden (argumentum ad misericordiam)

    Definitie: een beroep op medelijden vervangt een inhoudelijk argument. Bijvoorbeeld: “Nadat ik er zo lang op heb zitten zwoegen, moet ik wel een voldoende krijgen…”.

    Herkenningspunten:
    – inzet verschuift van criteria naar zieligheid of inspanning;
    – je voelt dat ‘nee’ ineens klinkt als een moreel tekortschieten.

    Controlevraag: welke reden is er, los van medelijden, om de conclusie te trekken?

    Nette variant: erken omstandigheden, maar scheid ze van de beoordeling. Als omstandigheden wél relevant zijn, maak het criterium expliciet (denk aan: de mogelijkheid tot herkansing, coulancebeleid of overmacht).

    F. Afleidingsmanoeuvre (red herring)

    Definitie: het onderwerp wordt verlegd zodat het lastige punt niet meer besproken wordt.

    Herkenningspunten:
    – er verschijnt ineens een ‘ander probleem’ dat ook belangrijk is;
    – de oorspronkelijke vraag blijft onbeantwoord.

    Controlevraag: welke vraag probeerden we net te beantwoorden, en wat is het korte antwoord daarop?

    Nette variant: parkeer het zijspoor (“dat is een goed punt, waar we later op kunnen terugkomen”), en keer terug naar de kernvraag. Als het zijspoor echt bepalend is, leg uit waarom.

    G. Stropop (straw man)

    Definitie: een karikatuur van het standpunt van de ander wordt aangevallen in plaats van het echte standpunt.

    Herkenningspunten:
    – je herkent je eigen standpunt niet in de samenvatting;
    – de kritiek is opvallend makkelijk te winnen.

    Controlevraag: waar heb ik dat precies gezegd?

    Nette variant: begin met een korte herformulering van het standpunt van de ander, en vraag bevestiging voordat je het bekritiseert.

    H. Standpunt vertekenen

    Definitie: iemand legt de ander woorden in de mond of rekt het standpunt op tot iets extremers. Bijvoorbeeld: “Dus jij vindt dat regels helemaal moeten verdwijnen”.

    Herkenningspunten:
    – een kleine nuance wordt omgezet in een grote, extreme claim;
    – het gesprek gaat ineens over een punt dat niemand verdedigt.

    Controlevraag: welk deel van het standpunt citeer je nu letterlijk, en wat voeg je zelf toe?

    Nette variant: citeer één zin of één concrete stelling, en bespreek precies die stelling. Niet de extreme uitvergroting.

    I. Vals dilemma (valse tweedeling)

    Definitie: doen alsof er maar twee opties zijn, waardoor iemand in een hoek wordt gezet. Bijvoorbeeld: “Of je steunt dit plan, of je bent tegen vooruitgang”.

    Herkenningspunten:
    – een ‘of-of’-optie wordt gepresenteerd als complete kaart van de omstandigheden;
    – nuance wordt geïnterpreteerd als zwakte of sabotage.

    Controlevraag: welke derde optie, tussenoptie of combinatie is hier realistisch?

    Nette variant: maak de keuzecriteria expliciet (wat is het doel, wat zijn randvoorwaarden) en bespreek meerdere routes naar dat doel.

    J. Dreigement (argumentum ad baculum)

    Definitie: iemand oefent druk uit met impliciete of expliciete dreiging. Bijvoorbeeld: “Als jij dit blijft beweren, kun je een promotie wel vergeten”.

    Herkenningspunten:
    – de conclusie wordt gekoppeld aan straf, statusverlies of uitsluiting;
    – het gaat niet meer over waar of onwaar, maar over gevolgen voor jou.

    Controlevraag: is dit een inhoudelijk argument, of een poging om mij te laten zwijgen?

    Nette variant: als er echte consequenties zijn, benoem ze als feitelijk risico los van de waarheid van de claim, en bespreek daarna de inhoud op de eigen merites.

  • Drogredenering: Beroep op gezag of autoriteit

    “Onderzoek toont aan…” is een zin die zelden alleen informeert. Hij klinkt als een keurmerk op een uitspraak, terwijl je nog niet weet wie het afgeeft en waarop het rust. Wie dan vraagt “welk onderzoek precies?” kan soms als dwarsligger worden weggezet, terwijl iemand alleen vraagt wat er wordt beweerd.

    Een drogredenering is een poging om de discussie te winnen met een schijnargument. Eén bekende variant is het beroep op gezag. Hoe een naam als argument kan functioneren, werkte ik onlangs uit in ‘Quotegezag’.

