Categorie: Denken

  • Sunk Cost Fallacy

    De sunk cost drogreden is zelden een rekenfout; vaker is het een ego-reflex: doorgaan voelt als consequent zijn, maar je laat het verleden de toekomst bepalen.

    Het mechanisme zie je het duidelijkst bij iets alledaags. Je koopt een bioscoopkaartje. Na twintig minuten merk je dat je vooral op je horloge zit te kijken. De juiste reactie is niet dat je blijft zitten ‘omdat je er al voor hebt betaald’. Het geld is al weg; de vraag is wat je met de rest van je avond doet.

    Die ‘sunk cost fallacy’ is de drogreden waarbij je een oud verlies probeert te rechtvaardigen door er een nieuw verlies aan toe te voegen. In het Engels heet dat ook wel ‘throwing good money after bad’.

    Zodra er tijd, geld of reputatie aan een keuze verbonden is, verschuift het gesprek. Niet naar de toekomst, maar naar het verleden: hoeveel er al in is gegaan en hoe pijnlijk het zou zijn om dat als ‘verloren’ te moeten erkennen.

    In de economie heet dat een ‘sunk cost’: gemaakte kosten die je niet kunt terugdraaien. Rationeel tel je die niet mee voor de keuze die nu voorligt, omdat ze, ongeacht je volgende stap, al zijn gemaakt. Je hoort te kijken naar de marginale kosten en baten vanaf nu: wat kost de volgende stap, en wat levert die naar verwachting op?

    In de boekhouding schrijf je een investering af om haar definitief in het verleden te plaatsen: je accepteert dat de prijs niet meer ‘te redden’ is op de balans van vandaag. Bij sunk costs hoort iets vergelijkbaars, maar dan mentaal. Het verleden is afgeschreven: pijnlijk, betaald, klaar. Als je het niet afschrijft, blijft het als drukmiddel rondzingen in elk vervolgbesluit.

    Bij tijd en aandacht werkt hetzelfde, maar stiller. Als je halverwege een boek zit dat nergens heen gaat, kun je stoppen en iets anders lezen. Doorlezen ‘omdat ik al zo ver ben’ herstelt niets; je vergroot het verlies. Hetzelfde geldt voor een serie die na een paar afleveringen nog steeds geen plezier oplevert. De drang naar afronding en het verlangen naar een vinkje zijn begrijpelijk, maar ze maken geen tijd vrij. Je verkleint het verlies niet door vol te houden; je vergroot het door er tijd aan toe te voegen.

    Op grotere schaal wordt de fout kostbaar. Een verlieslatend project krijgt een extra budgetronde ‘zodat het niet voor niets is geweest’. Een belegging die structureel tegenvalt blijft liggen “tot ik quitte speel”, terwijl ‘quitte’ vaak een psychologisch doel is: je verdraagt niet dat het verleden in het rood eindigt.

    Ook relaties kunnen op deze logica draaien: wie al jaren heeft geïnvesteerd, ervaart weggaan als het weggooien van die jaren. Hoe langer het duurt, hoe harder de klem. Het verleden wordt niet lichter, het wordt zwaarder.

    Het tegen beter weten in doorgaan met investeren in de exploitatie van de Concorde is zo bekend dat Concorde fallacy synoniem staat voor de sunk cost drogreden. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bleven het toestel financieren, mede omdat er al zo veel geld en prestige in zat en uitstappen werd politiek en juridisch vrijwel onhaalbaar gevonden.

    En dat mechanisme is niet louter historisch. In het Verenigd Koninkrijk doet zich op dit moment vrijwel dezelfde situatie voor bij een hogesnelheidsspoorproject. Bij grote infrastructuurprojecten wordt stoppen moeilijk zodra er veel geld en prestige in zit. Dan klinkt ‘doorgaan’ als consistentie, maar het is vaak reputatiebeheer.