    Argumentum ad verecundiam

    Een beroep op gezag wordt een drogreden zodra een titel of instituut het bewijs vervangt en verantwoordelijkheid verschuift naar een naam, terwijl het zich voordoet als inhoud. Een uitspraak krijgt geen extra gewicht omdat er een beroemde naam onder staat. Dit is geen logische truc, maar een sociale techniek.

    Dat is de kracht van het beroep op gezag. Geen redenering, maar een sociale techniek die zich als redenering voordoet. De spreker leunt op een onzichtbare derde: de hoogleraar, ‘de wetenschap’, de jurist, de dokter of ‘men’. De subtekst is eenvoudig: ‘Wie mij tegenspreekt, spreekt iemand tegen die ertoe doet.’

    Waarom het werkt

    Het werkt omdat het twee behoeften tegelijk bevredigt. De eerste is snelheid: onzekerheid is ongemakkelijk en uitleg kost tijd. De tweede is afschuiven: ongelijk hebben is duur, zeker als er reputatie, relaties of geld aan hangen. Wie achteraf wil kunnen zeggen “ik volgde alleen maar het advies” dekt zich in. Niet omdat iemand dom is, maar omdat verantwoordelijkheid dragen betekent dat je kunt falen.

    Er zit ook een groepssignaal in. Een autoriteit citeren laat zien bij welke kring je hoort en welk vocabulaire je beheerst: ‘consensus’, ‘serieuze bronnen’, ‘vast staat dat’. Het klinkt nuchter en rationeel omdat twijfel uit het gesprek wordt geveegd. Tegenspraak voelt dan snel als een aanval op de identiteit, terwijl het meestal een inhoudelijke controle is: waarop is dit gebaseerd en hoe zeker is het?

    Het serieuze bezwaar

    Expertise bestaat en het is irrationeel om te doen alsof elke leek het gewicht van bepaald bewijs even goed kan wegen. Er zijn domeinen waarin kennis opbouwend is en waarin het verstandig is voorlopig de best onderbouwde uitleg te volgen, inclusief de onzekerheden. Het probleem zit dus niet in gezag als startpunt, maar in gezag als eindpunt: niet “Dit is wat we nu het best kunnen onderbouwen”, maar “Dit gesprek is klaar.”

    Buiten het domein

    Zelfs als je expertise serieus neemt, gaat het mis zodra status domeingrenzen overschrijdt. Een vooraanstaande cardioloog, topsporter, influencer of succesvolle ondernemer kan misschien overtuigend spreken, maar dat maakt iemand nog geen autoriteit buiten het eigen domein, of het nu over geopolitiek, klimaat, psychologie of moraal gaat. Niet omdat er niets zinnigs kan worden gezegd, maar omdat status de inhoud onterecht mee omhoog trekt. Status is geen bewijs; het is hooguit een richtingaanwijzer.

    De systeemvariant

    De juridische variant werkt met dezelfde truc, alleen met een extra laag schijnneutraliteit. “De wet zegt…” klinkt alsof de discussie is afgerond door een tekst die buiten ons staat. In de praktijk wordt ‘de wet’ soms gebruikt als stopwoord voor beleid, gemak of angst. En in een helpdeskgesprek hoor je de digitale evenknie: “Dat kan niet, het systeem staat het niet toe.” Het systeem wordt de autoriteit, inclusief de quasi-objectiviteit. Wat verdwijnt is de vraag of iemand zijn werk heeft gedaan: waar staat het en staat daar wel wat er beweerd wordt dat er staat?

    Vier vragen

    De tegenmacht is niet hardheid, maar beleefd doorvragen. Vier vragen doorbreken de schijnzekerheid zonder het gesprek te laten ontsporen: welke expertise is hier relevant en waarom, wat is de onderbouwing in gewone taal zonder titels of mist, hoe zeker is dit en wat zou het kunnen weerleggen, en welke belangen, prikkels of reputatie hangen eraan? Daarmee verschuift ‘wie zegt het?’ naar ‘wat maakt het waar?’. Autoriteit is prima, zolang ze haar redenen en bronnen op tafel kan leggen.

    Gezag verdient respect als het zich bereid toont verantwoording af te leggen, onzekerheid te erkennen en correctie toe te laten. Zodra een titel wordt gebruikt als vervanging van argumenten, is het geen kennisoverdracht meer, maar een machtszet. Dan is het geen krachtmeting, maar een precisievraag: toon dan waarop je bewering rust.

    Elke keer dat gezag als punt wordt gebruikt, hoort de reactie erop een vraagteken te zijn.

  • Quotegezag

    Een quote met een markante naam eronder is zelden een gedachte op eigen benen; het is gezag dat zich als argument verkleedt.