    Doorgaan kan waarde hebben die niet in euro’s of uren is uit te drukken. Soms is afmaken discipline. Soms koop je met doorzetten tijd om te leren, een verplichting na te komen of reputatieschade te beperken. Niet elke volharding is een denkfout. De denkfout begint wanneer de reden voor doorgaan uitsluitend is dat er al veel in is geïnvesteerd, terwijl de kosten verder oplopen en de toekomstige opbrengst achterblijft. Dan is het geen argument meer, maar een dekmantel. Daarom is het een drogreden.

    Daar raakt de zaak aan ego. Stoppen voelt als toegeven dat de eerdere keuze fout was, en dat schuurt aan status en zelfbeeld. In organisaties komt daar reputatie bij: men wantrouwt bijsturen en beloont ‘doorpakken’. Daardoor wordt doorgaan een reputatie-investering, vermomd als rationaliteit. Wharton vat onderzoek samen waaruit blijkt dat zulke vertekeningen sterker zijn wanneer de CEO die de oorspronkelijke acquisitie deed nog in functie is. Het verleden is dan niet alleen boekhoudkundig, maar ook persoonlijk.

    De uitweg is hard en simpel, en juist daarom werkt hij. Trek het verleden los van de beslissing en behandel het als lesgeld: betaald, afgeschreven, klaar. Leg dit criterium op tafel: “Als ik vandaag vanaf nul zou starten, zou ik dit dan nog doen?” Voeg er een tweede vraag aan toe die het ego omzeilt: “Wat is het beste alternatief voor tijd, geld en aandacht als ik nu stop, en is dat alternatief aantoonbaar beter?” Leg een buitenstaander uit wat er nog in moet en wat het kan opleveren, niet hoeveel er al in zit. Vraag dan: “Zou je nu instappen?” Het helpt ook als je vooraf stopcriteria definieert, zodat stoppen later geen drama is maar uitvoering van een afspraak.

    Wie het verleden niet afschrijft, betaalt dubbel.

  • Achterafnetwerk: twaalf verwanten van de hindsight bias

    Het stuk van gisteren ging over de hindsight bias. Dit stuk is de bijsluiter: verwante denkfouten die het achterafverhaal geloofwaardiger maken en het ‘logisch’ laten klinken. Nu niet opnieuw de hoofdzaak, maar het netwerk eromheen.

    Je ziet ze vaak in dezelfde beweging. Iemand wijst op de uitkomst, plakt er een oordeel aan, en daarna volgt een verhaal dat die uitkomst moet verklaren. Dat verhaal voelt overtuigend, juist omdat meerdere biases tegelijk hun werk doen. Onderstaande lijst is bedoeld als naslag: twaalf familieleden, dicht bij elkaar in effect en in misbruik. Per item een korte duiding en een controlevraag.

    Inhoud

    1. Outcome bias
    2. Severity effect
    3. Moral luck
    4. Choice-supportive bias
    5. Cognitive dissonance reduction
    6. Self-serving en group-serving bias
    7. Overconfidence
    8. Confirmation bias
    9. Congruence bias
    10. Narrative fallacy
    11. Post hoc ergo propter hoc
    12. Selection bias en survivorship bias

    A. Outcome bias, resultaatbias

    Waar het misgaat:

    • Je beoordeelt de kwaliteit van een beslissing aan de uitkomst, niet op basis van wat redelijk was met de informatie van toen.

    Controlevraag: Als ik de uitkomst wegdenk, blijft de beslissing dan nog steeds verdedigbaar?

    B. Severity effect, schade maakt streng

    Waar het misgaat:

    • Hoe groter de schade, hoe harder het oordeel over de eerdere zorgvuldigheid wordt, terwijl de ex ante situatie identiek kan zijn.

    Controlevraag: Zou ik dezelfde norm hanteren als het gevolg klein was gebleven?

    C. Moral luck, toeval als morele versterker

    Waar het misgaat:

    • Twee mensen handelen hetzelfde, alleen de één krijgt pech. Toch schuift het oordeel vaak mee met de pech.

    Controlevraag: Beoordeel ik de handeling, of beoordeel ik het toeval dat eraan vastplakte?

    D. Choice-supportive bias, keuze mooier maken

    Waar het misgaat:

    • Na een keuze herinner je vooral de pluspunten van jouw optie en de minpunten van de alternatieven. Je eigen keuze krijgt achteraf een glanslaag.

    Controlevraag: Kan ik drie serieuze redenen geven waarom het alternatief óók verstandig kon zijn?

    E. Cognitive dissonance reduction, zelfrechtvaardiging

    Waar het misgaat:

    • Als feiten wringen met je zelfbeeld, maak je het verhaal passend. Twijfel wordt weggepoetst, motieven worden netter, eerdere kanttekeningen verdwijnen.

    Controlevraag: Welke zin of aantekening van toen zou nu ongemakkelijk zijn om hardop voor te lezen?

    F. Self-serving en group-serving bias, reputatiebescherming

    Waar het misgaat:

    • Succes is ‘competentie’, falen is ‘omstandigheden’. Voor groepen geldt hetzelfde: wij waren goed, zij waren het probleem.

    Controlevraag: Als een ander dit deed, zou ik dezelfde uitleg accepteren?

    G. Overconfidence, overschatting door schijnbegrip

    Waar het misgaat:

    • Wie achteraf denkt dat het ‘duidelijk’ was, gaat ook denken dat hij het de volgende keer weer ‘duidelijk’ zal zien. Begrip wordt verward met voorspelbaarheid.

    Controlevraag: Welke concrete voorspelling deed ik toen, met kans en voorwaarden, zwart op wit?

    H. Confirmation bias, bevestigingsbias

    Waar het misgaat:

    • Je zoekt, onthoudt en herkauwt vooral wat je bestaande overtuiging ondersteunt. Achteraf vind je altijd wel één zin die ‘klopte’.

    Controlevraag: Wat was het sterkste tegenargument dat ik toen zag, en waar is het gebleven?

    I. Congruence bias, toetsen op bevestiging

    Waar het misgaat:

    • Je test hypotheses met vragen die bevestiging kunnen opleveren, in plaats van actief te zoeken naar weerlegging.

    Controlevraag: Welke uitkomst had mijn idee onderuit gehaald, en heb ik daar serieus naar gezocht?

    J. Narrative fallacy, verhaalbias

    Waar het misgaat:

    • Losse feiten worden een strak plot met oorzaak, bedoeling en les. Complexiteit wordt montage, toeval wordt noodzaak.

    Controlevraag: Welke feiten passen slecht in het verhaal, en wat gebeurt er als ik die centraal zet?

    K. Post hoc ergo propter hoc, na elkaar is niet daardoor

    Waar het misgaat:

    • Omdat B na A kwam, voelt het alsof A de oorzaak was. Het is een klassieke ruggengraat van ‘verklaren achteraf’.

    Controlevraag: Welke alternatieve oorzaken zijn minstens zo plausibel, en hoe zou ik ze onderscheiden?

    L. Selection bias en survivorship bias, scheve dataset

    Waar het misgaat:

    • Je kijkt naar wat zichtbaar is: winnaars, incidenten, dossiers die boven komen drijven. De stille meerderheid blijft buiten beeld, en de conclusie wordt vanzelf ‘onvermijdelijk’.

    Controlevraag: Welke gevallen zie ik niet, en hoe verandert mijn oordeel als ik die meereken?

    Wie dit praktisch wil gebruiken, kan één simpele discipline kiezen: maak de ‘toen’-versie vindbaar. Leg vóór de afloop vast welke aannames je hanteert, welke signalen je wel en niet meeneemt, welke alternatieven je ziet, en wat jou van gedachten zou doen veranderen. Dan kun je later toetsen zonder dat het verhaal van nu de feiten van toen opslokt.

    Een uitkomst is geen argument; hooguit een aanleiding om je aannames terug te lezen.

  • Drogredenering: Beroep op gezag of autoriteit

    “Onderzoek toont aan…” is een zin die zelden alleen informeert. Hij klinkt als een keurmerk op een uitspraak, terwijl je nog niet weet wie het afgeeft en waarop het rust. Wie dan vraagt “welk onderzoek precies?” kan soms als dwarsligger worden weggezet, terwijl iemand alleen vraagt wat er wordt beweerd.