    Je ziet het in sierlijke typografie boven een vrolijke stockfoto: “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.” – Pippi Langkous. Het is een bekende misser: Astrid Lindgren heeft dit nooit geschreven. Dat Pippi Langkous dit niet heeft gezegd, is een detail dat vooral hinderlijk is. Wie corrigeert, is de stoorzender.

    Iemand heeft een keer iets bedacht dat ‘klinkt als Pippi’ en haar naam erbij geplakt. Het fluisterspel van het internet doet de rest. De uitspraak duikt op in trainingen, presentaties, schoolmuren en – als je pech hebt – zelfs in semi-officiële contexten waar je hoopt dat iemand een bron controleert. Het wordt een rondzingende prestigesticker. Niet omdat het iets bewijst, maar omdat het meer gewicht krijgt zodra je er een beroemdheid aan hangt.

    Het punt is dat een quote zelden alleen een mooie zin is. Het is vaak een vermomd argument. Niet: “Dit is waar, omdat het logisch is,” maar: “Dit is waar, omdat iemand die je respecteert het gezegd heeft.” Dat is geen nuanceverschil. Het is de drogreden van het gezagsargument: inhoud maakt plaats voor status. Waar Dickens in The Pickwick Papers (1836) een hele scène nodig had om een personage ontwapenend overmoedig te laten zijn, doen wij het met één regel en één naam: klaar. Het scheelt een hoop leestijd en vooral denkwerk; het voelt dan toch alsof iets is onderbouwd.

    En ja, die Pippi-gedachte is in de context van een kinderboek sympathiek. Branie werkt als literair motorblok: het kind dat zich niet laat intimideren door volwassenen, conventies en angst. Maar zet dezelfde zin in een serieuze context, dan beginnen de waarschuwingslampjes te knipperen. “Ik heb het nog nooit gedaan” is in het echte leven vaak precies de reden om te oefenen, begeleiding te zoeken, risico’s te wegen. Als duwtje bij iets onschuldigs is het prima. Als rechtvaardiging voor beslissingen met maatschappelijke consequenties is het ronduit roekeloos.

    De draai komt wanneer je beseft dat het echte probleem niet de onjuiste toeschrijving is, maar het doel ervan. Een bekende van mij gebruikte regelmatig een andere zin om een discussie af te sluiten: “Wie jong is en niet links heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen hersenen.” Steevast met de verwijzing naar Churchill. Dat geeft het meteen het aura van een staatsman. Later bleek die verwijzing helemaal niet te kloppen. En dat toont het mechanisme in zijn pure vorm: het ging niet over idealisme en leeftijd, maar om het doordenken af te kappen met geleende autoriteit.

    Daar kun je tegenin brengen dat quotes juist helpen. Ze destilleren ervaring en maken abstracte lessen hanteerbaar. Je onthoudt een zin nu eenmaal beter dan een paragraaf. En eerlijk is eerlijk: wie maalt erom of Lindgren het letterlijk zo opschreef, als precies die oneliner iemand over zijn drempelvrees helpt? Dat is een verdedigbare gedachte. Niet alles hoeft een voetnoot te hebben om praktisch bruikbaar te zijn.

    Dat gaat goed totdat de quote niet slechts als motivatie of illustratie geldt, maar als argument wordt ingezet. Dan is de bron geen bijzaak maar de hefboom die de stelling kracht geeft. Als de zin echt op eigen benen stond, zou een onbekende bron geen probleem zijn. Sterker nog: dan zou ‘onbekend’ juist een kracht zijn, een gedachte zonder krukjes. In de praktijk zien we het omgekeerde. Het label ‘onbekend’ voelt als een tekort, dus wordt er een beroemdheid opgeplakt: Pippi, Churchill of Mark Twain als waarborg.

    Daarom is factchecken van quotes nuttig. Niet om pedant te kunnen zuchten dat Voltaire of Einstein dat helemaal niet heeft gezegd, maar omdat het je dwingt de redenering zelf te toetsen. Een beroep op gezag werkt als een aanmaakblokje: het vat meteen vlam, maar houdt geen vuur gaande. De conclusie krijg je opgedrongen, maar de route ernaartoe wordt niet inzichtelijk gemaakt.

    De eenvoudige remedie is ongemakkelijk, en precies daarom werkt hij. Denk bij elke quote eerst de naam weg. Haal Lindgren, Churchill en Einstein weg. Laat alleen de zin staan. Stel dan de vragen die sociale media consequent overslaan: Klopt dit eigenlijk wel? En wanneer niet? Onder welke omstandigheden wordt de mooie oneliner (gevaarlijke) onzin? Als je die vragen overslaat, dan ben je niet geïnspireerd; dan ben je geautoriseerd. Zo’n legitimatie is hooguit rugdekking; begrip levert ze niet.

    Een quote mag inspireren; als bewijs is hij verdacht.