    Een drogredenering is een poging om de discussie te winnen met een schijnargument. Eén bekende variant is het beroep op gezag. Hoe een naam als argument kan functioneren, werkte ik onlangs uit in ‘Quotegezag’.

    Argumentum ad verecundiam

    Een beroep op gezag wordt een drogreden zodra een titel of instituut het bewijs vervangt en verantwoordelijkheid verschuift naar een naam, terwijl het zich voordoet als inhoud. Een uitspraak krijgt geen extra gewicht omdat er een beroemde naam onder staat. Dit is geen logische truc, maar een sociale techniek.

    Dat is de kracht van het beroep op gezag. Geen redenering, maar een sociale techniek die zich als redenering voordoet. De spreker leunt op een onzichtbare derde: de hoogleraar, ‘de wetenschap’, de jurist, de dokter of ‘men’. De subtekst is eenvoudig: ‘Wie mij tegenspreekt, spreekt iemand tegen die ertoe doet.’

    Waarom het werkt

    Het werkt omdat het twee behoeften tegelijk bevredigt. De eerste is snelheid: onzekerheid is ongemakkelijk en uitleg kost tijd. De tweede is afschuiven: ongelijk hebben is duur, zeker als er reputatie, relaties of geld aan hangen. Wie achteraf wil kunnen zeggen “ik volgde alleen maar het advies” dekt zich in. Niet omdat iemand dom is, maar omdat verantwoordelijkheid dragen betekent dat je kunt falen.

    Er zit ook een groepssignaal in. Een autoriteit citeren laat zien bij welke kring je hoort en welk vocabulaire je beheerst: ‘consensus’, ‘serieuze bronnen’, ‘vast staat dat’. Het klinkt nuchter en rationeel omdat twijfel uit het gesprek wordt geveegd. Tegenspraak voelt dan snel als een aanval op de identiteit, terwijl het meestal een inhoudelijke controle is: waarop is dit gebaseerd en hoe zeker is het?

    Het serieuze bezwaar

    Expertise bestaat en het is irrationeel om te doen alsof elke leek het gewicht van bepaald bewijs even goed kan wegen. Er zijn domeinen waarin kennis opbouwend is en waarin het verstandig is voorlopig de best onderbouwde uitleg te volgen, inclusief de onzekerheden. Het probleem zit dus niet in gezag als startpunt, maar in gezag als eindpunt: niet “Dit is wat we nu het best kunnen onderbouwen”, maar “Dit gesprek is klaar.”

    Buiten het domein

    Zelfs als je expertise serieus neemt, gaat het mis zodra status domeingrenzen overschrijdt. Een vooraanstaande cardioloog, topsporter, influencer of succesvolle ondernemer kan misschien overtuigend spreken, maar dat maakt iemand nog geen autoriteit buiten het eigen domein, of het nu over geopolitiek, klimaat, psychologie of moraal gaat. Niet omdat er niets zinnigs kan worden gezegd, maar omdat status de inhoud onterecht mee omhoog trekt. Status is geen bewijs; het is hooguit een richtingaanwijzer.

    De systeemvariant

    De juridische variant werkt met dezelfde truc, alleen met een extra laag schijnneutraliteit. “De wet zegt…” klinkt alsof de discussie is afgerond door een tekst die buiten ons staat. In de praktijk wordt ‘de wet’ soms gebruikt als stopwoord voor beleid, gemak of angst. En in een helpdeskgesprek hoor je de digitale evenknie: “Dat kan niet, het systeem staat het niet toe.” Het systeem wordt de autoriteit, inclusief de quasi-objectiviteit. Wat verdwijnt is de vraag of iemand zijn werk heeft gedaan: waar staat het en staat daar wel wat er beweerd wordt dat er staat?

    Vier vragen

    De tegenmacht is niet hardheid, maar beleefd doorvragen. Vier vragen doorbreken de schijnzekerheid zonder het gesprek te laten ontsporen: welke expertise is hier relevant en waarom, wat is de onderbouwing in gewone taal zonder titels of mist, hoe zeker is dit en wat zou het kunnen weerleggen, en welke belangen, prikkels of reputatie hangen eraan? Daarmee verschuift ‘wie zegt het?’ naar ‘wat maakt het waar?’. Autoriteit is prima, zolang ze haar redenen en bronnen op tafel kan leggen.

    Gezag verdient respect als het zich bereid toont verantwoording af te leggen, onzekerheid te erkennen en correctie toe te laten. Zodra een titel wordt gebruikt als vervanging van argumenten, is het geen kennisoverdracht meer, maar een machtszet. Dan is het geen krachtmeting, maar een precisievraag: toon dan waarop je bewering rust.

    Elke keer dat gezag als punt wordt gebruikt, hoort de reactie erop een vraagteken te zijn.

  • Zelfklem

    Wie een keuze publiek verdedigt, klemt zichzelf vast: een afweging wordt een ego-kwestie.

    Een detail dat nergens over ging bleef me bij. Lang geleden zei de vader van een vriend – intelligent, beschaafd – dat hij het wonderlijk vond dat vliegtuigen op dat kleine voorwieltje konden landen. Iemand corrigeerde hem. Hij hield toch vol dat het echt zo was. Niet omdat het technisch interessant was, maar omdat je bijna live kon zien hoe een losse opmerking in seconden verhardde tot een ingenomen positie.

    Dat is de stille wet van het uitgesproken oordeel: wie eenmaal ‘A’ heeft gezegd, voelt de druk om ook ‘A1’, ‘A2’ en ‘A3’ paraat te hebben. Niet omdat de feiten veranderen, maar omdat de eerdere woorden ineens op de weegschaal liggen. Eerst was het een gedachte; nu is het iets dat bewaakt moet worden: consistent, stevig, herhaalbaar. En hoe onschuldiger de aanleiding, hoe makkelijker het misgaat: kritiek op het onderwerp voelt al snel als kritiek op jou.

    Je ziet het in het klein, juist omdat het zo herkenbaar is. Je koopt iets – een telefoon, een jas, een boek – en je ontwikkelt er argumenten bij. Niet omdat dat ding ineens beter wordt, maar omdat jouw oordeel er al aan vastzit. Het product is gekocht, maar het gesprek begint pas: in je eigen hoofd, in de kleine correcties zodra iemand vraagt waarom je hiervoor ging. ‘Hier had ik gewoon zin in’ schuift ongemerkt op naar ‘dit is gewoon de beste keuze’. Een voorkeur verandert in een verdediging.

    Dat mechanisme komt pas echt tot leven zodra een keuze publiek wordt. In je eentje kun je van gedachten veranderen zonder reputatieschade; met publiek erbij kan elke stap effect hebben op je status. Je bent niet meer iemand die iets probeerde, je bent iemand die ergens ‘voor’ staat. Het gesprek verschuift: het gaat niet meer om ‘klopt dit?’, maar om ‘ben jij nog dezelfde als daarnet?’. In zo’n setting wordt terugkomen op een keuze niet ervaren als leren, maar als capitulatie.

    In complotdenken zie je dit soms in geconcentreerde vorm. Eén filmpje wordt een route, één plausibel gevonden verklaring wordt een identiteit: iemand die ‘tenminste vragen durft te stellen’. Het is zelden nog één bewering; het is een pad dat je niet halverwege verlaat zonder ‘gezichtsverlies’. De omgeving is dan niet alleen publiek maar ook spiegel: ze kaatst terug wie je inmiddels geworden bent. Herhaling doet het versterkende werk: dezelfde onvolledige of onjuiste informatie kan terugkeren als ‘bevestiging’ en daarmee als versteviging. Twijfel wordt geframed als verraad; nuance als zwakte. Niet langer wordt het idee verdedigd, maar jouw positie.

    Daarom botst een oude wijsheid met de praktijk: “Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald.” Het klinkt rationeel, bijna opgewekt. Maar wie tijd en energie heeft geïnvesteerd, voelt iets anders: je bent ergens ‘in’ gaan zitten, dus je wilt niet halverwege toegeven dat je jezelf vooral hebt beziggehouden. Dan volgt die reflex om je dieper in te graven: nog een video, nog een thread, nog een argument—want stoppen maakt de eerdere investering niet alleen nutteloos, maar ook pijnlijk zichtbaar. De ‘sunk cost fallacy’ is dan niet alleen een denkfout, maar ook een emotioneel contract met jezelf: terugkomen voelt als dubbel verlies: ongelijk én verspilling. Je erkent dat je investering niets ‘heeft opgeleverd’ én dat je ongelijk had. Dat verlies wil je vermijden, dus maak je van je keuze een debat dat je moet winnen.

    Zelfs als je ‘wint’, is het vaak een slechte deal. Op korte termijn is een discussie die je niet verliest een opluchting, omdat je positie overeind blijft. Op lange termijn kan die quick win een onevenredig grote schadepost worden: als je standpunt later onjuist blijkt, kan de ander niet alleen vertrouwen in je conclusie verliezen, maar ook in jou als beoordelaar. Het reflexmatige ‘beschermen’ van je reputatie werkt dan averechts: je hebt je gelijk verdedigd ten koste van je geloofwaardigheid.

    Tegelijk is het te simpel om koerswijziging tot deugd te verheffen. Zonder een zekere mate van consistentie wordt samenwerken, plannen en vertrouwen lastig. Wie bij elke tegenwind van richting verandert, wordt onbetrouwbaar; wie elk gesprek eindigt met ‘alles is ingewikkeld’ maakt van nuance een vluchtweg. Er is dus iets te zeggen voor volhouden: keuzes hebben pas betekenis als je de gevolgen ook draagt.

    Maar daar begint ook de verwisseling die zoveel gesprekken bederft. Volhouden wordt al snel: geen ongelijk hoeven bekennen. Een tegenargument is geen informatie meer, maar een aanval; niet op je idee, maar op je ego. “Dat weet ik niet.” lijkt dan een zwaktebod -door anderen en door jezelf – en precies daarom is het verleidelijk om een nieuw feit meteen aan een oud vooroordeel te hangen: het geeft rust omdat het de onzekerheid sluit. Je hoeft niet opnieuw te wegen; je mag door.

    Dan gaat het niet meer om wat klopt, maar om wie wint. En dat is een dure ruil: als je later ongelijk blijkt te hebben, ben je je krediet én je bewegingsruimte kwijt.

    De uitweg is niet om keuzes te mijden, maar om anders te kiezen waar je je aan bindt: niet aan een kamp, maar aan een methode. Zinnen als ‘dit is mijn voorlopige conclusie’, ‘dit was mijn beste inschatting met de informatie van nu’, ‘als die aanname niet klopt, wil ik herzien’ klinken minder stoer, maar zijn strenger: je committeert je aan toetsbaarheid in plaats van aan gelijk.

    Karakter is niet volharden, maar durven herzien.

  • Quotegezag

    Een quote met een markante naam eronder is zelden een gedachte op eigen benen; het is gezag dat zich als argument verkleedt.

    Je ziet het in sierlijke typografie boven een vrolijke stockfoto: “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.” – Pippi Langkous. Het is een bekende misser: Astrid Lindgren heeft dit nooit geschreven. Dat Pippi Langkous dit niet heeft gezegd, is een detail dat vooral hinderlijk is. Wie corrigeert, is de stoorzender.

    Iemand heeft een keer iets bedacht dat ‘klinkt als Pippi’ en haar naam erbij geplakt. Het fluisterspel van het internet doet de rest. De uitspraak duikt op in trainingen, presentaties, schoolmuren en – als je pech hebt – zelfs in semi-officiële contexten waar je hoopt dat iemand een bron controleert. Het wordt een rondzingende prestigesticker. Niet omdat het iets bewijst, maar omdat het meer gewicht krijgt zodra je er een beroemdheid aan hangt.

    Het punt is dat een quote zelden alleen een mooie zin is. Het is vaak een vermomd argument. Niet: “Dit is waar, omdat het logisch is,” maar: “Dit is waar, omdat iemand die je respecteert het gezegd heeft.” Dat is geen nuanceverschil. Het is de drogreden van het gezagsargument: inhoud maakt plaats voor status. Waar Dickens in The Pickwick Papers (1836) een hele scène nodig had om een personage ontwapenend overmoedig te laten zijn, doen wij het met één regel en één naam: klaar. Het scheelt een hoop leestijd en vooral denkwerk; het voelt dan toch alsof iets is onderbouwd.

    En ja, die Pippi-gedachte is in de context van een kinderboek sympathiek. Branie werkt als literair motorblok: het kind dat zich niet laat intimideren door volwassenen, conventies en angst. Maar zet dezelfde zin in een serieuze context, dan beginnen de waarschuwingslampjes te knipperen. “Ik heb het nog nooit gedaan” is in het echte leven vaak precies de reden om te oefenen, begeleiding te zoeken, risico’s te wegen. Als duwtje bij iets onschuldigs is het prima. Als rechtvaardiging voor beslissingen met maatschappelijke consequenties is het ronduit roekeloos.

    De draai komt wanneer je beseft dat het echte probleem niet de onjuiste toeschrijving is, maar het doel ervan. Een bekende van mij gebruikte regelmatig een andere zin om een discussie af te sluiten: “Wie jong is en niet links heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen hersenen.” Steevast met de verwijzing naar Churchill. Dat geeft het meteen het aura van een staatsman. Later bleek die verwijzing helemaal niet te kloppen. En dat toont het mechanisme in zijn pure vorm: het ging niet over idealisme en leeftijd, maar om het doordenken af te kappen met geleende autoriteit.

    Daar kun je tegenin brengen dat quotes juist helpen. Ze destilleren ervaring en maken abstracte lessen hanteerbaar. Je onthoudt een zin nu eenmaal beter dan een paragraaf. En eerlijk is eerlijk: wie maalt erom of Lindgren het letterlijk zo opschreef, als precies die oneliner iemand over zijn drempelvrees helpt? Dat is een verdedigbare gedachte. Niet alles hoeft een voetnoot te hebben om praktisch bruikbaar te zijn.

    Dat gaat goed totdat de quote niet slechts als motivatie of illustratie geldt, maar als argument wordt ingezet. Dan is de bron geen bijzaak maar de hefboom die de stelling kracht geeft. Als de zin echt op eigen benen stond, zou een onbekende bron geen probleem zijn. Sterker nog: dan zou ‘onbekend’ juist een kracht zijn, een gedachte zonder krukjes. In de praktijk zien we het omgekeerde. Het label ‘onbekend’ voelt als een tekort, dus wordt er een beroemdheid opgeplakt: Pippi, Churchill of Mark Twain als waarborg.

    Daarom is factchecken van quotes nuttig. Niet om pedant te kunnen zuchten dat Voltaire of Einstein dat helemaal niet heeft gezegd, maar omdat het je dwingt de redenering zelf te toetsen. Een beroep op gezag werkt als een aanmaakblokje: het vat meteen vlam, maar houdt geen vuur gaande. De conclusie krijg je opgedrongen, maar de route ernaartoe wordt niet inzichtelijk gemaakt.

    De eenvoudige remedie is ongemakkelijk, en precies daarom werkt hij. Denk bij elke quote eerst de naam weg. Haal Lindgren, Churchill en Einstein weg. Laat alleen de zin staan. Stel dan de vragen die sociale media consequent overslaan: Klopt dit eigenlijk wel? En wanneer niet? Onder welke omstandigheden wordt de mooie oneliner (gevaarlijke) onzin? Als je die vragen overslaat, dan ben je niet geïnspireerd; dan ben je geautoriseerd. Zo’n legitimatie is hooguit rugdekking; begrip levert ze niet.

    Een quote mag inspireren; als bewijs is hij verdacht.